maandag 8 februari 2021

Want telkens is er meer van wat we zienderogen zien verdwijnen Over Stefan Hertmans, Een beeld van jou, gedichten over de liefde

Van Stefan Hertmans verscheen een bloemlezing, Een beeld van jou, gedichten over de liefde, gekozen uit Muziek voor de overtocht, gedichten 1975 – 2005 en De val van vrije dagen (2010), aangevuld met enkele nieuwe gedichten. De titel en de ondertitel zijn enerzijds ‘waar’, anderzijds ‘niet waar’.

Schrijvend over de poëzie van Hertmans verwees ik eerder naar diens essay ‘Van fontanel tot graf’(in: Speeldoosjes) over ‘Rilkes gevecht met wat onvatbaar is’, waarin hij het op zeker moment minstens evenveel over zijn eigen poëzie lijkt te hebben als over die van Rilke: ‘eender welk concetto je onderzoekt, het hele kunstwerk begint te bloeden van betekenis, maar tegelijk vertonen ze een raadselachtigheid, een subliem tekort, dat soms het effect nog versterkt door de tragische onmacht die ons steeds overvalt als we de esthetische ervaring willen beschrijven: de beperking van het menselijk bevattingsvermogen doorkruist de ervaring zelf.’

De term concetto die Hertmans hier gebruikt, verwijst naar vernuftige woordspelingen, ongewone vergelijkingen en bijzondere metaforen die met elkaar een zekere verhulling ten gevolge kunnen hebben, maar die tevens zo rijk zijn dat ze een gedicht kunnen laten ‘bloeden van betekenis’. Het gevaar van gezwollenheid en mateloosheid is niet denkbeeldig, maar een dichter die het instrument goed hanteert, bereikt tegelijkertijd door die verhulling van de precieze betekenis het effect van een subliem tekort. De onmacht die Hertmans aan het eind van het citaat beschrijft, beschrijft niet alleen de ervaring van de ‘ik’ in het gedicht zelf, maar ook die van de lezer van de gedichten van Rilke en Hertmans .

Het motto voorin Een beeld van jou wijst in dezelfde richting. Het is ontleend aan W.H. Audens ‘In Praise of Limestone’. Ik lever het hier in de vertaling van Wiel Kusters (uit: Nee, Plato, nee):
(...) Ik weet van beide niets, mijn lief,

maar als ik me een onberispelijke liefde probeer voor te stellen

of het toekomende leven, is wat ik hoor het gemurmel

van ondergrondse riviertjes en wat ik zie een landschap van kalksteen.

Het lange gedicht van Auden barst bijkans uit zijn voegen van de tegenstellingen en eindigt met de geciteerde regels. De lezer kan interpreterend zijn goddelijke gang gaan. Zijn ‘het gemurmel van ondergrondse riviertjes’ en ‘een landschap van kalksteen’ vergelijkbaar met respectievelijk ‘een onberispelijke liefde’ en ‘het toekomend leven’ en zijn daardoor de ondergrondse riviertjes onzichtbaar werkzaam in het kalksteen? Of moeten we de vergelijkingen ‘los van elkaar’ lezen en misschien zelfs een chiasme? Is het door Kusters  in de laatste regel binnengesmokkelde ‘en’, waar Auden voor een komma opteerde, terecht? Eerst ‘of’, en dan ‘en’? Of is wat ‘ik’ zie en hoor van verschillende aard? Hoe dan ook, op de vraag wat ‘een onberispelijke liefde’ in zou kunnen houden, ontstaat een gemurmel van ondergrondse riviertjes, dat een beeld zou kunnen zijn voor de poëzie, maar dat evenzeer eerder van de ware aard van die onberispelijke liefde af leidt dan er naar toe. Het komt allemaal dicht in de buurt van Gorters ‘Ik zoek te zeggen...’.

Ook het omslag is wat dit betreft adequaat. Het is ontleend aan een afbeelding van Ruth Marten.

Terwijl de ondertitel ‘een beeld van jou’ suggereert, biedt Marten drie afbeeldingen. Op de tweede van boven wordt ‘haar schaamte’, ‘je gleufje’, ‘de poort waardoor een man / zich in zichzelf moet storten’ van een vrouw wier houding een extatische verkramping vertoont, verborgen onder een parel. Op de derde verbergt de van ons afgekeerde vrouw haar gezicht en toont ‘haar rug zich spannend als een boog’. De bovenste afbeelding roept reminiscenties op aan de geslotenheid van een oester en het afrodisiacum dat het schelpdier heet te zijn. Om met Gerrit Kouwenaar te spreken: ‘Wie is de echte?’

Voordat ik op bladzijde 12 ‘Verwensing van wat kwetsbaar is’ te lezen krijg, heb ik al dit meerduidigs gezien en heb streepjes en uitroeptekens in de kantlijn gezet bij formuleringen als ‘Wonderen vluchten met elk woord’ (blz.8) en in “Verwensing van de cirkel’ (blz. 10):

(...)

heb ik niets anders dan

dit huilen, vloeken en wanhopig

graaien naar het plekje waar

 

de ziel, bijeengehouden door

jouw zoete niets, mij in die

cirkel rond blijft draaien,

 

mij toegrijnst en dan zegt:

Ik ben er niet.

Het aanwijzend voornaamwoord ‘dit’ roept op dat het ‘huilen, vloeken en wanhopig graaien’ de gedichten betreft: het graaien is de poëzie zelf waarin de zoektocht naar das ewig Weibliche uiteindelijk gesmoord wordt in een paradox: het is er niet, maar het zegt: Ik ben er niet. De oplossing van de paradox: het is er wel, maar het is ongrijpbaar. Ziedaar Hertmans’ voortdurende en vergeefse poging(en) het onveranderlijke van het woord liefde te verenigen met het vluchtige en onvatbare van het begrip liefde. Het gedicht omcirkelt een niet te vatten kern en daarmee doorkruist het gebrekkige menselijke bevattingsvermogen de ervaring zelf, het geeft er hooguit een omschrijving van.

Verwensing van wat kwetsbaar is

Je plukt de wonde niet

die in de nacht op nesthaar lijkt

want stiller nog dan stemmen op de gang

nadert een hand de ramen

en tikt wondvocht in het glas.


De tuin omsloten, de zuilen zijn

van smeltend was; een nachtdier kraakt

het bot van vogels open, en slurpt

het merg dat jarenlang bevroren was.


Je komt niet dichter bij chrysanten

noch bij slangen. Je overtuigt niet eens

het trillend tafelblad, de oleander.

 

Je blijft afwezig en dat weet je.

Want iets werd pijnlijker en rijker

dat in herinnering verzandde.

De interpretatieve moeilijkheden beginnen meteen bij het eerste woord. Wie is die ‘je’? 

In het gedicht ‘Verwensing van de klok’, dat er in Een beeld van jou onmiddellijk aan voorafgaat, spelen ‘ik’ en ‘je’ een ingewikkelde beurtzang die uiteindelijk opgaat in een ‘je’ die als een gepersonifieerde klok met elke slag het breken van verlangen meet.

In de poëzie van Hertmans neemt het gebruik van het persoonlijk voornaamwoord tweede persoon enkelvoud toe en daarmee wordt de interpretatie daarvan niet eenvoudiger. Die aangesproken persoon is soms een vrouw, een geliefde; de ‘ik’ zelf; is soms een onbepaald voornaamwoord, vergelijkbaar met Kouwenaars gebruik van ‘men’. Sinds Kaneelvingers (2005) kan het ook verwijzen naar een kind, of de vader.

De beschrijving in de eerste twee regels doet denken aan de plek die door Ruth Marten op het omslag bedekt werd onder een parel. De eerste twee strofen suggereren een door een bedreigende buitenwereld omringde binnenwereld, die doet denken aan een variant op de hortus conclusus, waarin een onuitgesproken ‘ik’ en een ‘je’ de nacht doorbrengen. Maar die ‘ik’ is dermate onuitgesproken dat het mogelijk is dat deze in het gedicht niet aanwezig is, er letterlijk buitenstaat.

Ook de status van ‘je’ in de afsluitende terzinen is voor discussie vatbaar. Is de ‘je’ dezelfde als die waar het gedicht mee begint?

En die beeldentaal: ‘chrysanten’, ‘slangen’, ‘een trillend tafelblad’, ‘de (?) oleander’ – ze doen denken aan even glasheldere als raadselachtige concetti zoals Auden die aan het einde van ‘De lof van kalksteen’ gebruikte en aan de tuin met een overdaad aan melisse en steranijs uit Rillkes ‘Schlaflied’.

Betekent in de formulering ‘je blijft afwezig’ dat laatste woord ‘niet ter plaatse’, of ‘verstrooid’?

De kracht van poëzie is, zeker in de gedichten van Hertmans, dat het geen kwestie van of – of is, maar van en – en. Natuurlijk blijft zowel de onuitgesproken ‘ik’ als de ‘je’ afwezig in beide betekenissen van dat woord.

Toch lijkt het er – niet in de laatste plaats door het opdringerige woord ‘dichter’ – op, dat ‘je’ hier in de vorm van een toegesproken persoon gelijk te stellen is aan een ‘ik’. Het is de dichter die niet dichterbij komt, niet bij de dan onuitgesproken ‘je’, niet bij de chrysanten, niet bij de slangen, niet bij het tafelblad, niet bij de oleander. In dit gedicht – en in alle andere – is ook zijn kern uiteindelijk afwezig, zo klinkt de onbarmhartige conclusie. Maar dan volgen nog twee regels, die duidelijk maken dat die zoektocht naar het ongrijpbare wel iets oplevert, want inmiddels is het gedicht  ‘gaan bloeden van betekenis’, wordt pijnlijker en rijker, omdat het vastloopt in herinnering en in het gedicht.

De gedichten in deze bundel geven niet ‘een’ beeld, daarvoor is de werkelijkheid veel te onvatbaar en het ‘jou’ in de titel suggereert –  in weerwil van de keuze voor ‘jou’ in plaats van ‘je’ – een concretie die niet haalbaar is. Deze poëzie gaat wellicht ‘over de liefde’, maar in veel grotere mate over wat er aan die liefde niet te vatten is: ‘het is het meest vluchtige / waar ik ondanks alles / toch niet bij kan komen’ (blz. 56) en dat vluchtige, het onvatbare van het leven, van de liefde, van de ander vindt in de poëzie van Hertmans zijn parallel in het onvatbare van het gedicht.

Stefan Hertmans, Een beeld van jou, gedichten over de liefde. De Bezige Bij. Antwerpen, Amsterdam, 2016.

W.H. Auden, Nee, Plato, nee. Meulenhoff. Amsterdam, 2009.

Ron Elshout, Een subliem tekort, over de poëzie van Stefan Hertmans (Bzzlletin 274, 2000) en Juwelen van pijn. Notities over de vroege poëzie van Hertmans (Bzzlletin 164, 1989) zijn te vinden op: http://ronelshout.blogspot.nl/

Eerder gepubliceerd in: Poëziekrant 3, mei 2016


 

 

  


Geen opmerkingen: