Posts tonen met het label Pavese. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pavese. Alle posts tonen

woensdag 6 februari 2008

De man alleen, over de poëzie van Cesare Pavese

Cesare Pavese is zonder mankeren de beroerdste pleitbezorger van zijn eigen poëzie. Hein Aalders en Jan Kostwinder maken in hun essay ‘Komen zal de dood’ aannemelijk dat Pavese zichzelf wellicht op de eerste plaats als dichter beschouwde, dat de poëzie voor hem het hart van zijn literaire werk vormde. Maar Paveses antwoord op de vraag of een handvol gedichten genoeg is als de rechtvaardiging van zijn bestaan lijkt op een hartgrondig ‘Nee!’ uit te draaien wanneer hij twee jaar na het verschijnen van zijn debuut Lavorare stanca (Werken is vermoeiend) de balans opmaakt. Hij schrijft op 16 mei 1938 in zijn dagboek, Leven als ambacht:
Je hebt Lavorare stanca doorgebladerd en dat heeft je teneergeslagen: groots opgezette compositie, afwezigheid van intense passages die ‘de poëzie’ zouden rechtvaardigen. Die befaamde beelden die de eigen fantastische verhaalstructuur zouden vormen heb je niet gezien: is het de moeite waard geweest om daar van je 24ste tot je 30ste aan te werken? Als ik jou was zou ik me schamen.

Leven als ambacht begint met een tijdens zijn verbanning in Brancaleone geschreven ‘Secretum professionale’ (beroepsgeheim), dat op te vatten is als ‘een verantwoording van en een reflectie op het tot dan toe bereikte resultaat’ (Aalders en Kostwinder). Daarin is Pavese onbarmhartig, niet alleen ten opzichte van het resultaat, de gedichten, maar ook met betrekking tot de manier waarop ze tot stand kwamen. Hij stelt ze met steeds grotere onverschilligheid en tegenzin samen, schrijft hij op 6 oktober 1935. Het gemak waarmee hij het metrum beheerst ontneemt hem het plezier in het delven in ongevormd materiaal, de inspanning lijkt hem steeds nuttelozer en onwaardiger. Het is kenmerkend voor Pavese dat hij, net als in zijn proza op zijn kindertijd, terugkijkt op ‘betere tijden’:

In ieder geval is er een tijd geweest dat mij een grote hoeveelheid even opwindende als eenvoudige stof helder voor de geest stond: de substantie van mijn ervaring, die ik al dichtend moest reduceren tot organische helderheid en precisie. Al mijn pogingen waren, haast onmerkbaar maar toch onvermijdelijk, verbonden met deze basis, en nooit had ik de indruk van dit pad af te wijken, hoe uitzonderlijk de kern van ieder nieuw gedicht ook mocht zijn. Ik had het gevoel, iets te scheppen dat altijd de actualiteit, het ogenblik overtrof.

Daarna noteert hij terug te vallen in het werken aan details en spitsvondigheden en zoekt hij tevergeefs naar een nieuw vertrekpunt. Gezien een notitie van een paar dagen later is dat een tot wanhoop stemmende situatie: ‘Want één enkel ding (uit vele) lijkt me onverdraaglijk voor een kunstenaar: het gevoel dat hij niet meer aan het begin staat.’ Natuurlijk hebben de hier geciteerde opmerkingen van Pavese betrekking op ongepubliceerde jeugdgedichten die hij vóór Lavorare stanca schreef, maar de reikwijdte strekt zich uit tot de gedichten die in de bundel staan. Hij had weliswaar het gevoel dat hij na het schrijven van het eerste gedicht uit de bundel, ‘I mari del Sud’ (De zeeën van het zuiden) waarin hij zichzelf voor het eerst had uitgedrukt een precieze en absolute vorm, begonnen is aan de opbouw van een geestelijk personage dat hij nooit meer bewust door een ander zal kunnen vervangen, tenzij hij hem verloochent, maar juist die laatste toevoeging zet hem klem tussen de toon die hij gevonden lijkt te hebben en de behoefte telkens het gevoel te hebben aan het begin te staan.
Voorts heeft Pavese vanuit zijn belezenheid de neiging zijn poëzie af te meten aan grootheden als Homerus, Baudelaire, Dante en Shakespeare. Over de laatste schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Hij heeft stukken lyriek onder handen die hij hecht structureert. Hij vertelt dus, en hij zingt, zonder dat het één van het ander valt los te maken, en daarin evenaart niemand hem.’ Het is ontegenzeggelijk waar: Paveses poëzie zíngt niet. Het is echter nonsens om zijn poëzie daaraan af te meten. De monotonie die zijn gedichten kenmerkt, is nota bene conform zijn eigen credo: vertellen is monotoon.
Tenslotte lijkt het er sterk op dat Pavese de poëzie die hij publiceerde in Lavorare stanca en het geestelijk personage dat die gedichten schreef alsnog verloochend heeft. In een essay dat Lavorare stanca begeleidde, ‘Il mestiere di poeta’ (Het ambacht van de dichter, 1934) stelt hij dat hij ‘het beeld niet meer als retorische decoratie, maar als het verhaal zelf’ beschouwt. In een tweede essay, over zijn inmiddels veranderde poëzieopvattingen, ‘A proposito di certe poesie non ancora scritte’ (Over zekere nog niet geschreven gedichten, 1940) noemt hij het idee dat het beeld het eigenlijke onderwerp van het verhaal is op zijn minst voorbarig. Ook op de eis dat een gedicht niet gereduceerd mag worden tot ‘een verhaaltje’ komt hij terug. De anders geaarde poëzie uit de postuum gepubliceerde bundel Verrà la morte e avrà i tuoi occhi (De dood zal komen en jouw ogen hebben) bevestigt deze veranderde opvattingen en lijkt daardoor dus ook een afwijzing van zijn vroegere poëzie in te houden. Aalders en Kostwinder wijzen er op dat een van Paveses biografen, Dominique Fernandez, zelfs spreekt van een poëtisch echec. Naar aanleiding van Verrà la morte e avrà i tuoi occhi concludeert hij: ‘Voor ons is de grote dichter elders.’ Fernandez heeft zich dus in ieder geval Paveses genadeloosheid aangemeten.
Er zijn betere pleitbezorgers voor de poëzie van Pavese. Naast Aalders en Kostwinder zijn er de vertalers Frans Denissen en Leonard Nolens die in 1984 een geannoteerde en van een nawoord voorziene vertaling van een keuze uit Lavorare stanca verzorgden. Max Nord vertaalde La terra e la morte (De aarde en de dood, 1947) en in 2001 verscheen De dood zal komen en jouw ogen hebben, een tweetalige editie van de twee bundels van Pavese door Willem van Toorn en Pietha de Voogd.
Alle ondernemen, mede op basis van poëticale uitspraken van de dichter zelf, verdienstelijke pogingen de poëzie van Pavese in het kort te plaatsen. In het onderstaande ontleen ik er het nodige aan.
In de Italiaanse literatuur breekt Pavese met de op dat moment gebruikelijke hermetische poëzie. Hij vindt dat die te weinig relatie onderhoudt met het leven en dat zij voornamelijk naar zichzelf verwijst. Als voorbeeld wordt wel Gabriele D’Annunzio (1863 – 1938) genoemd, wiens poëzie door Frans van Dooren getypeerd wordt als esthetiserende en naar decadentie neigende literatuur. D’Annunzio’s deconfiture, die hij aan het eind van zijn leven nog moest meemaken, bestond uit verwijten omtrent zijn fascistische sympathieën, zijn egocentrische en decadente moraal, zijn pathetiek en zijn bombastische retoriek. Inderdaad zowat in alles het tegendeel van Pavese.
Paveses belangstelling voor de Amerikaanse literatuur maakte dat hij is beïnvloed door Walt Whitmans Leaves of Grass, hetgeen geleid heeft tot een poesia-racconto: gedichten die een verhaal vertellen in een objectieve stijl en in een directe spreektaalachtige toon en ritmiek die Pavese ‘al mompelend’ gevonden heeft. Paveses gedichten zijn wel vergeleken met short stories. Alle vertalers wijzen in hun toelichtingen op het belang van het handhaven van het ietwat monotone, prozaïsche ritme van Paveses ‘taalmuziek’.
De monotonie van Paveses gedichten komt ook tot uitdrukking in het terugkeren van en variëren op dezelfde beelden, die niet beschouwd moeten worden als een gewone vergelijking, maar als een rapporto fantastico – een relatie in de verbeelding, waardoor een nieuwe betekenis ontstaat. Dat geldt zowel voor motieven die in Paveses hele poëtische productie een rol spelen, zoals l’uomo solo (de man alleen) die verschillende keren terugkeert, als voor de betrekkingen binnen één gedicht. Aalders en Kostwinder leveren een kort commentaar op Semplicità (Eenvoud), hier in de vertaling van Van Toorn en De Voogd, die wat letterlijker is dan de vertaling die Aalders en Kostwinder presenteren:

Eenvoud

De man alleen – die in de gevangenis heeft gezeten – keert elke keer
dat hij in een stuk brood bijt terug naar de gevangenis.
In de gevangenis droomde hij van de hazen die vluchten
op de winterse aarde. In de nevel van de winter
leeft de man tussen muren langs straten, hij drinkt
koud water en bijt in een stuk brood.

Je gelooft dat daarna het leven weer wordt geboren,
dat de ademhaling bedaart, dat de winter terugkeert
met de geur van wijn in de warme herberg,
en het goede vuur, de stal en de maaltijden. Je gelooft,
zolang je binnen zit geloof je. Je komt op een avond buiten,
en ze hebben de hazen gevangen en ze eten ze binnen in de warmte op,
de anderen, vrolijk. Je moet door de ruiten naar ze kijken.

De man alleen durft naar binnen te gaan om een glas te drinken
als het echt vriest, en hij staart nadenkend naar zijn wijn:
de rokerige kleur, de zware smaak.
Hij bijt in zijn stuk brood dat in de gevangenis
smaakte naar haas, maar nu niet meer naar brood smaakt
of naar iets anders. En ook de wijn smaakt alleen naar nevel.

De man alleen denkt terug aan die akkers, tevreden
in de wetenschap dat ze al geploegd zijn. In de verlaten zaal
probeert hij zachtjes te zingen. Hij ziet langs de dijk
het bosje kaalgeplukte braamstruiken terug
dat in augustus groen was. Hij fluit de hond.
En de haas komt voor de dag en ze hebben het niet koud meer.

Aalders en Kostwinder wijzen op de ‘allusieve manier’ waarop het gedicht is uitgewerkt en interpreteren het als volgt:

De gedachte dat het leven van de man zich zal hernemen wanneer hij vrijkomt, blijkt in eerste instantie een illusie. Pas wanneer dat verlangen verdwijnt, in de laatste strofe, biedt het leven nieuwe kansen en nieuwe mogelijkheden. De zeer aardse en concrete metafoor van de haas speelt in dit geestelijke proces een sleutelfunctie, tezamen met het beeld van de winternevel en de geploegde velden. De op water en droog brood gezette gevangene verlangt naar (gebraden) haas, maar ook in vrijheid zijn het ‘altijd de anderen die vrolijk haas zitten te eten bij het vuur’. Pas wanneer de man zijn situatie accepteert, tevreden aan de velden denkt, en de wijn naar nevel smaakt, verschijnt de haas – wanneer hij zich op iets heel anders richt, zijn teef fluit.
Het ‘verschijnen’ van de haas is de synthese die volgt op de tegenstelling tussen binnen en buiten die het gedicht bepaalt. Immers, in de eerste strofe zit de man binnen, en droomt hij van buiten, terwijl hij in de tweede strofe buiten staat en door de ramen van de kroeg naar binnen kijkt. Vervolgens gaat hij de kroeg binnen en denkt aan buiten. De vraag dringt zich dan ook op: verschijnt de haas, in de laatste regel, nu op zijn geestesoog, als beeld dat van buitenaf komt, of wordt hij, binnen, gebraden opgediend. Daar het antwoord uit de slotregel niet op te maken valt, moeten we aannemen dat beide het geval kan zijn, waarmee de synthese tot stand gebracht is.

Hoe het gedicht ook geïnterpreteerd wordt, het is duidelijk dat de betekenis van de inderdaad zeer concrete beelden verschuift door de relatie die zij in verschillende strofen met elkaar aangaan. Of ik het met de hier gepresenteerde interpretatie eens ben is een andere kwestie. Aalders en Kostwinder geven het gedicht namelijk een optimistischer strekking dan strookt met mijn leeservaring – die zich overigens uitstrekt tot het hele poëtisch oeuvre van Pavese: ‘iets’, een desolate sfeer, blíjft mij verontrusten.
Het staat buiten kijf dat Aalders en Kostwinder gelijk hebben wanneer zij opmerken dat de verhouding tussen binnen en buiten voor een groot deel het gedicht bepaalt, maar of het gedicht zo nadrukkelijk ‘nieuwe kansen en nieuwe mogelijkheden’ belooft, waag ik te betwijfelen. Het leven herneemt zich weliswaar als ‘de man alleen’ is vrijgekomen – een ongelukkig gekozen woord hier –, maar de vraag dient zich aan: hoe?
Toen ‘de man alleen’ in de gevangenis zat, droomde hij van hazen – niet in eerste instantie gebraden, zoals Aalders en Kostwinder suggereren, maar van hazen die vluchten, hazen in vrijheid dus. Wanneer hij uit de gevangenis is, roept het woordgebruik van de eerste strofe – leeft tussen muren, water en brood – het beeld van de gevangenis op. In zekere zin leeft ‘de man alleen’ dus nog steeds in (het beeld van, de herinnering aan) de gevangenis. Zijn leven is teruggebracht tot de kale essentie, hij leeft op water en brood en in de tweede strofe blijkt inderdaad dat het leven buiten de gevangenis hem zijn geloof (in de – een betere? – toekomst) heeft afgenomen. In de gevangenis kon je nog hópen op betere tijden, buiten de gevangenis ben jij het, ‘de man alleen’, die het met water en brood moet doen, terwijl anderen zich te goed doen. (Overigens is er sprake van een chiasme: in de terugblik van de eerste strofe zat de man gevangen en waren de hazen vrij, in de tweede strofe is dat omgekeerd.)
Het brood dat in de gevangenis nog letterlijk veelbelovend smaakte, is in de derde strofe smakeloos en dat geldt ook voor de wijn – de hoop lijkt definitief vervlogen, de realiteit heeft de droombeelden voorgoed verslagen. Volgens Aalders en Kostwinder ligt het accent van het gedicht op de synthese die de metafoor van de haas tot stand brengt en op het accepteren door ‘de man alleen’ van zijn situatie. Er dringt zich echter een aanmerkelijk desolatere lezing op, wanneer men het subtiele spel met ‘binnen’ en ‘buiten’ doorziet dat Pavese in de laatste strofe op touw zet. De eerste twee zinnen (De man … zingen.) moeten zich ‘binnen’ afspelen. ‘De man alleen’ blijft daar alleen: hij zit in een verlaten zaal van het etablissement en hij probeert te zingen. Nergens staat dat het hem lukt of dat het een vreugdevol gezang betreft, integendeel: alleen de poging wordt genoemd en wat er aan tevredenheid genoemd wordt, verwijst naar dingen uit het verleden. De volgende zin (Hij ziet …) moet zich door de aard van de mededeling ‘buiten’ afspelen, ook daar geldt dat de struiken nú kaalgeplukt zijn en in het verleden groen wáren – er is voor hem niets meer te plukken. Het slot is inderdaad meerduidig, waardoor het einde open lijkt te blijven. De voor de dag komende haas zou een gevluchte haas kunnen zijn, ‘ze’ moet dan verwijzen naar ‘de man alleen’ en ‘de hond’. Het is echter zeer goed voorstelbaar dat ‘ze’ verwijst naar de vrolijke anderen die zich in de warmte aan een opgediende haas te goed doen en dat plaatst ‘de man alleen’ des te meer in een isolement. Het is inmiddels nog nauwelijks denkbaar dat ‘ze hebben het niet koud meer’ op iets anders slaat dan een uitsluitend lichamelijke gesteldheid. De gruwelijke strekking is dat de confrontatie met het leven in ‘vrijheid’ alle hoop doet vervliegen en dat een leven in gevangenschap dan nog te prefereren valt, omdat er dan tenminste nog de hoop op een beter leven is. Het leven slaat blijkbaar iedere illusie uit handen: de man uit de gevangenis is eens te meer ‘de man alleen’, die in de gevangenis tenminste nog de illusie had dat zijn isolement veroorzaakt werd door ‘de muren’.
In het nawoord bij hun vertaling besteden Willem van Toorn en Pietha de Voogd aandacht aan het gebruik van beelden door Pavese. Zij stellen vast dat de beelden in zijn gedichten boven de simpele realistische weergave verheven worden, doordat ze door de rapporto fantastico, die de dichter tussen zijn beelden tot stand brengt, een nieuwe betekenis krijgen. Zij geven het voorbeeld van een kluizenaar die ‘de kleur van verschroeide varens’ krijgt. Dit betekent dan niet dat ze op elkaar leken, maar dat er ‘een relatie in de verbeelding’ bestond tussen de kluizenaar en de varens, het landschap – en die relatie was het onderwerp van het verhaal. Van Toorn en De Voogd noteren:

Voor de lezer worden Paveses beelden van de harde, door de zon verschroeide heuvellandschappen […] en van de stad, Turijn, van dezelfde orde als die van zijn terugkerende menselijke figuren, de ‘man alleen’, de hoeren, de boerenjongen van het land die in de stad zijn onschuld verliest, de vrouwen die zich een leven lang kapotwerken op het land en hun schoonheid en levenskracht verliezen in een nooit eindigend kraambed. Landschap en mensen behoren tot dezelfde categorie […]

Toch is het niet de hier geïmpliceerde illusieloosheid die mij zo verontrust, er ís iets aan de hand met de verhouding tussen Pavese en die rapporto fantastico dat in eerste instantie haaks lijkt te staan op sommige opmerkingen die Pavese elders gemaakt heeft, maar bij nadere beschouwing blijkt dáár juist de crux te vinden.
Op 10 oktober 1935 vraagt Cesare Pavese zich in zijn dagboek af waarom hij zich niet kan bezighouden met de rode maanbeschenen rotsen, waar hem het besef overvallen is, dat de god die in deze plek was vleesgeworden, niet bestaat. Hij nadert hier in zijn commentaar dicht de opvatting van één van de heteroniemen van Fernando Pessoa, Alberto Caeiro, die elke vorm van metafysisch denken afwees: ‘De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan. […] De enige innerlijke zin der dingen / Is dat ze geen enkele innerlijke zin hebben.’ Met deze opvatting is (goed) te leven, maar als poëtisch uitgangspunt is ze uiterst onvruchtbaar. Paveses vermoeden dat er zich met de rode maanbeschenen rotsen ‘iets’ voordeed dat vervolgens op ‘niets’ gebaseerd was, leidt hem tot de conclusie dat de rode maanbeschenen rotsen niets eigens van hem weerspiegelen, behalve een povere, vage landschapsimpressie die nooit een gedicht zou mogen rechtvaardigen. Pavese schrijft dat hij deze rotsen wel in een beeld zou kunnen opzuigen en ze betekenis geven en hij koppelt dat aan ‘het duistere besef van de waarde van bepaalde betrekkingen’. Maar één dag later twijfelt hij al weer aan de waarde van de betrekkingen tussen de beelden onderling en tussen de beelden en hemzelf en vraagt hij zich al weer af of ‘dit geworstel met omschrijvingen, toespelingen en beelden enige waarde heeft als teken van ons wezen.’ Daarmee scheidt hij de sensatie bij de rode maanbeschenen rotsen van de rotsen van hemzelf, de poëzie van de sensatie en tenslotte de poëzie van hemzelf. Het gevoel met een gedicht ‘iets te scheppen dat de actualiteit, het ogenblik, overtrof’, heeft hem blijkbaar volledig verlaten.
Toegegeven, deze opmerkingen maakt hij terwijl hij nog op zoek is naar de dichterlijke vorm die hij beweert met het eerste gedicht uit Lavorare stanca gevonden te hebben, maar ze geven het begrip van ‘de man alleen’ wél een extra dimensie: ‘de man alleen’ is iemand die zich op existentieel niveau afgesneden voelt van het leven:

Ontmoeting

Deze harde heuvels die mijn lichaam hebben gemaakt
en het teisteren met zo veel herinneringen, hebben mij het wonder ontsloten
van haar, die niet weet dat zij in mij bestaat en ik kan haar niet begrijpen.

Ik heb haar ontmoet, op een avond: een lichtere vlek
onder de aarzelende sterren, in de zomernevel.
Rondom hing de geur van deze heuvels,
dieper dan het donker, en plotseling klonk er,
alsof zij vanuit de heuvels kwam, een stem, helderder
en schriller tegelijk, een stem uit verloren tijden.

Soms zie ik haar, en is ze levend voor me,
scherp omlijnd, onveranderlijk, als een herinnering.
Ik heb haar nooit kunnen vatten: haar werkelijkheid
ontglipt me telkens en voert me ver weg.
Of ze mooi is, weet ik niet. Onder de vrouwen is zij heel jong:
als ik aan haar denk, overvalt me een vervlogen herinnering
aan mijn kindertijd die ik in deze heuvels doorbracht,
zo jong is ze. Ze is als de morgen. In mijn ogen roept ze
alle verre luchten op van die vervlogen morgens.
En in haar ogen staat een vast voornemen: het helderste licht
dat het ochtendgloren ooit heeft gekend boven deze heuvels.

Ik heb haar geschapen uit het diepst van alle dingen
die mij het dierbaarst zijn, en kan haar niet begrijpen.

‘Ik heb haar nooit kunnen vatten: haar werkelijkheid / ontglipt me telkens […] en kan haar niet begrijpen’ Voor hoeveel dichters (Petrarca, Gorter, Kopland) is het verlangen naar het onmogelijke – in de wetenschap dat het onmogelijk ís – juist de motor (geweest) en niet alleen van de poëzie? Bij Pavese is alles ‘scherp omlijnd’ en daardoor ‘onveranderlijk’, buiten bereik ‘als een herinnering’, die hooguit ‘teistert’.
In Stilte in augustus staat een vier bladzijden tellend prozafragment onder de titel ‘Beroepskwaal’. De eerste twee alinea’s:

Soms wanneer ik deze streek nader geeft mij dat een hevige schok die mij als een vloedgolf overvalt en overstelpt. Een stem, een geur is voldoende om mij aan te grijpen en God weet waar neer te gooien. Ik word rots, vocht, mest, sap van vruchten, wind. Van mijn menselijk tekort is niets over dan het instinct om te stollen in woorden, maar die betekenen niets meer en ik verweer me als een boom of een roofdier dat al mens is geweest en nu niet meer in staat is om zich uit te drukken. Ik geef eraan toe, met tegenzin omdat ik weet dat mijn natuur anders is, en telkens vind ik op de bodem van deze drift ijdele verzadiging. Iedere poging om bij vol bewustzijn mijn gevoel te verhevigen leidt tot deze nederlaag. Kortom, het is zonde, zoals losbandigheid, zoals sadisme en dronkenschap.
Het menselijk tekort – het mijne – brengt deze norm mee: wat je wil en niet kan uitdrukken is zonde. Erger nog: het is onbeduidend. Daarvoor bestaat maar
één vergiffenis: de herinnering. Via de herinnering kan wat niet menselijk, dierlijk is geweest zich misschien vrijkopen en een geluid van heldere rede voortbrengen. Maar juist door de herinnering te worden houdt het op verhevigd gevoel te zijn.

Pavese kent het gevoel van éénwording met ‘het andere’ dus wel, vooral uit zijn kindertijd, maar inmiddels zijn we via de taal losgeraakt van de werkelijkheid (maken er daardoor geen vanzelfsprekend deel meer van uit) en hebben we ons tegenover de dingen opgesteld. De heldere rede, het scherp omlijnde, staat op gespannen voet met het idee van de mystieke eenwording. Juist op het moment dat het er voor de dichter op aankomt – het extatische moment kan zich misschien ‘vrijkopen’ door zich in woorden om te zetten – maakt hij van de ervaring geen deel meer uit: ‘Er bestaat geen woord dat het omvat / of verbindt met de dingen die voorbij zijn.’ (Uit: ‘Ochtend’) Wat je niet kunt uitdrukken is zonde, vindt Pavese, maar zodra hij het uitdrukt verdwijnt de substantie van de ervaring.
Dit gevoel van verlatenheid, van afgesneden zijn van dingen, mensen, landschappen, het leven, de ervaring, de herinnering gist in de poëzie van Pavese en maakt er mijns inziens de essentie van uit.
De gedichten lijken misschien op eerste gezicht ‘slechts’ ‘gesloten en sombere short stories over scherp getypeerde personages’, zoals Pier Vincenzo Mengaldo ze omschrijft, maar het ontheemde is niet onmiddellijk aan de oppervlakte zichtbaar, in het beeld van ‘de man alleen’ (of de andere personages – de zoon van de weduwe, meisjes, het magere joch, de hoeren, de oude baas, de dronkaard, de beschonken monteur, de oude vrouw – die daar in wezen afsplitsingen van zijn). Het wordt voelbaar gemaakt in het monotone ritme en de ‘objectieve stijl’, waardoor het is alsof ‘de dichter’ niet deelneemt aan wat hij schrijft. ‘De man alleen’ is in meer dan één opzicht onthecht, zijns ondanks waarschijnlijk.
Dit alles lijkt in eerste instantie mogelijk in tegenspraak met Paveses veelal pregnante beschrijvingen en de scherpte van zijn beelden, maar in zijn geval sluit het één het ander niet uit, integendeel, schrijft hij in een gedicht met de veelzeggende titel ‘Drang tot alleenzijn’:

Een grote teug en mijn lichaam proeft het leven
van bomen en rivieren, en voelt zich van alles afgesneden.

Dat gevoel ‘zich van alles en iedereen afgesneden’ te weten komt tot een climax in de postuum verschenen bundel Verrà la morte e avrà i tuoi occhi (De dood zal komen en jouw ogen hebben), die uit twee afdelingen bestaat. Tussen 27 oktober en 3 december 1945 schreef Pavese de negen gedichten die La terra e la morte (De aarde en de dood) vormen en toen Constance Dowling, Paveses laatste onbereikbare geliefde, in 1950 terugkeerde naar Amerika en hij sterk vermoedde dat zij niet zou terugkeren, schreef hij tussen 11 maart en 11 april de titelreeks. Aalders en Kostwinder typeren Lavorare stanca als lyrisch-epische gedichten met een harde ritmiek en Verrà la morte e avrà i tuoi occhi als puur lyrische, sensuele, muzikale poëzie, waaruit de anekdote verdwenen is en de beelden op zichzelf staan. Van Toorn en De Voogd noemen de dichter van de postuum verschenen bundel ‘een welhaast onherkenbaar andere’: er worden geen verhalen meer verteld, in sterk metrische verzen wordt een ‘jij’ toegesproken die in bijna mythische termen samenvalt met het landschap.
Ondanks alle terecht vastgestelde (vorm)verschillen, of misschien juist wel dóór die treffende verschillen, zou men kunnen zeggen dat Paveses laatste bundel een geconcentreerde en verhevigde weergave is van een geestesgesteldheid die niet wezenlijk anders is. ‘De man alleen’ wordt niet meer genoemd, maar hij is in alle hevigheid aanwezig in een wanhopige poging de ‘substantie van de ervaring’ op papier alsnog mogelijk te maken. Het wemelt van de ‘definities’ die de onbereikbare geliefde binnen bereik, al was het maar van de poëzie, moeten brengen: ‘Je bent …’, maar ook zij wordt een herinnering en opnieuw reduceert de poëzie de substantie van de ervaring tot genadeloze luciditeit:

Je bent de gesloten kelder,
met de aarden vloer,
waar ooit op zijn blote voeten
het kind is binnengegaan,
en het denkt er altijd aan terug.
Jij bent de donkere kamer
war men altijd aan terugdenkt,
zoals aan het oude erf
waar de dag zijn licht ontvouwde.

Op 20 november 1945 schrijft Pavese: ‘Je bent niet meer. Mijn armen / tasten tevergeefs.’
Op 22 maart 1950 schrijft hij het titelgedicht van de tweede reeks, met daarin het gruwelijke beeld waaraan deze serie, de postume bundel en de recente vertaling hun titel ontlenen:

De dood zal komen en jouw ogen hebben –
deze dood die altijd bij ons is
van de ochtend tot de avond, wakend,
doof, als een oud gevoel van spijt,
of een dwaze ondeugd. En jouw ogen
zullen een ijdel woord zijn,
een verzwegen schreeuw, een stilte.
Zo zie je ze elke ochtend
als je je naar jezelf toebuigt
in de spiegel. O dierbare hoop,
die dag zullen ook wij weten
dat je het leven bent en het niets.

Voor iedereen heeft de dood een blik.
De dood zal komen en jouw ogen hebben.
Het zal zijn als stoppen met een ondeugd,
als in de spiegel een dood gezicht
opnieuw te zien verschijnen,
als luisteren naar gesloten lippen.
Stom zullen we afdalen in de stroom.

Het schokkende van het beeld zit hem in de omkeerbaarheid. Natuurlijk lijkt het op eerste moment troost te bieden, dat ‘de dood’ de ogen van de geliefde heeft. Maar het betekent óók dat de dood al in de ogen van de geliefde zichtbaar is. Natuurlijk ‘is’ de onbereikbare geliefde vooral Constance Dowling, het eerste gedicht van de reeks is getiteld ‘To C. from C’. Het lijkt er echter ook op, dat alles wat inmiddels als onbereikbaar gepeild was in haar geconcentreerd is en omslaat in ‘de dood’. De ‘substantie van de ervaring’ wordt definitief gereduceerd tot het tegendeel en het leven tot ‘een ondeugd’. In de roman Vriendinnen spreekt Pavese ook ‘over de spiegel en over de ogen van iemand die zelfmoord wil plegen.’ Hij kende die blik al lang, zal zich opnieuw van alles afgesneden gevoeld hebben en deed er het zwijgen (‘gesloten lippen’, ‘stom’) toe, omdat hij al lang wist dat er voor hem geen woord bestonden die het omvatten of zelfs maar zouden kunnen verbinden met de dingen die voorbij zijn. Op 18 augustus noteert hij als laatste woorden van zijn dagboek: ‘Dit is allemaal weerzinwekkend. Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer.’

Literatuur

Cesare Pavese, De dood zal komen en jouw ogen hebben. Gedichten. Vertaling en nawoord: Willem van Toorn en Pietha de Voogd. De Bezige Bij, Amsterdam, 2001.
Cesare Pavese, Leven als ambacht. Dagboek 1935 – 1950. Vertaling Anton Haakman. De Bezige Bij, Amsterdam, 1987.
Cesare Pavese, Stilte in augustus. Vertaling Anton Haakman. De Bezige Bij, Amsterdam,1988.
Hein Aalders en Jan Kostwinder, Een man alleen. De zelfmoord van Cesare Pavese. Uitgeverij Aalders & Co. Amsterdam,1996.
Gabriele D’Annunzio, Madrigalen van de zomer. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Frans van Dooren. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1996.
Fernando Pessoa, Gedichten. Vertaling August Willemsen. De Arbeiderspers, 2008


Eerder verschenen in: Bzzlletin 286, juni 2003





Pavesiaans dagboek

Notities bij het lezen van Cesare Paveses romans



Naar aanleiding van het (her)verschijnen van zijn verzamelde romans heb je het plan opgevat ‘Pavese’ in zijn geheel te (her)lezen. Enkele romans heb je eerder gelezen, alsmede zijn dagboek, Leven als ambacht, en een selectie uit zijn brieven, Een vis in het ijs. In de herinnering resteren flarden van een atmosfeer: eenzaamheid, moedeloosheid.
Waarom zou je (dan) Pavese (her)lezen?
Als oefening in eenzaamheid.
Dat antwoord verschuift de vraag: waarom zou je ‘oefenen’ in eenzaamheid? Omdat je iets herkent in Paveses mania di solitudine: ‘je bent alleen … je bent geboren om alleen te zijn, maar je hebt niet genoeg aan jezelf en dat weet je.’ En: ‘ofschoon ik overtuigd ben van de ontoereikendheid van alle menselijke betrekkingen, heb ik een vreselijke dorst naar vriendschap en samenzijn, als een oude vrijster.’
Pavese maakt je ervan bewust dat het antwoord op de vraag naar welke kant de balans (alleen zijn, vriendschap en samenzijn) van een leven doorslaat, volslagen afhankelijk is van stompzinnige noodlottigheden. Wat, als hij Milly (1927), het gedroomde Turijnse meisje (1932), E (1932), Tina (1935), Fernanda (1940), Bianca (1946) of Constance (1950) tot een duurzame verbintenis had kunnen verleiden? Zijn dorst moet inderdaad vreselijk geweest zijn.
‘en dat weet je’ – Paveses luciditeit is uiterst pijnlijk.

-

Literatuur kan de weergave, de verbeelding zijn van gevoelens die zo complex zijn dat er geen ‘gewone’ woorden voor zijn. De ‘gewone’ woorden die we gebruiken om de emoties aan te duiden, slaan die dood. Paveses eenzaamheid is te ingewikkeld en te paradoxaal om af te doen met het woord ‘eenzaam’.

-

Paveses leven ís een roman. Al op achttienjarige leeftijd spreekt hij er in brieven over dat hij over (niet: aan) zelfmoord denkt. Hij noemt zichzelf nihilist, fatalist; het leven ‘het zieke en onsympathieke bestaan’. Zijn verbanning naar Brancaleone in Calabrië (1935) zou van zijn isolement een concrete literaire uitwerking zijn,- als het een roman was, maar het is zijn leven.
De traditionele ‘fout’ die door biografen nogal eens gemaakt wordt – het leven te beschouwen vanuit één centraal moment dat tijdens het leven van de beschrevene in de toekomst gelegen heeft en waarvan beslist niet duidelijk is of daar tijdens het leven al dan niet bewust ‘naar toegewerkt’ werd, is in het geval van Pavese dus geen ‘fout’.

-

Ik herken Paveses existentiële eenzaamheid, ik onderschrijf zijn opvatting over de ontoereikendheid van menselijke betrekkingen,- waar komt mijn levenslust vandaan?

-

Het is op zijn minst typerend voor ‘het handschrift’ van Pavese dat hij Jouw land begint met twee mannen die de gevangenis verlaten en niet minder opvallend dat het daaropvolgende verblijf op het platteland van Monticello voor zijn ikfiguur het isolement niet minder maakt: ‘Anders kon je net zo goed in de gevangenis zitten: de lamp gaat aan en je kruipt op je brits.’
Dat Pavese als kind zomervakanties op het platteland van Piëmonte doorbracht, waar hij later op terugkeek als ‘het verloren paradijs’ (zoals te vinden is in zijn poëzie), laat onverlet dat zijn ervaringen tijdens zijn gedwongen verblijf op het platteland van Brancoleone hem de gelegenheid geboden heeft de plattelandsbevolking met Kafkaëske vervreemding te beschrijven. Het bijna dierlijke dat hij hun toeschrijft in Jouw land spreekt boekdelen.
Zelfs tussen hen bevindt zich een afsplitsing van Paveses ‘gedroomde vrouw’ tot wie hij zijn ikfiguur toenadering laat zoeken. Zij sterft door de hand van haar beestachtige broer. De plot – voor zover daarvan sprake is, de dreiging van onheil is constant aanwezig, maar ‘ongericht’ – wordt door Pavese met kille afstandelijkheid beschreven:

Misschien had Gisella kunnen uitwijken; misschien hadden we hem met zijn drieën nog kunnen tegenhouden; dat denk je later. Talino’s ogen werden die van een beest, hij sprong achteruit en plantte haar de vork in de keel. Ik hoorde een lange zucht; en Miliota die van de hof riep ‘Wacht’; en daarop liet Gisella de emmer los die leegliep over mijn schoen. Ik dacht dat het bloed was en sprong opzij, en we hoorden hoe Gisella kreunde: ‘Madonna!’ en ze hoestte en de vork viel op de grond.

Of het aan de vertaling van Frida Vogels ligt, kan ik niet beoordelen, maar Paveses stijl wordt in Jouw land gekenmerkt door het voegwoord ‘en’. Het lijkt de noodlottige en toevallige opeenvolging van de dingen die nu eenmaal gebeuren moeten, te onderstrepen.

-

Paveses paradox: op een kille, afstandelijke manier de broeierigheid beschrijven.

-

Hij is altijd een buitenstaander: jouw land, niet het mijne, nooit.

-

De eerste alinea van De kameraad:

Ze noemden me Pablo omdat ik gitaar speelde. De nacht dat Amelio zijn rug brak op de weg naar Avigliana was ik met drie, vier anderen de heuvels ingegaan om wat te eten en te drinken – niet ver, je kon de brug zien – , en we hadden gedronken en grappen gemaakt onder de septembermaan totdat we binnen gingen zingen omdat het fris begon te worden. Toen begonnen de meisjes te dansen. Ik speelde – Pablo hier, Pablo daar – maar had er geen plezier in, want ik heb altijd graag gespeeld voor iemand die er iets mee heeft, en die mensen wilden alleen maar om het hardst schreeuwen. Ik tokkelde nog op mijn gitaar toen we op weg naar huis waren, en sommigen zongen. Mijn handen werden nat van de mist. Ik was dat leventje zat.

Paveses springerige, in grote leegte wortelende stijl doet denken aan die van Arnon Grünberg en diens alter ego Marek van der Jagt: het is alsof er tussen de zinnen ‘gaten’ vallen. Hij laat daardoor soms zinshelften hard op elkaar botsen: ‘Ik had geen droevige ervaringen, ik wist dat ’s nachts de hele stad in vlammen op kon gaan en mensen konden sterven.’ (Het huis op de heuvel)

-

Pavese gebruikt de vergelijking in De kameraad twee maal, vlak achter elkaar (blz. 95, 128): ‘eenzaam als een hond’. Ik heb honden gekend die zich minder eenzaam gevoeld moeten hebben dan Cesare Pavese. Tussen deze twee bladzijden in (blz. 112) geeft Paveses ‘ik’ er juist blijk van die eenzaamheid te willen: ‘… had ik alleen willen zijn’ en elders (blz. 120) merkt hij op: ‘ … en je huis is overal en nergens’ en: ‘Terwijl ze praatte, merkte ik dat ik alleen was. Ik merkte het opeens en was bijna blij.’(blz. 161)

-

Paveses afstandelijke stijl – het opsommende karakter van zijn schrijven – roept een gevoel van vervreemding op. Zijn stijl wekt de indruk dat er tussen zijn personages en hun handelen en tussen zijn personages onderling onoverbrugbare afstanden bestaan. In dialogen spreken zij langs elkaar heen; Paveses werk wrijft ons de onkenbaarheid van ‘de ander’ hevig in. Hij klinkt ook vaak vreugdeloos, doordat bijvoorbeeld ‘dansen’ en ‘lachen’ uitsluitend geconstateerd worden. ‘Vreugde’ wordt niet geëvoceerd, het blijft bij kale mededelingen. Daarom is het des te opvallender dat hij een grimmige vergelijking gebruikt als het om het gevoel gaat vernederd te worden: ‘Het was prettig te voelen dat je op de grond lag, dat je als het ware werd vertrapt en niet toegaf.’ (blz. 165) Je ontkomt er niet aan dat je tijdens het lezen van de masochistische paradox in een flits Paveses levenseinde ‘ziet’: ooit was het dus niet meer ‘prettig’ ‘als het ware’ vertrapt te worden en niet toe te geven.

-

Wanneer het op seks aankomt vertoont de schrijver Pavese een opmerkelijke pudeur. Was hij in de praktijk net zo geremd? Ook hier overheersen de afstandelijke vaststellingen: ‘Ze deed alles, die blonde (blz. 163) en Pavese op zijn uitbundigst: ‘De hele nacht bleven we bij elkaar, in dat bed. Ze was er zo een die wel van een pleziertje houdt.’ Punt uit.
De beschrijving van een amfora (in: De gevangenis) is erotischer, bij de evocatie niet van een mens, maar van een ding, werken de zintuigen:

Stefano omklemde met zijn handen de slanke, enigszins vochtige zijden, tilde haar op en bracht haar naar zijn lippen. Met het water kwam een smaak van aarde mee, die zijn tanden stroef maakte, de smaak van de amfora zelf, meende hij, en hij genoot er meer van dan van het water. Het deed denken aan geitenmest, wild en tegelijk heel zoet, en het deed denken aan de kleur van geraniums.

-

Hoofdstuk VI van De kameraad:

Maar daarna bleef ik met mijn ogen dicht in bed aan heel andere dingen liggen denken; het was alsof ik verschrikkelijk bang was, als een kind, eenzamer dan een hond, en alsof ik iets slechts en wanhopigs had gedaan. Ik kon er niet van afkomen, ik durfde niet te voelen wie ik was, ik wilde dat ik niet wakker werd en ter plekke zou sterven. […] Ik had medelijden met mezelf, daar kwam het op neer. Ik was als een kind dat ze bloot op tafel leggen, en dan gaan mama en de zussen het huis uit. Ik verborg mijn hoofd en bleef liggen tobben.

Zelfportret als ‘ikfiguur’. Als hij vervolgt: ‘Ik dacht dat het vermoeidheid was’, dan is het in zijn geval zo goed als onmogelijk niet aan levensmoeheid te denken. Daar komt bij: als je dit gevoel niet kent, zou je het dan zo kil, bijna analytisch kunnen noteren?

-

Het werk van Pavese zit vol met paradoxen: zijn behoefte aan eenzaamheid botst met zijn verlangen naar vriendschap, die weer op gespannen voet staat met zijn opvattingen over de ontoereikendheid van menselijke betrekkingen. Zijn sociale betrokkenheid naast zijn drift tot zelfdestructie. Vooral de verhoudingen met vrouwen zijn voer voor psychologen, ook in de romans. De kameraad (blz. 186):

Wat zijn vrouwen toch voor wezens,’ bedacht ik, ‘ze heeft al door dat ik me niet veel van haar aantrek.’ Er kwam weer een verre woede over me, alsof ze iemand was die ze niet was, alsof het me niet beviel daar bij haar te liggen. Ze had zoveel gezegd over de laatste dagen – zoveel woorden, zoveel plotselinge bewegingen, zoveel blikken waaruit ze had opgemaakt dat ik haar nodig had. ‘Het is niet waar,’ dacht ik, ‘het is een vrouw. Ze wil niet zeggen dat zij degene is die op mij uit is.’ Ik had naar huis willen gaan, alleen willen zijn. Moest ik haar dag en nacht om me heen hebben?

Het fragment is exemplarisch, welhaast iedere ontmoeting wordt nog terwijl die plaatsvindt ondergraven door steeds dezelfde hang naar eenzaamheid. Milly, het gedroomde Turijnse meisje, E, Tina, Fernanda, Bianca en Constance, hoewel het niet ondenkbaar is dat Pavese van de laatste een zwaar op de maag liggende koek van eigen deeg gekregen heeft.

-

De gevangenis (1949) is Paveses Tristia in proza. Hij laat zijn personage Stefano minder nadrukkelijk klagen dan Ovidius, maar het gevoel van uitgestotenheid is er niet minder om: de zee is een muur – een vergelijking die alleen vanuit het perspectief van een banneling niet mank gaat. Het gevoel van isolement zet een domper op alle ervaringen: ‘vredigheid’ is een ‘pijnlijk soort vredigheid’, ‘blijdschap’ is ‘droeve blijdschap’, Stefano is ‘bijna blij’, ervaart iemand als ‘bijna vriendelijk’ en iets als ‘haast hartverwarmend’. De ‘onzichtbare wanden’ die Stefano om zich heen voelt en die hem ‘smartelijk’ scheiden van ‘zijn tijdelijke makkers’ zijn symptomen van een depressie - voor Stefano zolang zijn ballingschap duurt, voor Pavese een state of mind? Hij noemt hun beider (?) eenzaamheid: ‘lichamelijke eenzaamheid’.

-

Bij het lezen van veel Pavese verdwijnt de ervaring van de paradox, het wordt één beweging: het isolement opzoeken terwijl er de wil is het isolement te vergeten.

-

In De gevangenis staat een dialoog tussen Giannino en de hoofdpersoon Stefano, die kaal weergegeven hier op neer komt:
- Je bent alleen.
- Ik dacht eraan dat ik de mooiste momenten van de hele zomer hierbinnen heb meegemaakt, even alleen als in een gevangenis. Het naargeestigste lot wordt een genoegen: we hoeven er alleen maar zelf voor te hebben gekozen.
- De grappen van het geheugen. We leven onder de mensen, maar wanneer we alleen zijn, denken we aan onze eigen zaken. […] Vertel me niet dat je er zelf voor hebt gekozen om hier te komen. We hebben ons lot niet voor het kiezen.
- We hoeven het alleen maar te willen, nog voordat het ons overkomt. Er bestaat geen noodlot, er bestaan alleen grenzen. Het ergste lot dat je kan overkomen is de aanvaarding van die grenzen. Je moet ze juist afwijzen.

Deze passage blijft me, dagen nadat ik hem gelezen heb, door het hoofd spoken. Ik denk namelijk niet dat hier uitsluitend Giannino en Stefano met elkaar spreken, het is vooral de schrijver die met zichzelf in dialoog is, in rudimentaire, desalniettemin ingewikkelde denkstappen. Hij laat de volgende spreker steeds iets verschuiven in de redenering, waardoor deze zich uiteindelijk lijkt op te blazen.
Het naargeestigste dat je kan overkomen is veranderbaar in zelfs ‘een genoegen’, wanneer je je maar wijs maakt dat je er zelf voor gekozen hebt. Maar als dat laatste zo is, komt het woord ‘lot’ wel erg op losse schroeven te staan. Dat is dan ook de reactie van de eerste spreker: ‘We hebben ons lot niet voor het kiezen.’ Vreemd genoeg repliceert de tweede spreker niet met de opmerking: ‘Maar je kunt wel doen alsof.’ Hij maakt er een self-fulfilling prophecy van en dat past wel bij Pavese: de eenzaamheid willen en daardoor ook eenzaam zijn. Ook tussen de laatste twee zinnen zit een onverdraaglijke spanning. Ik ben het met de spreker eens: ‘de aanvaarding van grenzen’ is één van de ergste dingen die je kan overkomen, want het betekent dat je je erbij neerlegt. Het is één van de redenen waarom ik niet aan de inhoud van de poëzie van J.C. Bloem wil, althans nú niet. En, ja, je moet die grenzen dus afwijzen, maar als de aanvaarding van die grenzen je lot is, hetgeen Pavese dus blijkbaar overkomen is, wat valt er dan nog af te wijzen? Eigenlijk wil ik niet aan de vraag óf Pavese wel een keuze had. Maar in zijn eigen redenering: als hij voor zijn dood gekozen heeft, is het hem misschien gelukt dat naargeestige lot op te vatten als ‘een genoegen’? Wanneer hij in Vriendinnen Rosetta laat vertellen over haar zelfmoordpoging, beschrijft zij hoe gelukkig ze zich voelde: het leek een wonder. En ook de afschuw van het wakker worden. Er was voor Pavese op 27 augustus 1950 niets meer te kiezen, geen grens meer af te wijzen. Noodlot.

-

In De gevangenis is Stefano bang voor zelfverlies: ‘Hij voelde dat stukken van hemzelf in handen van anderen waren.’ Het is goed voorstelbaar en misschien zelfs te vrezen dat Paveses schrijverschap een verbeten poging was om het contact met de wereld te herstellen, maar iedere poging leidt tot zelfverlies: je geeft anderen stukken van jezelf in handen. Het is niet onwaarschijnlijk dat iedere schriftuur hem van zichzelf verwijderde en de kloof tussen zijn betrokkenheid en zijn zelfdestructieve driften dieper en wijder maakte.

-

Is dit de reden om Pavese te lezen: om me tegen hem af te kunnen zetten? Er begint grimmig verzet in me te kolken wanneer ik lees dat Stefano vol dankbaarheid glimlacht ‘vanwege de eenzaamheid die hem stilaan gevoelloos maakte’. Wie de bij een depressie behorende gevoelloosheid uit ondervinding kent, zal in deze situatie niet zo snel ‘dankbaar glimlachen’.

-

Eerst denk ik nog aan ironie, maar uit de toon van de context blijkt geen enkele spotlust. Toch is het de ironie ten top om tegen de achtergrond van Paveses Milly, het gedroomde Turijse meisje, E, Tina, Fernanda, Bianca en Constance broodnuchter opgetekend te zien: ‘om werkelijk alleen te zijn was maar een kleinigheid nodig: onthouding.’

-

Ook nu hoorde je soms stemmen opklinken en in de verte lachen, maar het grote duister drukte zwaar, bedekte alles, en de aarde was weer woest en eenzaam geworden, zoals ik hem als jongen had gekend. Achter de velden en de wegen, achter de huizen van de mensen en onder je voeten, broedde het oeroude, onverschillige hart van de aarde in het duister, en leefde in kloven, in wortels, in verborgen dingen, in kinderangsten. Ik begon me destijds te verliezen in jeugdherinneringen. Het leek of ik onder de wrok en de onzekerheden, onder de wens alleen te zijn, mezelf als kind ontdekte om een metgezel, collega of zoontje te hebben. Ik zag de streek waar ik gewoond had weer voor me. Wij waren alleen, de jongen en ikzelf. Ik herleefde de woeste ontdekkingen van toen. Ik leed wel, maar met de wrokkige houding van iemand die zijn medemens niet aanvaardt of liefheeft.’ (Het huis op de heuvel)

Wie op deze wijze, nota bene met naar de bijbel verwijzende formuleringen, afstand doet van elke vorm van metafysisch denken en de confrontatie met het ‘onverschillige hart van de aarde’ aangaat, staat voor een tabula rasa dat hij zelf zin moet geven, maar Pavese vindt wrok, die hij elders ‘voldaan’ noemt, onzekerheden, de wens alleen te zijn en kan ‘zijn medemens’ zelfs niet aanvaarden, laat staan liefhebben. Hij vindt uitsluitend zichzelf, opnieuw: tabula rasa. Misschien niet woest, maar wel tot zijn eigen schrik: ledig. Nog in hetzelfde boek rekent hij met zichzelf af, wanneer hij Cate tegen zijn ikfiguur laat zeggen: ‘Ik herinnerde me iets dat je een keer tegen me had gezegd, dat het leven alleen waarde heeft als je voor iets of iemand leeft …’

-

Het is somtijds opmerkelijk hoeveel aandacht Pavese schenkt aan de dingen die gebeuren in de marge van zijn vertelling, kleine gebeurtenissen die slechts zijdelings, vanuit een ooghoek opgemerkt worden. Zo is Corrado in Het huis op de heuvel in gesprek met ‘de oude vrouw’. Pavese onderbreekt de weergave van het gesprek met:

Ik groette Fonso vanuit de verte. Hij had iets naar me geroepen met een handgebaar. Ze riepen door elkaar, pakten elkaars appels af en renden rond. Cate kwam naar ons teruggelopen. Uit het huis werd geroepen. Er ging een donkere deur open en iemand zei: ‘Fonso, het is tijd.’ Allemaal, de meisjes, de jongens en het kind, renden ze op ons af, stoven voorbij en verdwenen.

Het dient slechts ten dele de coleur locale en Pavese laadt soms de verdenking van redundantie op zich, maar hij is daarin vooral een realist: zo is de chaos die het leven nu eenmaal is.

-

Ik kwam beneden bij de bron, in het valleitje van dik en moerassig gras. Tussen planten waren vlekken hemel en hellingen in de lucht te zien. Er was in die frisheid een schuimende, bijna zoutige geur. Wat doet de oorlog ertoe, wat doet het bloed ertoe, dacht ik, met zo’n hemel tussen het groen? Je kon aan komen rennen, je in het gras werpen, spelen dat je op jacht was of in een hinderlaag lag. Zo leefden de reeën, de hazen en de kinderen. De oorlog liep morgen af. Alles werd weer als vroeger. De vrede, de oude spelletjes, de afgunst kwamen weer terug. Het vergoten bloed was in de aarde getrokken. De steden herademden. Alleen in de bossen veranderde niets, en waar een lichaam was gevallen groeiden weer wortels. (Het huis op de heuvel)

In pakweg tien regels scheert Pavese van een romantisch aandoende vluchtpoging via de onbekommerde onschuld van de reeën, hazen en kinderen naar totaal cynisme. Het is ongetwijfeld zijns ondanks dat hij in de onverschillige aarde uitkomt bij een nieuw begin: wortels.

-

Op één bladzijde (in: Het huis op de heuvel): ‘Je wordt alleen geboren en gaat alleen dood.’ En: ‘Maar pleegt iemand ooit zelfmoord om echt te verdwijnen?’ Dat laatste is schijnbaar een retorische vraag die tot filosofisch gepeins kan leiden, maar Pavese blééf: in en dankzij de literatuur.

-

Pavese is geen agnost, maar een atheïst: ‘( …) de kerk weer binnengaan, een mis bijwonen – een zinloos gebaar. Het mooiste van de cultus, van de altaren, van de lege kerkruimtes, was het moment dat je buitenkwam om onder de hemel op te ademen, als de grote deur weer dichtviel, en je vrij en levend was.’ Maar wie iedere religieuze metafysica afwijst, moet wanneer hij ‘vrij en levend’ is aan de vrijheid en dat leven zelf zin kunnen geven. Pavese is daar tot hij zijn laatste woorden in zijn exemplaar van Gesprekken met Leuco schreef toe in staat geweest. Zij gelukservaringen, het onder de hemel opademen, zoals hij er één in het vijftiende hoofdstuk van Het huis op de heuvel beschrijft, lijken zich minder vaak voor te doen dan zijn aanvallen van cynische onverschilligheid. Je vindt althans van de tweede meer weerslag in zijn schrifturen dan van de eerste. En verd… een paar alinea’s na het hierboven geciteerde laat hij zijn alter ego opmerken: ‘Als je nergens in gelooft, leef je niet.’ Of dat ‘geloven’ hier nu religieus geduid moet worden of niet, doet er feitelijk niet zo veel toe, uit zijn pen is het welhaast een gotspe. Het is dan ook van een volstrekte ironie dat Pavese zijn hoofdpersoon laat onderduiken in een priesterschool. Het zestiende hoofdstuk eindigt met de eed: ‘Ik zwoer dat ik hier nooit meer weg zou gaan, als het kon.’ De laatste drie woorden zijn onbetaalbaar: ze maken de zojuist gezworen eed volstrekt waardeloos – natuurlijk kon dat niet.
Maar ook hier verstrikt Pavese zich in een paradox, want om God te ontroeren, om hem bij je te hebben, moest je al afstand hebben gedaan, want voor God is niet het leven maar de dood belangrijk en een vrede aan gene zijde van het graf wilde ik niet, laat hij zijn alter ego droogweg mededelen. De paradox is, behalve door Paveses ikfiguur te ontheffen van zijn status als alter ego, nog op een andere manier oplosbaar: nog niet.

-

Het is onbegrijpelijk dat een gebonden editie van 861 bladzijden in de verantwoording zegt dat ‘voor deze editie de vertalingen werden herzien’, terwijl men aantreft: ‘Pas op het moment dat ze langzamerhand aan het donker was geweest’ (blz. 469); ‘Amelia zei dat Guido te goed van vertrouwen was, dat de sleutel van het atelier aan Rodrigues gaf’ (470); ‘meerdere deuren’ (471); ‘de portiek’ (472); ‘Ze aarzelde opnieuw tussen de vier deuren in de gang, kon beslissing nemen en …’ (472); ‘hij zou tegen me dat ik een vrouw ben’ (480); ‘De dag kwam Amelia tussen de middag …’(481); ‘Rodrigues liet zich bij na nooit zien’ (508); ‘tweed’ (i.p.v. ‘twee’, 534); ‘Als muziek wilt (…) kan ik een plaat opzetten’ (589); ‘Als op de Greppo was geboren …’ (594) en: ‘Wil je zo graag op de Eeuwige Vaderlijken?’ (598).

-

Gelukservaringen, het intense gevoel te léven en de daarbij behorende luciditeit – Pavese moet ze gekend hebben om ze zo te kunnen beschrijven:

Elke keer dat ik op het water gezweet had, bleef mijn bloed de hele dag fris, versterkt door de botsing met het water. Het was of de zon en het leven van de stroom me hadden doordrenkt met hun weldadigheid, een blinde, vrolijke en schuchtere kracht als van een boomstam, van een beest uit het bos. Ook Pieretto genoot van de ochtend als hij ’s morgens meekwam. Wanneer we op de stroom naar Turijn afzakten, onze ogen schoongespoeld door de zon en het duiken, strekten we ons uit om te drogen, en de oevers, de heuvel, de villa’s, de omtrekken van bomen in de verte stonden in de lucht gegraveerd.

Maar hij zou zichzelf niet zijn als hij de evocatie niet onmiddellijk van een contrapunt voorzien had. Hij laat Pieretto zeggen:

Niets ruikt meer naar dood dan de zomerzon, het felle licht, de uitbundige natuur. Jij ademt de lucht in en ruikt het bos en merkt dat de planten en de beesten schijt aan je hebben. Alles leeft en vergaat. De natuur is de dood …

-

In ‘Het leven van Cesare Pavese’, het nawoord bij zijn vertaling van Paveses Leven als ambacht, bevestigt Anton Haakman mijn vermoeden dat Vriendinnen voor een deel – en misschien zelfs een heel groot deel – een gesprek met Pavese zelf is. Kort samengevat schrijft Haakman:

In Tra donne sole is een vrouw de hoofdpersoon. Niettemin is deze roman sterk autobiografisch. Vergeefs zoekt Clelia in haar geboortestad Turijn naar de wereld van haar kinderjaren. Haar zelfverzekerdheid heeft veel te maken met Paveses eigen angst voor het succes dat hij nu heeft, voor de roem die hij bezig is te behalen – zijn angst dat het schrijven hem te gemakkelijk afgaat en dat hij bezig is gevoelloos te worden en virtuoos. Dat hij het contact met degene die hij als kind was, begint te verliezen. Clelia’s ‘tegenspeelster’, een meisje dat het niet haalt en zelfmoord pleegt, vertegenwoordigt het alternatief; haar zelfmoord lijkt in details op de zelfmoord die Pavese zelf zal plegen.

Ook als je deze opmerkingen van Haakman niet kent, vermoed je tijdens het lezen van de roman een ‘onderstroom’ die essentiëler, existentiëler is dan oppervlakkige beschouwing van de verhaallijn doet vermoeden.
Wanneer Clelia met ene Morelli de eerste zelfmoordpoging van Rosetta Moli, ‘het schandaal van gisteren’, bespreekt, leidt dat tot dit dialoogje:

- […] Prima mensen. Maar hun dochter is gek.
- Gewoon stapelgek?
- Het blijft nooit bij één poging.
- Wat zeggen de mensen ervan?
- Dat weet ik niet. Naar dat soort praatjes luister ik niet. Het is net als met die geruchten in de oorlog. Alles is mogelijk. Er kan een man achter zitten, het kan ook woede zijn, ergernis. Maar er is maar één ware oorzaak.

Alsof het zo moet zijn staat dit woord als laatste op de bladzijde. Wie nu gretig omslaat, omdat hij die ene oorzaak wil weten, wordt door Pavese in de kou gezet: onmiddellijk gooit hij het gesprek over een andere boeg.
Pavese kende die ‘ene ware oorzaak’, ongetwijfeld, maar houdt hem voor zich.

-

Aan het eind van hoofdstuk XII spreken ene Momina en Rosetta met elkaar over Rosetta’s mislukte zelfmoordpoging:

Rosetta ademde zwaar en deed geen poging om te glimlachen.
Momina vroeg: ‘Hoe laat heb je dat slaapmiddel ingenomen?’
Maar daar gaf Rosetta geen antwoord op. Ze haalde haar schouders op, keek om zich heen en vroeg daarna zachtjes en aarzelend: ‘Hebt u echt gedacht dat ik mijzelf had doodgeschoten?’
‘Als je het echt wilde,’ zei Momina, ‘had je beter kunnen schieten. Nu is het mislukt.’
Rosetta keek mij vanuit haar diepliggende ogen verschrikt aan – op dat moment leek ze een ander – en fluisterde: ‘Daarna ben je er nog erger aan toe dan eerst. Dat is om heel bang van te worden.’

Jeroen Brouwers verwijst in zijn boeken over schrijverzelfmoordenaars, De laatste deur en De zwarte zon, vaak naar Pavese en citeert hem, maar heeft geen apart essay aan hem gewijd. Hij zou het ongetwijfeld met Haakman eens zijn geweest: dit zijn (literaire) voorafspiegelingen van keuzes die Pavese, wellicht op het moment van schrijven onbewust, gemaakt heeft. Het is alsof hij hier ‘in fictie’ overweegt wat hij op 27 augustus 1950 zal doen. Hij is, opnieuw, in gesprek met zichzelf, tegen zichzelf: ‘Je kunt niet meer van een ander houden dan van jezelf. Wie zichzelf niet kan redden, kan niemand redden.’
Híj nam wél genoeg slaapmiddel en voorkwam ‘nog erger’. Hij moet toen al geweten hebben wat ‘nog erger’ inhield. Bijna achteloos staat er: ‘Zo praatten we verder, over de spiegel en over de ogen van iemand die zelfmoord wil plegen.’ Pavese moet die blik kennen als hij dit schrijft – uit de spiegel.

-

Pavese schrijft op zeker moment in Vriendinnen:

Momina glimlachte op die ontevreden manier van haar. Ze gaf geen antwoord, maar zei tegen Loris dat ze met die en die had gepraat, die dit en dat had gezegd, en Loris, die op het bed zat en zijn enkel vasthield, bromde wat; Mariella mengde zich er met luide stem in en ze praatten en lachten, en Nene zei: ‘Gekkenwerk’, en ze hadden het verder niet meer over het toneelstuk. […] Zo gingen ze door, en Momina sprong van de hak op de tak […]’, terwijl de gedachten van Clelia afglijden naar uiterlijkheden.
‘dit en dat’, ‘die en die’ – alsof het er niet toe doet en waarschijnlijk is dat ook zo. De generatie Nix bestond al lang, ook als literaire stijl. Pavese is meester in het optekenen van vlakke opsommingen van nietszeggende bezoeken en gesprekken.

-

Als er één roman Paveses recherche du temps perdu is, dan is dat zijn laatste, De maan en het vuur. Hoofdpersoon Nuto doet verwoede pogingen opnieuw samen te vallen met de wereld van zijn jeugd. De roman is minder een verháál dan een bij vlagen ontroerende evocatie van zijn leven ‘toen’ en ‘nu’: ‘Kan ik iemand uitleggen, dat wat ik zocht alleen maar was iets te zien wat ik al had gezien?’
Paveses engagement met de plaatsen uit zijn jeugd komt niet tot uiting doordat hij ze romantiseert, hij heeft integendeel ook een eerlijk en scherp oog voor de schaduwzijden. Die worden ook zonder aarzelen zichtbaar gemaakt in vaak scherpe tekening:

Dat Valino nu met zijn schoonzuster sliep was tot daaraan toe – wat moest hij anders? – maar er gebeurden afschuwelijke zaken in dat huis: Nuto vertelde me, dat je de vrouwen hoorde schreeuwen op de vlakte van de Belbo als Valino zijn riem losmaakte en ze ranselde als beesten, en hij sloeg Cinto ook – het was niet de wijn, zoveel hadden ze niet, het was de armoede, de razernij van dit leven dat geen uitweg bood.

En:

Ze was naar een vroedvrouw in Costiglione gegaan en had het laten wegmaken. Ze zei tegen niemand iets. We kwamen twee dagen later te weten waar zij geweest was omdat zij het treinkaartje nog in haar zak had. Ze kwam terug met kringen om haar ogen en met het gezicht van een dode – ze ging op bed liggen en vulde het met bloed. Zij stierf zonder een woord te spreken, niet tegen de priester en niet tegen de anderen. ze riep alleen zacht: ‘Papa.’

Het landschap is hard, het leven is er hard, de mensen zijn hard en Paveses taal is navenant.

-

Ook Paveses alter ego in De maan en het vuur is een ontwortelde en blijft het grootste deel van de roman een buitenstaander: ‘Ook het verhaal van de maan en het vuur kende ik. Alleen, had ik gemerkt, ik wist niet meer dan dat ik het wist.’ […] Paveses tragiek zit er in dat hij (uit zijn jeugd?) wéét hoe het voelt om géén buitenstaander te zijn, je wortels te voelen, ‘je hebt ‘het’ dan ín je en, omdat het vanzelfsprekend is, ‘het’ hoeft niet onder woorden gebracht te worden. Het schrijnende gevoel dat gevoel voorgoed kwijt te zijn, je dat gevoel alleen nog te kunnen herinneren:

Ik had daarentegen geen zoon, om van een vrouw niet te spreken – wat is deze vallei voor een gezin dat van de zee komt, dat niets van de maan en de vuren weet? Je moest het in je hebben, in je hebben als de wijn en de polenta, dan wist je het zonder dat je erover hoefde te praten, en alles wat je al die jaren met je hebt omgedragen zonder het te weten, begint nu te leven bij het knarsen van een wagen, bij een koe die met zijn staart slaat, bij de smaak van een minestra, bij de stem die je ’s nachts op het plein hoort.

-

‘Hoe meer de dingen en de gesprekken die mij raakten dezelfde waren als vroeger […] hoe meer plezier ik erin schepte.’ Plezier, Pavese? Jawel, als het maar was als vroeger, ‘maar de gezichten, de stemmen en de handen die me moesten aanraken en herkennen, waren er niet meer. Waren er al lang niet meer. Wat er overbleef was als een plein de dag na een kermis, een wijngaard na de oogst, alleen een café ingaan als een vrouw je heeft laten staan. […] Ik kwam van te ver weg – ik hoorde niet meer in dat huis, ik was niet meer als Cinto, de wereld had me veranderd.’ Die ontworteldheid, die eenzaamheid – daarvan is het hele werk van Cesare Pavese doortrokken. Hij is afgesneden van de jongen die hij ooit was en – misschien wel daarom – van een vrouw, de vrouw die deze eenzaamheid zou kunnen doorbreken. In Stilte in augustus analyseert Pavese het op zijn scherpst:

Er is iets in mijn herinnering aan mijn kinderjaren dat niet de vleselijke tederheid van een vrouw verdraagt. In die zomers, die nu in mijn herinnering één enkele kleur hebben, smeulen ogenblikken die door een gewaarwording of een woord opeens weer oplaaien, en dan valt opeens de afstand weg en kan ik haast niet geloven dat er zoveel vreugde is terug te vinden uit een tijd die is verdwenen en bijna verloren gegaan. Een jongen – was ik het? – bleef op een nacht staan aan de kust – met boven hem de muziek en de onwerkelijke lichten van de cafés – en hij rook de wind – niet de gewone zeelucht, maar de plotseling in een kortstondige windvlaag aangedragen geur van exotische, tastbare, door de zon verschroeide bloemen. Die jongen zou kunnen bestaan zonder mij; feitelijk bestond hij ook zonder mij, en hij wist niet dat zijn vreugde, hoe ongelooflijk ook, na zoveel jaren weer zou opbloeien in een ander, in een man. Maar een man veronderstelt een vrouw, de vrouw; een man kent het lichaam van een vrouw, een man moet een vrouw omhelzen, strelen, teisteren, zo’n vrouw die, zwart van de zon, heeft gedanst onder de lampions van het strandcafé. De man en jongen kennen elkaar niet en zoeken elkaar, zij leven met elkaar zonder het te weten, en wanneer ze elkaar terugvinden hebben ze behoefte aan alleen zijn.

Je weet wat je van Pavese scheidt: je realiseert je weliswaar dat je een product bent van het verleden, maar anders dan bij hem verdragen je herinneringen juist wel de vleselijke tederheid van een vrouw, de vrouw; je hebt een zoon en weliswaar kende de jongen die je ooit was de man niet die je nu bent, maar dat hij ooit bestond zonder je, kan je niet schelen zolang die man die jongen nog maar herkent. Het leidt er onherroepelijk toe dat je – in de woorden van E. du Perron en Jeroen Brouwers – solidair bent met Pavese tot aan zijn laatste avontuur en zijn oplossing van wat hem kwelde.

-

Díe eenzaamheid, kun je die ook niet willen?

-

Eeder verschenen in: Bzzlletin, 286, juni 2003