donderdag 4 februari 2021

Lyrische subjecten in het discours over het poëzieveld Over Bundels van het nieuwe millennium

Vroeger, monkelde oubaas grimmig, verschenen er nog wel eens boeken die hielpen te overzien wat er in de poëzie gaande was. Zo verschenen in 1967 en 1978 Literair Lustrum 1 (1961 – 1966) en 2 (1966 – 1971); daarna Het literair klimaat 1970 – 1985 (1986) en 1986 – 1992 (1993). Recent werd oubaas op zijn wenken bediend door het verschijnen van drie overzichten die ‘het poëtisch veld’ in kaart brengen. In 2016 verschenen Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten en Dichters van het nieuwe millennium. De laatste loot aan deze stam verscheen recent: Bundels van het nieuwe millennium (2018).

Het laatste boek is, de titel impliceert dat, deels een reactie op de doodverklaring van ‘de poëziebundel’ zoals die geformuleerd wordt in de titel en inleiding van Dichters uit de bundel en op de multimediale verschijningsvormen van poëzie die in Dichters van het nieuwe millennium beschreven worden. Alleen al in die zin is deze rehabilitatie van ‘de poëziebundel’ een welkome en terechte aanvulling.

De inleiders, J. Dera en C. De Strycker, wijzen op enkele tendensen in de hedendaagse poëzie. Deze is eclectisch en heterogeen; zet nogal eens in op de in Dichters van het nieuwe millennium prominent aanwezige ‘mediale verkenningstochten’, rekt het begrip ‘poëziebundel’ op en geeft blijk ‘van een duidelijke focus op de wereld’. De 26 bundels uit de 21ste eeuw – alsof die bijna voorbij is – worden alle besproken door ‘academische poëzielezers’ en dat is niet zonder gevolgen.

Wiel Kusters wees er in zijn bespreking van Dichters van het nieuwe millennium (Poëziekrant, jan/feb 2017) al op dat voor iemand die het hele boek overziet de academische lees- en analysekaders in vrijwel alle stukken te herkennen zijn en dat is in dit boek niet anders. Een deel van de nieuwe poëzie, maar zeker ook een groot deel van de poëzieanalyses voegt zich ‘dikwijls naadloos (ik citeer hier Wiel Kusters die in zijn stuk onderhavige formulering reserveerde voor de poëzie) in poststructualistische, postmoderne en postpostmoderne academische zienswijzen.’ Formuleringen als ‘mentale constructies van het zelf’, ‘geen statisch lyrisch subject’, ‘het frustreren van een op coherentie gerichte interpretatie’ willen – hoe feitelijk juist ook – door het academische discours een persoonlijke leeservaring van de poëzie en van de essays nog wel eens voor de voeten lopen. Van de weeromstuit beving mij een enkele keer heimwee naar de toon van Koplands persoonlijke benadering in diens Mooi, maar dat is het woord niet.

Overigens voorkomt het academisch gehalte van de schrijvers niet dat er zo nu en dan vreemde redeneringen voorkomen: ‘Het gesloten karakter van elk afzonderlijk gedicht blijkt uit ritme en rijm – al komt dat laatste zelden voor.’ Die toevoeging uit het tweede deel van de zin lijkt me de hele bewering op losse schroeven te zetten en een waarneming als ‘Bovendien hebben sommige gedichten een circulaire structuur, waardoor het gedicht tussen eerste en laatste regel gevat zit’, roept toch op zijn minst de vraag op waartussen een gedicht anders gevat zou moeten zitten.

Eenzelfde ondergraving van de argumentatie vindt plaats in:‘De titels van de acht afdelingen […] zinspelen op de vier elementen waaruit de schepping […] is samengesteld en die met elkaar in evenwicht moeten zijn: lucht (‘noorderlicht’, ‘roest’), aarde (‘klei’, ‘steenmarter’), water (‘brug’, ‘golfslag’) en vuur (‘branding’). Maar ontregeling ligt op de loer, want ‘branding’ kan uiteraard zowel betrokken worden op water als op vuur, terwijl voor ‘roest’ lucht en water nodig zijn.’ Daarnaast zou ik in deze dwaalweg op zijn minst verwacht hebben dat de ‘ontregeling’ al begonnen was bij de verhouding tussen de titels van de acht afdelingen, want ik tel er maar zeven. Het zijn slordigheden die er bij een scherpe lezing ter redactie wel uitgehaald hadden mogen worden.

In de inleiding staat  dat in de poëzie ‘de tijd van afstandelijkheid of hyperpostmodern taalspel voorlopig voorbij lijkt’. Deze stelling lijkt me te absoluut geformuleerd, want hij wordt in het boek gelogenstraft door onder andere analyses van werk van Dirk Van Bastelaere dat taalkritisch genoemd wordt; van Paul Bogaert van wiens bundel de titel, Circulaire systemen, wat dit betreft al veelzeggend genoeg is; van Tonnus Oosterhoffs werk dat geroemd wordt vanwege het ondermijnend vermogen; van het intertekstuele weefsel dat Hemelsblauw van Jan Lauwereyns is.

In één adem wordt op al even apodictische wijze beweerd dat ‘de navelstaarderige ik-lyriek lijkt te hebben afgedaan’: ‘Dichters die wel eens het verwijt kregen te veel met een persoonlijke problematiek bezig te zijn, tonen in de hier besproken bundels dan weer een opmerkelijke openheid richting de wereld.’ Mag deze laatste omschrijving wellicht gelden voor het werk van Leonard Nolens en Charles Ducal, in zijn algemeenheid pleit ik voor een nuancering. Er zijn niet alleen in het werk van Menno Wigman, Mustafa Stitou, Maud Vanhauwaert en Marieke Rijneveld ‘persooonlijke problematieken’ aan te wijzen, maar we stuiten op een paradox.

In de essays duikt veelvuldig de term ‘lyrisch subject’ op, waarover medegedeeld wordt dat dit subject ‘versplinterd’, ‘pluriform’, ‘meervoudig’ is, dan wel ‘geproblematiseerd wordt’, doordat het bestaat uit verschillende ‘ikken of zelven’.De modernistische, op coherentie gerichte interpretatie van de gedichten wordt door veel dichters gefrustreerd, zo wordt bij herhaling vastgesteld. Dat leidt bij het navelstaren tot een verschuiving die uiteraard zijn weerslag vindt in de essays over de gedichten, pardon, bundels. Was het vroeger, sprak oubaas nostalgisch, voldoende om in een essay over poëzie het woord ik tussen aanhalingstekens te zetten of het lidwoord ‘de’ er voor, om aan te geven dat de essayist van dienst het verschil tussen de ‘ik’ in het gedicht en de dichter inzag, nu vertrekken blijkbaar dermate veel gedichten vanuit de opvatting dat het idee van een coherent ‘ik’ een illusie is, dat het ook in de essays noodzakelijk geworden is er op te wijzen dat het ‘ik’ in het gedicht ‘een mentale constructie’ is. Het verschil tussen de gewraakte ‘ik-lyriek’ en de huidige ‘lyrisch subject-lyriek’ zit hem in het postmoderne inzicht dat een eenduidig ‘ik’ niet (meer) bestaat. Des dichters navelstaarderij bestaat nu uit het staren naar de positie die dat geproblematiseerde ‘ik’ inneemt ten opzichte van de wereld.

In de bespreking van Tonnus Oosterhoffs Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen wordt diens uitspraak ‘Om de wereld een beetje te begrijpen en te beheersen zijn we genoodzaakt gigantische reducties te plegen’ geciteerd. Het zou als motto voor deze bundel essays niet misstaan hebben. De inleiders zijn zich ervan bewust dat selectie reductie inhoudt. Des te vreemder is het dat zij schrijven dat er uiteraard overlappingen zijn: Annemarie Estor, Alfred Schaffer en Maud Vanhauwaert werden ook al besproken in Dichters van het nieuwe millennium. Ik had wel alternatieven geweten: Pierre Boskma, Koenraad Goudeseune, Jacques Hamelink, Stefan Hertmans, Frank Koenegracht, K. Michel, Wesseling.

Die reductie ten spijt brengt een groot deel van de opgenomen essays de structuur, de inhoud en de strekking van de betreffende bundel adequaat in kaart. Het is vanzelfsprekend dat het niet altijd lukt de bundel ‘dichterbij’ te brengen. Het essay over de ‘gestileerde en gecomprimeerde’ gedichten uit Logos van Rozalie Hirs verschuift me teveel naar een bespreking van de hyperstructuur van de bundel zonder dat de gedíchten me nader komen. Het essay over Peter Holvoet-Hanssens De reis naar Inframundo komt te veel neer op het talloos in allerlei synoniemen herhalen van het feit dat deze bundel een ‘herschikking’ is van vroeger werk, hetgeen men eenvoudigweg kan vaststellen door de inhoudsopgave van de bloemlezing op te slaan. Maar de poëtische inhoud, de poëtische betekenis van deze ‘herordening’ blijft ongewis. Daar staan voorbeeldige stukken tegenover die de besproken bundel van een rijke context en een sterke interpretatie voorzien, zoals het van eruditie, ontdek- en schrijfplezier bol staande essay over Anti-canto’s en De Astatica van H.H. ter Balkt door Johan Sonneschein.

J. Dera en C. De Strycker, Bundels van het nieuwe millennium

Eerder verschenen in: Poëziekrant nr. 4, jul-aug 2019



Geen opmerkingen: