Posts tonen met het label poëtica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëtica. Alle posts tonen

zondag 14 februari 2021

Het goud tussen de scherven Over K. Michel, & rol door

In de zevende bundel van K. Michel, & rol door, komt twee maal ‘kintsugi’ voor, in een gedicht en als titel van een reeks. Dat lijkt een vingerwijzing om het begrip als een al dan niet bewust gebruikte metafoor voor de poëzie van Michel te zien.

Kintsugi, vertelt internet, is de kunst van het repareren van gebroken keramiek met goud- of zilverkleurige lak (maki-e), waarna de sporen van breuk en herstel bijdragen aan de schoonheid van het gebroken aardewerk.

Er bestaan drie varianten: hibi, waarbij de meeste scherven gebruikt zijn en de lak alleen tussen de scherven te zien is; kake no kintsugi rei waarbij lak gebruikt wordt om de ruimte van een ontbrekende scherf op te vullen en yobitsugi, wanneer men een scherf van een ander voorwerp gebruikt.

Vanaf zijn eerste bundel bewegen Michels gedichten zich op het breukvlak tussen woorden als verschijnselen op zich (waarbij de band tussen de woorden en de wereld doorgesneden is) en taal als communicatiemiddel anderzijds, verwijzend naar de werkelijkheid. Die laatste taal legt de wereld vast en perkt deze in, of zoals Michel dat in Ja! Naakt als de stenen formuleert: ‘de namen zijn ambtenaren’, maar in dezelfde bundel staat ook: ‘de namen […] leggen de wereld open’ en dat sluit aan op zijn wens met zijn gedichten ‘speling [te] maken’, onder welke titel zijn ‘alle gedichten tot nu toe’ gebundeld zijn. Michels gedichten pendelen tussen de wens ‘om […] te zien zonder / aap noot mies ertussen’ én: ‘we roepen […] Aap! Noot! Mies!’ (in het midden gelaten of dit appreciërend, depreciërend dan wel constaterend opgevat dient te worden) en legt daarmee de maki-e, de gouden verbinding, tussen de verschillende taalopvattingen: ‘en leerde zó […] scherven / te accepteren, kintsugi, de kunst / breuklijnen te accentueren met goudlak / ondanks de kansen die de fragiele / wereld van het porselein bood / bleek voor het falen het woord / toch ’t beste medium’ merkt hij niet zonder zelfspot in & rol door op.

Deze op eerste gezicht eenvoudige regels zijn vintage K. Michel. Zij lopen pas bij nadere beschouwing vol met betekenissen. In eerste instantie bevatten ze alleen een beschrijving van kintsugi; in tweede instantie zijn ze poëticaal te lezen: Michels gedichten bestaan uit ‘scherven van een kwetsbare wereld’ en de goudlak om de breuken te aanvaarden, te lijmen, te beschrijven en te benadrukken én ten derde verwijzen zij naar (de keuze voor) het falen van  en in de taal; ten slotte bieden ze door woorden als ‘accepteren’ en ‘accentueren’ zicht op een levenshouding.

De metafoor waarin kintsugi ‘staat voor’ het gedicht wijst op iconiciteit, een begrip ontleend aan Lessen in lyriek van W. Bronzwaer, waarnaar ik in deze context wel kan verwijzen, omdat Michel in In een handpalm een laudatio voor diens poëtica opgenomen heeft. Van iconiciteit is sprake wanneer tekens in hun materiële vorm een natuurlijke of realistische gelijkenis vertonen met waar ze naar verwijzen. De ‘verscherfde vorm van de kwetsbare wereld’ wordt weerspiegeld door de vorm van Michels gedichten. Die lijkt wellicht op eerste gezicht willekeurig, maar, om met Bronzwaer te spreken: ‘De onafhankelijkheid die het vrije vers zich van de strenge voorschriften […] bevecht, is echter [..] geen vrijbrief om “ongedisciplineerde” poëzie te schrijven. Voor de ordeningsprincipes komen andere in de plaats.’ Kintsugi bijvoorbeeld.

Het eerste gedicht uit & rol door heet ‘Smalle brief’. Het bestaat uit 55 regels verdeeld over zeven strofen van respectievelijk zes, zeven, zes, acht, zes, zeven en vijftien regels. De eerste strofe evoceert het wakker worden uit een droom; de tweede waaiert uit naar aanleiding van het woord ‘ruimend’; de derde is een beschrijving van het spektakel dat plaats zou vinden als het woord ‘maanlanding’ letterlijke genomen zou moeten worden; de vierde ‘gaat (in de tegenwoordige tijd gesteld) over’ een wandeling met ‘oude vriend Hans’; de vijfde strofe haakt in met een herinnering aan een andere oude vriend, Lange Jan; in de zesde strofe bevindt ‘ik’ zich in een hotelkamer en ziet in zijn knieën ‘het hoofd van Picasso, glanzend als de maan’ en ‘het nobele gelaat van captain Picard’; in de zevende strofe krijgen ‘vrienden’ op imperatieve wijze te horen dat het belangrijk blijft – en dan gaat de dichter op eerste gezicht hilarisch en willekeurig lós.

De strofische indeling van het gedicht staat op gespannen voet met de scherven die de hele structuur laten zien. Het gedicht is een combinatie van kake no kintsugi rei en yobitsugi. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de vierde, de middelste strofe de scherf is waar het gedicht letterlijk en figuurlijk om draait: over de ‘oude vriend Hans’ lezen we: ‘dat hij doodziek is is geen onderwerp’, waarmee de reactie op de terminale ziekte van Hans meteen de strekking van het gedicht is. Op subtiele wijze zie je de ontwrichtende effecten van zijn toestand: in dezelfde strofe wordt de zin voorafgegaan door een museumbezoek waarbij ‘rode ellipsen / blauwe bogen […] de horizon doen kantelen’ en onmiddellijk volgend op de zin laten de gevolgen van de crisis zich gelden in de bordjes ‘Te Koop’: ‘hoe die bordjes / altijd uit het lood staan, ook hier, scheef.’ Bij herlezing zie je dan het woordveld omtrent de ontwrichting zich uitbreiden: in de eerste strofe ‘de kluts totaal kwijt’; in de tweede ‘komen in beweging’; in de derde: ‘stuiterde en doorrolde’. Maar er zijn ook woorden die het ‘leviteren’ (één van de adviezen aan de vrienden: omhoog zweven) in de laatste strofe voorbereiden: ‘fietsers, loofbomen, jurken en de plastic / fruitzakken van onze straatmarkt die opbollend / voorbijzweven als Thaise gelukslampionnen’, de hoofden van Picasso en de serene (!) captain Picard: ‘zij brengen goede moed / en doen het suffe licht trillen als sterrenstof’. Michel lijmt hier met de maki-e van de taal de scherven van de verslagenheid over een dodelijk zieke vriend, de goede herinneringen, en – in de laatste strofe – de goede moed die we desalniettemin moeten hebben om ‘de zwaarte te [kunnen] negeren’, op welke manier dan ook. In Rutger Koplands Mooi, maar dat is het woord niet reageert K. Michel op Koplands commentaar op zijn poëzie. Hij zegt daarin onder meer dat zijn gedichten ‘ergens uit willen ontsnappen en  tegelijkertijd ergens in willen opgaan.’ Ook daarvan is dit gedicht dus een voorbeeld.

De techniek van de kintsugi is evident in een drietal ‘reeksen’ in de bundel; ‘Rode draden’, ‘Kintsugi’ en ‘Arcadische motieven’. Zij bevatten uit de losse pols genoteerde gedachtenscherven die soms de techniek van yobitsugi op de spits lijken te drijven.

Toch suggereert de ironische titel van de eerste reeks onderlinge verbanden en die zijn er dan ook. Evenals bij het gedicht ‘Smalle brief’ loont het de moeite de bundel te blijven herlezen om daarmee de rode draden die er desalniettemin zijn, te gaan zien, al is het bijvoorbeeld maar het verband tussen de ode aan de asterisk op bladzijde 17 die bestaat uit een grappige (wisten we trouwens dat Leuk in het Rhônedal ligt en 3724 inwoners telt?) opsomming van diakritische tekens die niet gevonden werden: ‘ik  kon de puntjes voor stoicijns / niet vinden de streepjes / voor gooi en smijtwerk / […] het hoedje voor sans gene’ et cetera, én dan op bladzijde 40: ‘Uberhaupt schrijf je met een umlaut’. Hetgeen nog eens extra grappig is in een bundel met ‘&’ in de titel. Overigens krijgen enkele fragmenten uit de reeks voetnoten, die de gedachtenspinsels in de werkelijkheid verankeren.

Ook de toonwisselingen van hilarisch tot tragisch, van lichtvoetig tot ernstig, van contemplatief tot grimmig, zijn iconisch gemotiveerd en ondersteunen het versplinterde van de wereld.

De wereld om ons heen is chaotisch, versplinterd; we zien de scherven. Michels poëzie, is, in zijn eigen woorden een ‘toverstaf van glas / die alles veranderen kan wat hij aantikt / & zelf in stukken breekt’. In de laudatio citeert hij instemmend Bronzwaer: ‘Poëzie is altijd pragmatisch verankerd; zij dient een doel, ook als het slechts een doel is dat de dichter zichzelf heeft gesteld.’ Deze gedichten benadrukken, vergulden de breuklijnen tussen de taal en de werkelijkheid en proberen die – zolang de dichter schrijft, zolang de lezer leest, tijdelijk dus – te repareren, en wellicht betekent dat ‘vergulden’ mooier maken. “Mooi, maar dat is het woord niet”, zou Kopland, brommerig als altijd, opmerken. 

K. Michel, & rol door, Augustus Atlas Contact, Amsterdam, 2020.

Eerder gepubliceerd in: Poëziekrant 1, jan-feb 2021


zondag 13 oktober 2013

Een paar momenten zijn duurzaam, aantekeningen bij gedichten van Gerrit Kouwenaar



IN HET WIT, IN DE SCHADUW

Wanneer er één dichter in het Nederlandse taalgebied een hors concourspositie bereikt heeft, dan is dat Gerrit Kouwenaar. Zijn oeuvre, verzameld in Gedichten 1948 – 1978 en in helder maar grijzer, gedichten 1978 – 1996, is onaantastbaar.

Enerzijds staat het ‘boven de wet’ en kan het met geen andere maatstaven gemeten worden dan die door Kouwenaars eigen werk zijn aangelegd, anderzijds schijnen er nog steeds poëzielezers te zijn die vast zitten aan de vooroordelen die steeds maar weer op zijn gedichten worden losgelaten en die er daardoor niet toe komen zijn werk (goed) te lezen, laat staan te savoureren.
Kouwenaars werk is in de loop der tijd geïnstitutionaliseerd tot ‘geschiedenis’. Literair Lustrum (1967), een panorama van de literatuurgeschiedenis over de periode 1961 – 1966, bevat een profiel van Gerrit Kouwenaar door Rein Bloem. R.L.K. Fokkema besteedde in ‘de literair-historische documentaire’ Het komplot der Vijftigers (1979) ruim aandacht aan Kouwenaar als een der boegbeelden van die generatie. In het vervolg op Literair Lustrum, Het Literair Klimaat 1970 – 1985, verklaarde Jan Kuijper in het essay ‘Poëzie is altijd een kwestie van sommigen’ Kouwenaar tot één van die sommigen. Het Literair Klimaat 1986 – 1992 bevat weliswaar geen afzonderlijk profiel van Kouwenaar, maar in het essay van Tomas Lieske over de poëzie van die tijd speelt hij wel opnieuw een opmerkelijke rol.
In 1986 verscheen De killer, over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar, het proefschrift van Wiel Kusters, in 1983 voorafgegaan door Een tuin in het niks, vijf opstellen over Gerrit Kouwenaar, ook van de hand van Kusters. Bij de zeventigste verjaardag van de dichter wijdde het literaire tijdschrift De Revisor een nummer aan de dichter. In 1998 publiceerde G. Sötemann Verzen als leeftocht, over Gerrit Kouwenaar.
Gerrit Komrij verklaarde het werk van Kouwenaar beurtelings dood en heilig. Het eerste geschiedde door in geschrifte het werk van de Vijftigers passé te verklaren en een minimale, ‘dwarse’ keuze van hun poëzie op te nemen in zijn Beroemde Bloemlezing, het tweede door in In Liefde Bloeyende een zeer positief mini-essay op te nemen over Kouwenaars gedicht ‘Men moet’, door Komrij getypeerd als de ‘eindfactuur van een mensenleven’.
Vooral sinds Joost Zwagerman in de Volkskrant van 6 november 1987 onder de titel ‘Het juk van het grote Niets’ dichters als Wiel Kusters, Peter Nijmeier, Hans Tentije en Peter Zonderland als epigonen van Kouwenaar aanviel, daarbij en passant Bernlef en Kopland ook beschuldigend van ‘onrustbarend in het wit wroeten’, is het welhaast een automatisme geworden bepaalde poëzie steeds in het licht, of liever: in de schaduw van Kouwenaars poëzie te zien. Kouwenaar zou ‘school gemaakt hebben’ met zijn ‘talige’, ‘hermetische’, ‘autonome’ poëzie. Het is overigens opvallend hoe gehaast men altijd de poëzie van Kouwenaar zelf van dergelijke aanvallen wenst uit te sluiten. Al dan niet voormalige Maximalen als Koos Dalstra, Joost Zwagerman, Arthur Lava en René Huigen roepen steevast dat het ‘slechts’ om zijn ‘epigonen’ gaat, zijn eigen werk is hors concours, zijn meesterschap staat buiten kijf. (Van een daadwerkelijk onderzoek naar dat vermeende epigonisme heb ik trouwens nog nooit kennis genomen. Ik heb de indruk dat Kouwenaar eerder invloed heeft gehad op bepaalde poëticale opvattingen, dan op de poëzie zelf.)
Dat Kouwenaars meesterschap niet alleen maximaal, maar ook breed erkend is, blijkt tenslotte wel uit het gegeven, dat men Kouwenaar zo’n beetje alle prijzen die er voor Nederlandstalige poëzie te vergeven zijn, heeft toegekend, tot en met De Prijs der Nederlandse Letteren toe.
Kouwenaars oeuvre is, kortom, volledig gecanoniseerd en een poëtisch ijkpunt geworden. Dat lijkt een uitsluitend begerenswaardige positie, maar er zijn kanttekeningen bij te plaatsen.
Poëtisch werk dat zijn eigen maatstaven genereert, doordat de poëtische opvattingen van de dichter via dat werk expliciet worden, of doordat hij en anderen er in andere context uitspraken over hebben gedaan, kan op den duur nog nauwelijks rekenen op eerlijke kritiek, zeker niet als deze uitspraken een eigen leven gaan leiden.
Lezers wennen aan een zekere kwaliteit en de verwachtingen zullen steeds hoger gespannen zijn, verwachtingen waaraan Kouwenaar overigens kwantitatief in mindere, maar kwalitatief in steeds hogere mate voldoet. Een steeds verder ontwikkelende verfijning van de stijl zal een onwelwillende criticus gemakkelijk bestempelen als ‘herhaling’. Het lijkt wellicht in eerste instantie een wat zotte vergelijking, maar de reacties op het televisiewerk van Kees van Kooten en Wim de Bie vertonen wat dit betreft opvallende overeenkomsten. Hun lange tijd volgehouden televisiesatire van hoge kwaliteit zorgde voor veel waardering, zoveel dat het duo op zeker moment ‘maar’ een Nipkowschijf voor het hele oeuvre toegekend kreeg. Voortaan waren zij ‘buiten mededinging’, maar de gewenning aan de kwaliteit eiste onverbiddelijk tol: ‘Hoe goed het allemaal ook is, we kennen het nu wel.’
Elke onbevangenheid is verdwenen en er ontstaan al snel nostalgische gevoelens die niet veel zeggen over het werk zelf, maar meer over het verlangen naar een tijd waarin het nog allemaal nieuw en verrassend was.
Een nadeel van dit soort kritiek is dat er rond het werk een zekere beeldvorming ontstaat die maakt dat Kouwenaar niet goedgezinde critici, die door de status aparte van zijn werk niet om nieuw verschenen bundels heen konden, steeds maar terugkwamen op dezelfde, alsmaar opnieuw gedebiteerde clichés.
Zich onder meer beroepend op soms halve en halfbakken interpretaties van uitspraken van Kouwenaar zelf, zoals ‘het gedicht is een ding’, ‘alle persoonlijke tarra eruit halen’, plaatst men dan koppen boven besprekingen als: ‘de herhalingen van Gerrit Kouwenaar’, ‘de code van Gerrit Kouwenaar’, ‘talig tasten naar een rijpe meloen’. Men ziet dan over het hoofd dat Kouwenaar met zijn uitspraken iets anders bedoelde. Sötemann wijst er in zijn essaybundel over Kouwenaar terecht op dat de dichter dit soort uitspraken steeds weer liet volgen door ‘niet te miskennen toevoegingen in de geest van ‘die taal moet worden ontdaan, niet van persoonlijke gevoelens of ideeën, maar van persoonlijke gebondenheid’ – van anekdotisme dus, en dat is iets anders.’
Blijkbaar zijn die toevoegingen gemakkelijker te miskennen dan Sötemann hier veronderstelt. Zo gebruikte Redbad Fokkema omstreeks de tijd dat Kouwenaars bundel de tijd staat open (1996) verscheen, diens poëzie maar weer eens om de modernistische traditie te karakteriseren. Dat gaat er dan zo aan toe: ‘op taal gerichte poëzie in de lijn van Gerrit Kouwenaar […] intellectueel, hermetisch […] het exclusieve taalautonome karakter met voorbijzien van (Sic! R.E.) de werkelijkheid van alledag.’ Het is bizar dat Fokkema het hierbij niet nodig vindt ook maar één regel van deze poëzie ‘in de lijn van Kouwenaar’ te citeren. Hij gaat breeduit voor diens gedichten staan en stuurt de lezers met zwaaiende armen weg.
Later ontmoeten we Fokkema opnieuw, schrijvend aan zijn geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945, Aan de mond van al die rivieren. Daar speelt Kouwenaar uiteraard een belangrijke rol in. Volgens het register is hij de meest genoemde dichter. Wie echter deze geschiedenis leest, komt tot de ontdekking dat alweer niet Kouwenaars poëzie een prominente plaats krijgt toebedeeld, maar vooral zijn poëticale uitspraken. Deze zijn blijkbaar zo dwingend geweest dat alles wat hij gezegd en geschreven heeft automatisch in het keurslijf van ‘de taligheid’, ‘het autonome’, ‘het hermetische’, ‘de dingdichter’ gewrongen wordt. Fokkema, die pretendeert een geschiedenis van de hedendaagse poëzie te schrijven, gaat zo goed als voorbij aan Kouwenaars gedichten uit helder maar grijzer (1978 – 1996) en vereenzelvigt Kouwenaars poëzie met de trefwoorden waarmee men zijn poëzie gemakshalve wenst te karakteriseren, daarmee de vooroordelen rond het werk van Kouwenaar opnieuw bevestigend en voedend. Deze stereotypering leidt tot vooringenomen reacties. Zo tekende Tomas Lieske in Het Literair Klimaat 1986 – 1992 uit de mond van Elisabeth Eybers op: ‘Een mens is soms sterk geneigd een gedicht ontoegankelijk te noemen, gewoon omdat hij nog geen moeite heeft gedaan om zich een beetje in het gedicht in te leven, maar ik vind wel dat poëzie communicatie moet zijn. Ik vind Kouwenaar bijvoorbeeld cryptisch, ontoegankelijk. […]’ En op de vraag wat zij ervan zou vinden als zij zou horen dat Kouwenaar haar poëzie mooi vond: ‘Nou dat zou me echt verbazen. Ik kan mij dat moeilijk voorstellen, zoals ik het mij ook niet zo makkelijk kan voorstellen dat iemand Kouwenaar voor zijn plezier leest, echt omdat hij hoopt daarvan te kunnen genieten.’ (curs. R.E.)
Nu weet ik niet wat mevrouw Eybers precies onder ‘genieten’ verstaat, te meer daar zij genieten zonder meer op één hoop gooit met ‘plezier’, maar ik moet bekennen dat ik hier vooral als bewonderaar van Kouwenaars werk schrijf, omdat ik zijn gedichten uitermate mooi vindt en zeker niet in de laatste plaats aangrijpend. Hier is geen kenner à la Sötemann of Kusters aan het woord, maar eerder een liefhebber. (Hiermee heb ik overigens niet beweerd dat genoemde geleerden dat niet óók zouden zijn.)

DE TUIN IN, IN DE TUIN

helder maar grijzer bevat de bundels het blindst van de vlek (1982), het ogenblik: terwijl (1987), een geur van verbrande veren (1991) en de tijd staat open (1996). Vrijwel tegelijkertijd verscheen het uit acht gedichten bestaande, door Kees Nieuwenhuijzen meer dan schitterend vormgegeven een glas om te breken (1998).

Wie in deze bundels Kouwenaars productie vanaf Gedichten 1948 – 1978 overziet, kan vaststellen dat zijn gedichten absoluut niet ‘voorbijzien aan de werkelijkheid van alledag’. Integendeel, de elementen daaruit die aanleiding waren voor een gedicht zijn zelfs bij oppervlakkige lezing gemakkelijk te vinden: een gesprek tussen twee vrienden in Rotterdam (‘terwijl de stad als een bom lag te dromen’), een memorabel moment met vrienden op een berg (‘hoe wij daar zaten bevroren in hitte / één blauwe seconde, ontvreemd voor een later’), de dood van Lucebert (‘vanavond gehoord van je dood op een uur / dat de dag haast stilstond van vrede’), een herinnering aan Bert Schierbeek (‘drink ik / je hese stem van je woorden’), de dodenherdenking, zijn broer, de schilder, in de tuin.
Tamelijk willekeurig bladeren in het recente werk laat zien dat Kouwenaar zijn beeldtaal meer en meer is gaan ontlenen aan de wereld rond zijn huis in Frankrijk.
De meeste ‘aanleidingen’ zijn gevonden in het zeer nabije van de werkelijkheid van alledag: een maaltijd, het huis, de verwarring na een moment van schrik, de dood van een vlier, de jonge vlier die zijn’ verkankerde stamvader’ ontgroeit …momentopnames van de seizoenen.
Oppervlakkige beschouwing die zich voornamelijk richt op de huis,-, tuin- en keukengedichten uit deze periode, zou nu kunnen leiden tot een oordeel dat Kouwenaars vroegere bevlogenheid, die in de vijftiger jaren enigszins marxistisch getint was, gedoofd zou zijn en dat zijn poëzie zich grotendeels teruggetrokken zou hebben uit de wereld. Zoals aan de opsomming hierboven wel af te lezen is, blijkt het tegendeel bijna waar.
In Kouwenaars vroegere poëzie kwam het beeld van ‘de tuin’ ook al voor. Waarschijnlijk was de ‘aanleiding’ toen het buitenverblijf van zijn ouders, een door de dichter als ‘paradijselijk’ ervaren en beschreven plek. Zo’n paradijs onttrekt zich voor een deel aan het dagelijks leven en vormt daar als het ware een oase in, maar de tuin die in helder maar grijzer steeds vaker een rol speelt, is een andere. Men zou kunnen zeggen: in Gedichten onttrekt de paradijselijke tuin zich aan de wereld en waart Kouwenaars poëzie meestal in de wereld rond, terwijl in helder maar grijzer zijn tuin zijn wereld wordt. Dit leidt echter niet tot een blindheid voor de wereld, maar is eerder een voortvloeisel van het inzicht dat het hele leven zich (ook) in de tuin weerspiegelt. Het leidt tot een beperking van de beeldtaal, maar nauwelijks tot een vernauwing van de thematiek en samen zorgt dat voor een sterke intensivering: er wordt steeds beter gekeken, steeds nauwkeuriger en scherper geformuleerd. In 1947 schreef Nescio de volgende ‘explicatie’:

Men heeft mij lastiggevallen over die woorden: Het Goddelijke is … bijna niets. Die men begreep dat niet. Ik heb tegen dien men gezegd: ‘Er is nog nergens wat (dat was maar bij wijze van spreken) maar er zijn kleine knopjes aan de seringstruiken. Gaat U daar eens aandachtig naar staan kijken, misschien begrijpt U ’t dan.’

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Kouwenaar in diezelfde tuin staat of er geweest is, dat hij diezelfde bijna niet te benoemen verwonderde ervaring kent en dat hij daarvoor dan de woorden zoekt:

een winteravond

Lang zitten kijken hoe de verkankerde stam
van de oude vlier verbrandde

niet na te vertellen dit trage eenzelvige afscheid
deze vanzelfsprekende geboorte van as

en niet te rijmen hoe onderwijl naast de tijd
in een belendend dichtgesneeuwd heden
de zevenslaper ontwaakte en de radio
het lied zong van de fonkelende beker

en hoe later de witte kamer zwarter en later
dan ooit was en het lichtgevend horloge
zijn adem inhield, luisterend naar
de onsterfelijke klok van de houtworm –

Evenals in het titelgedicht van een geur van verbrande veren wordt in dit gedicht uit de tijd staat open
niet alleen iets verbrand, maar wordt er een vrijwel onbenoembare, bijna lichamelijke tijdservaring onder woorden gebracht. Het gaat om de samenballing van veel gedachten, gevoelens, ervaringen in één moment, door Kouwenaar in een ander gedicht bondig tot woorden gesmeed met de formulering ‘het ogenblik: terwijl’. In recente gedichten verbeeldt Kouwenaar dit principe wel door opsommingen, soms vol tegenstellingen, soms aan elkaar geschakeld door het repeterende woord ‘terwijl’.
In dit gedicht schrijft hij nog vrij letterlijk dat het ‘niet na te vertellen’, ‘niet te rijmen’ is. De spanning tussen de twee formuleringen drukt uit dat ‘een verhaal’ geen adequate verwoording van de ervaring is, maar dat een gedicht dat ook ‘eigenlijk’ niet is. ‘Het ogenblik: terwijl’, dat deze dingen tegelijkertijd, vlak naast elkaar plaats vinden, is nauwelijks te bevatten.
Hoe maak je het onbevattelijke bevattelijk?

Er schrikt een ogenblik tegen de hor, nee
dit is vertaald, het is een slaap, het is
de nachtvlinder het daglicht, leeg
lopend in het steenslag

er ligt gefluister over de mond, blind
zicht over het oog waar men in zit, dat het licht
ontkent wat de taal verduistert, nee het is
de kelder de doofheid de witte krekel

nee het is de radio die luistert, nee
het is geschreven, het is wat niemand –

Het is paradoxaal dat de lezer in en door het gedicht bewust gemaakt wordt van het feit dat hij op het moment dat hij het gedicht leest ‘slechts’ het gedicht leest en niet het moment van het schrikken zelf meemaakt, terwijl het gedicht de verbeelding van dat moment te boven gaat en als het ware gedurende de tijd dat hij het leest even die ervaring wordt. Kouwenaar bereikt dat effect door het gedicht te laten stamelen, van de hak op de tak te laten springen, de zinnen te ontregelen, waardoor de lezer tijdens het lezen van het gedicht even de verwarring meemaakt die bij zo’n schrikmoment hoort. Het gedicht wordt de ondervinding van het moment. Elders in de bundel noemt Kouwenaar dat ‘iets om even te schrikken’. Hij laat het voorzetsel van weg, waardoor de schrik dichter op de huid komt. Uiteraard zouden Fokkema c.s. er hier op wijzen dat dit een ‘talige’ oorzaak heeft en dat ontkennen zou natuurlijk onzin zijn. Elk gedicht is een talige oorzaak van de reactie van de lezer, maar Kouwenaars taalgebruik maakt het moment zeer lijfelijk voelbaar.
Kouwenaars gedichten maken de lezer soms bewust van het feit dat het ‘slechts’ een gedicht is: ‘nu het gedicht zich behelst’, want het gedicht behelst niet de ongrijpbare werkelijkheid. Maar tegelijkertijd kunnen die gedichten méér: ‘hoe letters verzinnen de zomer des lezers’. Dat letters en woorden dat kunnen komt, denk ik, doordat Kouwenaar zich – men leze daartoe het proefschrift van Wiel Kusters – bewust is van ‘het dodelijke’ van het woord, dat niet alleen vereeuwigt, maar ook onttrekt aan de werkelijkheid. Realiteit die in taal gevat wordt, is geen realiteit meer, maar taal. In Kouwenaars woorden: ‘waar men ook kijkt kijkt het oog / door een keel die keelt bij het leven’, of: ‘het gedicht behelst het gedicht’.
Het is gebruikelijk het accent bijna volledig te leggen op de ‘kelende’, dodende kracht van Kouwenaars taal – de titel De killer van Kusters’ proefschrift en het eeuwig en altijd terugkerende citaat ‘Van alle maken is doodmaken / wel het volmaaktste’ spreken wat dit betreft boekdelen – en te vergeten dat het diezelfde taal is die de kostbare, soms onbenoembare ogenblikken vastlegt en vereeuwigt, ook al is dat het verdwijnen van iets of iemand:

een geur van verbrande veren

Men komt thuis, het is maart, men ontsluit
het verwinterde huis, afzijn gebrek
hebben webben gestrikt, mee-eters verteerd, de uil
door de schoorsteen de dood in gedreven

de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk
wit bescheten, de glazen aan gruizels
op het eeuwige bed een proper karkas
met machtige vleugels

wat heeft men gedaan vandaag?
takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd
vuur gestookt van afval –



Hoe komt het, dat de verpletterende indruk die dit gedicht maakte, de eerste keer dat ik het las, niet verdwijnt? Hier is het niet de breedte van de vleugelslag, want ook een kleiner beest, zoals de plotseling optredende zevenslaper (een muis) of een rouwmantel (een vlinder) vermag dat. Misschien komt het voor een deel door de verandering van het grootse van de machtige vleugels in ‘hulpeloos dons’? De dichter krijgt van de muze een uil cadeau. Een dode uil. Wat doet hij ermee? Hij blijft het antwoord niet schuldig en schrijft een gedicht vol tegenstellingen: voorjaar tegenover verwinterde huis, thuiskomen tegenover ontsluiten, verteerde mee-eters in verstrikte webben, hij zet de machtige vleugels tegenover het hulpeloos dons, de vloer en het karkas, om in de laatste strofe een vuur te stoken. Wat daar in de verzwegen rook opgaat, is niet moeilijk te raden. Na de prachtige opsomming in de eerste twee strofes, met het klankspel (rijmvormen met ee, g /ch, ui, t), met de herinnering aan het eerste gedicht uit de bundel: ‘terwijl men / zijn vleugels openvouwt dichtvouwt terwijl men –‘, met de zeer concrete beelden: ‘hulpeloos dons’, ‘eeuwige bed’, doodlopend in het ‘proper karkas’ van de uil, herneemt de dichter in de laatste strofe op bijna laconieke toon het leven, en het mooiste daarvan is misschien dat hij zich niet neerlegt bij de dood, maar dat hij het afval van de uil omzet in het vuur van de poëzie. Niet alleen vereeuwigt hij de schrikmomenten die samengaan met het vinden van de uil, maar hij geeft die uil in taal ook zijn machtige vleugels terug. Kouwenaar doet hier wat Hans Faverey ergens zegt: ‘tegen de dood kan alles / worden ondernomen wat zich nu / nog verschuilt in zijn macht’.
In Prometheus schrijft Carry van Bruggen: ‘… in één enkel gedicht komen zo velerlei gevoelens en bedoelingen tot uiting dat het onmogelijk door één persoon kan worden begrepen en beoordeeld.’ Dat is natuurlijk helemaal zo, wanneer de dichter die nauwelijks benoembare gevoelens en bedoelingen, voor zover deze terminologie op de poëzie van Kouwenaar van toepassing is, min of meer verzwijgt. Kouwenaar laat het gedicht het werk doen en benoemt haast nergens de ‘velerlei gevoelens en bedoelingen’, te meer daar die zelden benoembaar zijn. ‘een winteravond’ drukt wellicht een soort verbazing uit over de tegenstrijdigheid van de stervende vlier (die al in ‘een geur van verbrande veren’ kwijnde en daarom beklaagd werd) en het inmiddels onverstoorbaar voortgaan van het leven, waarin de zevenslaper juist uit zijn winterslaap ontwaakt en de radio een gezongen overwinningsroes ten gehore brengt. Zijn het nu de verwarrende tegenstrijdigheden of is het dat ‘eenzelvige’ of het ‘vanzelfsprekende’ van het afscheid waardoor later de kamer ‘zwarter en later’ ervaren wordt? Het gedicht laat alle mogelijkheden open en laat ook de zintuiglijke ervaring van de ‘zwarter en later’ kamer geheel aan de lezer over, die achterblijft met hetzelfde gevoel van sterfelijkheid dat de dichter bewogen moet hebben. Waar het om gaat moet tussen de regels door gelezen worden.
Ook in ‘een geur van verbrande veren’ verzwijgt de dichter zijn gevoelens, hoewel het bijvoeglijk naamwoord ‘hulpeloos’ zijdelings wel iets laat zien. Het opruimen wordt echter nogal onverstoorbaar genoteerd en de uil tot afval gereduceerd, alhoewel de schijnbeweging naar het beklagen van de ‘kwijnende vlier’ ook wel weer iets laat doorschemeren.
De levenshouding die uit dit gedicht spreekt is gemakkelijk te verwarren met de berusting van iemand als J.C. Bloem. Er zijn echter wezenlijke verschillen. Bloems berusting is slechts schijnbaar, want ze gaat altijd gepaard aan verbittering, terwijl ik Kouwenaars houding liever stoïcijns zou willen noemen. Dat is fundamenteel verschillend van de berusting à la Bloem, maar ook van onverschilligheid. Als men de immer op taligheid gerichte critici mag geloven, getuigt Kouwenaars poëzie op het eerste gezicht van weinig rechtstreekse betrokkenheid, maar het aantal gedichten over vrienden die door zijn gedichten dwalen en de immer voor iedereen geldende, met het leven samenhangende thematiek, maken dat het niet moeilijk is te wijzen op de in het menselijk leven verankerde grondslag van zijn poëzie. Als het niet zo’n beladen term was, zou dat zelfs voorzichtig een humanistisch fundament genoemd kunnen worden, zoals Kouwenaar dat al eens eerder bescheiden formuleerde:

er zijn mensen en als ik zeg
ik bemin ze dan lieg ik
en als ik lieg ik bemin ze
dan spreek ik de waarheid
over één mens

J.C. Bloem publiceerde zo’n negen jaar voor zijn dood de bundel Afscheid, stopte met dichten en maakte zijn eigen aforisme, ‘dichten is afleren’ op een wel zeer cynische manier waar. Voor Kouwenaar geldt dat niet, zijn productie neemt weliswaar kwantitatief af, maar dat komt doordat hij een steeds grotere concentratie van taal nastreeft en die intensivering kost tijd.
Het belangrijkste verschil in levenshouding is dat dit bijna ambachtelijke werken getuigt van een aanhoudende vitaliteit. Hoewel de onderwerpen – het vergaan van de tijd, sterven(de vrienden), verval – er niet om liegen, wordt dit alles in de poëzie tot op het bot nieuwsgierig ontleed en onderzocht en waar dat kan ‘geconsumeerd’. Kouwenaars poëzie wijst het leven niet af, of keert er zich van af, ze doet er volledig aan mee. Zijn ‘berusting’ is geen berusting, maar hooguit verbaasde acceptatie van het gegeven dat de dingen gaan zoals ze gaan. Ik ken geen poëtisch oeuvre dat in de nazomer van zijn ontwikkeling zoveel imperatieven telt. Het besef van de sterfelijkheid leidt bij Kouwenaar tot de onverbiddelijke aansporing dat het ‘voortdurend vervangbaar aanwezige’ leven ten volle geleefd moet worden:

Eet nog van al dit mooie
voortdurend vervangbare aanwezige
en drink en bevat en verteer het

nu het vlees steeds vertrouwder
zich in de spiegel onteigent, de taal
verdwaalt in zijn oorsprong, de tijd
steeds sneller zich inhaalt zich uitstelt

zo volmaakt was het nooit
zo voldaan als ingeslikt water
en is het ook nu –

Dat zijn vijfenzeventigste verjaardag niet werd gevierd met een uitgebreide druk van zijn ‘verzamelde’ gedichten, maar met de uitgaven van helder maar grijzer en het kleinood een glas om te breken is dan ook een goede keuze. In een Verzameld Werk zet men de dichter bij, met deze uitgaven beaamt men zijn voortgang. Beide bundels zijn als het ware geënt op het oudere werk, zoals ook de oude vlier, nadat er poëtisch vuur uit hem geslagen werd, zich op een nieuwe bloei mocht verheugen:

een voorjaar

Eindelijk voorjaar, juichte de vlier in de bloei
van zijn leven nadat zijn verkankerde stamvader
die winteravond in stilte verast was

omhoog kijkend door zijn meelevende uitwas
zag hij zijn bestaansgrond de hemel aanraken
met onwennige tuilen, bleek als zijn merg

hij bloeide wat hij ontgroeid was, aan duivelsbrood
had hij geen boodschap, kindersneeuw gaf hem voorsmaak
van engelkruid manna bloedmarmelade

’s avonds bij maanlicht omlaagziend zag hij vertederd
hoe achter zijn dunne luizige nakroost de wit
beschimmelde klompvoet zijns vaders, totaal
des geestes, er blijvend geweest was –

DE TAAL IN, IN DE TAAL


Er schuilt wel enige ironie in dat het G. Sötemann moet zijn die in zijn bundeling essays, Verzen als leeftocht, over Kouwenaar schrijft: ‘Hij wordt te veel en te vaak vastgenageld op uitspraken als ‘het gedicht als een ding’ en ‘alle persoonlijke tarra eruit halen’ en die wijst op de ‘rechtstreekse menselijke betrokkenheid […] - al van het eerste vers af dat hij in zijn Gedichten 1948 – 1978 heeft bewaard.’ Niet alleen Kouwenaar heeft immers met zijn halfgeciteerde uitspraken bijgedragen tot de beeldvorming van een ‘kille’ dichter, maar Sötemann heeft daar ook zijn steentje toe bijgedragen door in zijn Over poëtica en poëzie (1985) Kouwenaar te plaatsen in wat hij noemt ‘de zuivere’, ‘de autonome’ traditie: ‘een dergelijke beschouwingswijze is alleen mogelijk op basis van een bepaalde taalconceptie. In de eerste plaats ziet men de taal, de woorden als een zeer specifiek materiaal – het enige materiaal waarmee een dichter kan, en moet, werken, maar als een materiaal tezelfdertijd dat principieel onderscheiden en gescheiden is van de voorwerpen en gebeurtenissen in de werkelijkheid om ons heen enerzijds, en van het abstracte denken anderzijds.’
Natuurlijk is poëzie in eerste instantie taal, maar het is in de loop der tijd gebruik geworden Kouwenaars werk uitsluitend als talig te bestempelen, alsof hij niets anders doet dan ‘het gebruik van woorden’ ‘onderzoeken’. Inmiddels is er bij recensenten gelukkig een kentering te bespeuren en begint het idee dat de wisselwerking tussen taal en werkelijkheid in het werk van Kouwenaar veel groter is dan wel werd aangenomen, post te vatten. Zijn ‘taligheid’ is geen ‘hermetisme' dat lezers zou buitensluiten; zijn besef dat de taal geen één op één weerspiegeling van de werkelijkheid kan zijn, maakt dat hij een steeds grotere concentratie nastreeft om het onbenoembare moment zo goed mogelijk te verduurzamen. Een opvallende ontwikkeling daarbij is dat Kouwenaars taalgebruik steeds eenvoudiger lijkt te worden. En dat is iets totaal anders dan enkelvoudiger, want de woordkeus mag nauwelijks moeilijkheden opleveren, wat Kouwenaar met die woorden probeert te formuleren wordt eerder complexer dan eenvoudiger. Het taalgebruik in een gedicht als ‘een voorjaar’ levert toch nauwelijks problemen op? De enkele onbekende woorden zijn op te zoeken. Dat ‘duivelsbrood’ een paddenstoel moet zijn, en ‘engelkruid’ een plant, is zelfs zonder naslagwerk te begrijpen. Dat het hemelse brood (‘manna’) dan ook een tegenstelling vormt met de paddenstoelensoort is ook gemakkelijk te zien en de neologismen ‘kindersneeuw’ en ‘bloedmarmelade’ zijn ook gemakkelijk te herleiden tot sneeuw uit de kindertijd en kapot geslagen valfruit. De complexiteit van het gedicht zit hem in de onuitsprekelijke manier waarop de oude en de jonge vlier in en met elkaar vervlochten zijn, door Kouwenaar geraffineerd verbeeld in het letterlijk verwarrende spel met de verwijswoorden ‘jij’, ‘hem’ en ‘zijn’. De Droogstoppel die per regel gaat uitzoeken waar de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden naar verwijzen, hakt de Gordiaanse verknoping waar het om gaat, aan stukken.
Ook in dit gedicht is de band met de realiteit groot. De ‘anekdote’ van de twee vlieren is gemakkelijk samen te vatten, maar wat Kouwenaar naar aanleiding daarvan probeert te zeggen is aanmerkelijk ingewikkelder: de verknoping van dood en nieuw leven, de relaties daartussen, die, als de lezer wil, in het gedicht metaforisch aan de orde worden gesteld en dus ook op menselijk leven betrekking kunnen hebben... Het gaat niet om de anekdote, het gaat om wat de dichter er uiteindelijk mee doet, ook hier willen de woorden ‘wat doodzwijgt verstaanbaar maken’.
Gerrit Komrij schrijft in In Liefde Bloeyende, naar aanleiding van Kouwenaars gedicht ‘Men moet’ onder meer:

Om die [Komrij verwijst hier naar een aantal antithesen] zaken ging het natuurlijk altijd al bij Kouwenaar. Om het gedicht als een soort object. Als een constructie – en niet als een uitstorting van gevoel. Het moet voor de Kouwenarianen niets minder dan een heiligschennis zijn om te vragen naar emotie en mededogen. Ze zijn er tevreden mee als bij de maestro de woorden binnen het spanningsveld van een gedicht op hun stoffelijkheid geëxploiteerd kunnen worden. Voor hen is poëzie in de eerste en de laatste plaats een onderzoek naar de organisatiemogelijkheden van verbale structuren. Ik noem maar wat theoretische prietpraat. Helemaal onzin is zo’n zienswijze op de poëzie niet – al komt het theoretiseren vaak neer op het vaststellen dat de regen nat is en de bal rond.
Het gaat in gedichten altijd om woorden en om wat die elkaar binnen een gedicht al of niet aandoen. Gedichten worden niet geschreven met bananen die elkaar in een boom met de rug aankijken. Waar de ware gelovigen zich eigenlijk tegen verzetten is tegen het soort poëzielezers dat van een gedicht uitsluitend troost, een wijze les of een fysieke ontroering – met echte tranen – verlangt. Maar zijn zulke poëzielezers er nog? […]
De moderne lezer ontkomt er niet aan – het is automatisme geworden – alle poëzie te lezen in het bewustzijn van wat er de laatste eeuw op poëtisch gebied is gebeurd. Mallarmé, Dada. Ook bij de zogenaamd verhalende of anekdotische poëzie kijkt hij mede naar de vormen en structuren. naar de permanente exploratie van de stoffelijkheid, om het bombastisch uit te drukken. Wie dat niet doet – op die manier lezen – is een achterlijke poëzielezer. De verdedigers van Kouwenaar – vaak Kouwenaarder dan de meester – zijn wat dat betreft ook meestal bezig met schijngevechten.
Een gedicht als ‘Men moet’ bewijst het achterhaalde en vruchteloze van de discussie. Het gedicht als een zelfstandig iets of het gedicht als een manier om te communiceren – het gaat niet om het een of het ander, het is ook niet het een en het ander, het gaat om de spanning tussen beide. Een spanning die er op berust dat men iets openlaat. ‘Men moet’ is een gedicht dat niet kiest tussen opstandigheid en berusting. ‘Men moet’ – we kunnen het lezen als gij zult en als je mag. Als een laatste gebod of als een laatste troost. Maar de dichter schrijft geen van beide, hij schrijft Men moet – en elke interpretatie doet het gedicht te kort, hoeveel het voor een lezer ook kan betekenen en hoe legitiem het voor hem ook is om het naar-zich-toe te interpreteren, in de geest van zijn gevoelens.’

De retorische vraag (Maar zijn zulke poëzielezers er nog?) die Komrij stelt, moet natuurlijk ontkennend beantwoord worden, al was het alleen maar omdat hij hun toeschrijft uitsluitend troost te zoeken. Maar troost bieden, dat doen de gedichten van Gerrit Kouwenaar óók, op een tegendraadse manier. Het werk van Kouwenaar doorleeft de sterfelijkheid en ‘helpt’ daarmee. Dat de stamvader zijn hemelbestormende uitwas als bestaansgrond ziet, troost mij althans wel degelijk.
Het is evengoed de vraag of die andere poëzielezers, die uitsluitend op zoek zouden zijn naar ‘de organisatiemogelijkheden van verbale structuren’, de ‘Kouwenarianen’ zoals Komrij ze noemt en van wie hij een niet ongeestige karikatuur schetst, nog bestaan. In de hier laatst geciteerde alinea komt Komrij tot een mooie synthese van de verschillende poëzieopvattingen en het is een aardige coïncidentie dat dit juist gebeurt naar aanleiding van een gedicht van de dichter die gebruikt werd om de diverse denkbeelden zo scherp mogelijk tegenover elkaar te zetten.

EEN VOLSTREKT HELDER RAADSEL

Over het algemeen heb je in poëzie niet zoveel aan abstracties, omdat die veelal benoemen wat niet benoembaar is of te ongenuanceerd uiting geven aan een gevoel dat door het woord zelf nauwelijks opgeroepen wordt. Het ware raadsel schuilt vaak in de concrete zaken. Een gedicht over het besef van en de schrik voor sterfelijkheid met de woorden ‘schrik’ en ‘sterfelijkheid’ er in, ‘doet’ minder dan concrete regels als ‘terwijl // men nog dagen kijkt naar zijn huid, overal / gaten die er gister niet waren’. Op verwijzingen naar de grote abstractie ‘tijd’ na, is Kouwenaars poëzie meestal buitengewoon concreet en zintuiglijk, maar een dichter moet van goeden huize komen als hij de woorden zo veel lading mee wil geven dat het gedicht ook daadwerkelijk ‘werkt’. Dat Gerrit Kouwenaar in mijn ogen één van de allergrootsten is, komt daardoor. Het komt ook doordat hij de woorden zo kiest dat ik iets zie, wat ik nog niet wist, of juist al wel, maar nog niet bewust, op die manier. Een regel als ‘men proeft het rijpe woord meloen’ is wel aangegrepen om het ‘talig tasten’ van de dichter weer aan de orde te stellen, maar, zo schreef de criticus, ‘de context maakt aannemelijk dat er in deze regels ook een echte meloen bij de dichter op tafel moet hebben gelegen, waarvan wel degelijk geproefd is.’ Het is wel duidelijk dat de recensent opnieuw worstelt met de relatie tussen het gedicht en de werkelijkheid. Het is dan ook grappig dat hij zijns ondanks noteert dat er in deze regels een echte meloen op tafel gelegen moet hebben. Aan een andere mogelijkheid wordt voorbijgegaan: mits de context de juiste is, kan het woord ‘meloen’ de gewaarwording van de smaak al oproepen, de woorden zijn in staat het moment terug te roepen. In het geval van Kouwenaar moet je dan oppassen, voor je het weet noteer je: gewaarwoording.
Er gebeurt iets onbeschrijfelijks wanneer Gerrit Kouwenaar woorden aanraakt:

helder, voorgoed, het tijdelijk huis, zozeer vandaag
dat de foto beweegt, het oog zich onteigent

de lange schim in zomerpak, beige
als een engel, stapt in de cirkel, klapt
in zijn handen, dooft lampions

thuiskomen, thuis moeten komen, afscheid nemen, weg
moeten wezen, gaten waar licht was, namen
vergeten, nog even

de nadorst van limonade, dan weerlicht, lood
zware vleugels, haastige wijzers, voor
pret van doden, voorsmaak van raadsels –

Een foto die het verleden, een verjaardagsfeestje, doet herleven. De vader, menigmaal bezongen in gedichten, treedt op en maakt er een eind aan. Hij roept daarmee bezien vanuit het heden een voorecho op van al het afscheid dat in de toekomst nog te wachten staat, de tijd zal nog gaan vliegen. De vader wordt ‘een beige engel’. Bij menig poëet wordt zo’n engel een metafysisch wezen, of blijft de vergelijking steken in het gewone metaforische taalgebruik dat we in het dagelijks verkeer kennen als aanduiding voor iemand die we liefhebben, maar doordat we niet gewoon zijn daar onze vader mee aan te duiden en door de combinatie met het onverwachte woord ‘beige’ gebeurt er tegelijkertijd meer: in het gedicht krijgt die figuur een engelachtigheid die zijn weerga niet kent. We hebben hem lief, maar ‘de boodschap’ die hij brengt is niet mals.
Dat heeft alles te maken met de spankracht van de taal zoals Kouwenaar die weet te bereiken. Daarop is eindeloos te studeren, maar het geheim geeft zich nauwelijks prijs. Zijn gedichten hebben vaak een ongelofelijke vanzelfsprekendheid, alsof ze er altijd al waren, omdat het niet anders gezegd kan worden. ‘Zo helder is het werkelijk zelden,’ schrijft hij ergens zelf. Uit te leggen is die combinatie van spankracht en helderheid ook al niet, of het moet door middel van een vergelijking. Enige tijd geleden was er een reclame op de televisie waarin Picasso in één krachtige beweging op een glazen plaat een gebogen lijn schilderde. Op hetzelfde moment was duidelijk dat het een stierenrug ‘was’. Zo vanzelfsprekend was de spankracht in die lijn. Iets dergelijks is er te zien aan de inktschetsen die Rembrandt van beestenspul maakte. Wie ooit geprobeerd heeft Rembrandts leeuwenrug, één lijn, na te volgen en gestrand is bij de verbeelding van een doorgezakt fauteuiltje, weet dat hij de vanzelfsprekendheid van de Rembrandteske lijn niet kan evenaren. Zó ziet de kracht van een leeuwenrug eruit. Kouwenaar schreef in een gedicht voor en over zijn broer, de schilder David Kouwenaar: ‘soms zou men willen dat men schilder was’, maar tussen de beeldende prestaties van Picasso en Rembrandt en het poëtisch werk van Kouwenaar is wel een fundamenteel verschil. De hier genoemde schetsen kwamen in één keer tot stand en aan de gedichten van Kouwenaar wordt, paradoxaal genoeg, lang gewerkt om ze de juiste spankracht en vanzelfsprekendheid te geven. Hoe lang de dichter wikt en weegt is te zien aan kleine wijzigingen ten opzichte van versies die in een tijdschrift verschenen. Nadat ‘al met aarde besmet’, het gedicht over de dood van zijn moeder, in Raster gepubliceerd was, veranderde hij een tegenwoordige tijd in een veelbetekenende verleden tijd en ruilden twee woorden van plaats, om het maximum effect te bereiken. Ook in de versies van het gedicht voor Hans Faverey, ‘afscheid’, zoals die in de eerste druk van de oorspronkelijke bundel en in de verzamelbundel verschenen, zit een verschil,- het laatste woord ‘vereeuwigden’ moest uiteraard veranderd worden in ‘onteeuwigden’, want met dit neologisme staat er wat er moet staan. Maar leg het maar eens uit. Zo’n woord loopt vol met betekenis, nog meer dan het woord dat er stond. Dat ‘vereeuwigen’ legt iemand vast in de tijd, ‘onteeuwigen’ onttrekt iemand aan de tijd. Achteraf bezien vreemd, dat het woord niet al bestond, zo vanzelfsprekend als het is. Op een zelfde manier lopen ook gedichten vol betekenis:

Zo helder is het werkelijk zelden, men ziet
het riet wit voor de verte staan

iemand klopt aan, vraagt water, het is
een verdwaalde jager

het antwoord is drinkbaar, zijn kromme weg
uitlegbaar in taal

in zijn weitas een bloedplas, het water
verspreekt zich al pratend in wijn

kijk, zegt hij, omstreeks het riet wijzend bij wijze
van afscheid, dit is een rouwmantel

later staat daar zijn glas nog, men ziet
het riet en eet wat –

Het is een zo goed als niet te interpreteren gedicht, terwijl de anekdote, alweer, zo na te vertellen is, want die staat er letterlijk in: een verdwaalde jager vraagt de weg en lust wel een glaasje water, lest zijn dorst, krijgt ook nog een glas wijn en vertrekt weer. Maar met welke gevoelens laat hij ‘men’ achter? Met welk idee blijft de lezer achter? Is die weg van de jager alleen krom omdat hij verdwaald is, of spelen hier slinkse paden een rol? De vertrouwelijkheid die blijkt uit de verstrekking van wijn – wordt die beschaamd, want het water verspreekt zich in wijn, alsof het een vergissing is. Als hij weggaat, wijst hij op de rouwmantel. Kouwenaar kiest de in een gedicht op te nemen natuurelementen zorgvuldig met het oog op wat de namen aan betekenissen het gedicht in kunnen brengen. Men denke aan de zevenslaper die ook bekend is onder de naam relmuis of glis glis, met welke woorden Kouwenaar in ‘een winteravond’ natuurlijk niets kon aanvangen, of aan het engelkruid en duivelsbrood uit ‘een voorjaar’. De Nederlandse naam van de Nymphalis antiopa krijgt hier samen met de bloedplas omineuze allures. Laat de jager vlees achter en kauwen we daar later op, terwijl we aan het bezoek een vaag gevoel van onrust overhouden, waarover we nog peinzen? Vragen, raadsels en toch: zo helder is het werkelijk zelden. Zoals gezegd: eenvoud is iets anders dan enkelvoudigheid.



ONBEPAALD VOORNAAMWOORD

In de afdeling ‘heden, een fotoalbum’ uit 100 gedichten (1969) en in data / decors (1971) is al zichtbaar dat de dichter soms worstelt om het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’ te ontwijken. In ‘heden, een fotoalbum’ wordt dat naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt doordat de ‘ik’ niet meer samenvalt met de ‘ik’ die hij op de foto’s ziet. Gedichten uit data / decors bevatten geen persoonlijke voornaamwoorden of Kouwenaar hanteert de wij-vorm. In landschappen en andere gebeurtenissen (1974) zien we langzamerhand de vorm die door Kouwenaar gemunt is verschijnen. Hij vervangt ‘ik’ door ‘men’. De vervanging van het persoonlijk voornaamwoord door het onbepaald voornaamwoord heeft mede bijgedragen tot de beeldvorming rond Kouwenaars oeuvre als zou dat ‘onpersoonlijk’ en ‘afstandelijk’ zijn. In helder maar grijzer is het gebruik van ‘men’ volstrekt dominerend en toch maakt juist die verzameling absoluut het tegendeel van een terughoudende indruk. Dat komt niet alleen door de op het menselijk leven geënte thematiek, maar het heeft ook te maken met het gebruik van ‘men’.
Het gebruik van ‘men’ stond in de bundels uit 1969, 1971, 1974 en 1978 (volledig volmaakte oneetbare perzik) in dienst van een zekere relativering van ‘ik’, dat heeft zich in de latere bundels doorgezet, maar tegelijkertijd geeft het toepassen van de men-vorm de lezer meer ruimte tot betrokkenheid. Er is dan niet alleen een ‘ik’ waar men buiten blijft, in ‘men’ zijn de dichter en de lezer samen besloten. Tegenstrijdig genoeg wordt het werk er persoonlijker door. Er is dan ook geen andere dichter die gelegenheidsgedichten zo’n algemene waarde kan geven. Die ‘men’ wordt een Elckerlyc:

tijden

Als men terugkomt is men een ander
denkt men terwijl men het huis sluit
het licht inpakt de zomer verzegelt
het tuinhek prijst om zijn ijzer

deze slak op de drempel zal er nog zijn
de ijskast zal blaffen de hitte blaten
de hond zal zuchten en zijn sterven
hervatten als men terugkomt denkt men

Kouwenaar heeft het gebruik van ‘men’ een plaats in de Nederlandstalige poëzie gegeven en er daarmee iets aan toegevoegd. Tezelfdertijd heeft hij dat zo dwingend gedaan dat het een onvervreemdbaar stijlverschijnsel van zijn eigen poëzie is geworden. Hij heeft zich de exploitatie van ‘men’ toegeëigend en deze daarmee ook weer van de poëtische taal afgenomen. Andere dichters kunnen het woord nog nauwelijks gebruiken, want ze lopen onmiddellijk het gevaar van epigonisme te worden beschuldigd. Wanneer J. Bernlef een gedicht voor Gerrit Kouwenaar wil schrijven begint hij dan ook met ‘Men is …’. Kouwenaar heeft het gebruik van ‘men’, in een woord van hemzelf: ‘onteigend’.

SELA

Min of meer hetzelfde geldt voor het gedachtestreepje waar Kouwenaar zijn gedichten mee afsluit, ook dat kan een andere dichter nog nauwelijks gebruiken zonder de verdenking op zich te laden Kouwenaar te goed gelezen te hebben.
Een punt gebruikt hij al lang niet meer, gedichten eindigden domweg in het wit van de bladzijde, maar het gedachtestreepje dat tegenwoordig de gedichten afsluit en niet-afsluit (tenzij ze deel uitmaken van een reeks) laat nog nadrukkelijker zien waar het om gaat. Het streepje maakt duidelijk dat het gedicht ‘maar’ een momentopname is en dat het maar een ‘voorlopige’ status heeft. Het past in de ontwikkeling van het steeds meer opsommende karakter van Kouwenaars gedichten, waardoor de tijdstroom in een staccatoritme verbeeld wordt. Het wijst nog eens op ‘het ogenblik: terwijl’. Het verhaal loopt voor even vast, zoals de psalmist in zijn tekst even pauzeert met het woord ‘sela’. Hier haperde het leven even, maar het gaat verder, want:

men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

Gerrit Komrij noemde het gedachtestreepje achter dit gedicht het luidruchtigste leesteken dat hij kent.
De tijd staat open, zegt dat laatste leesteken. Evenals het gedicht plaatst het ons even ‘buiten de tijd’, maar het maakt ons tegelijkertijd bewust van het tijdelijke, hierna gaan we verder, ‘de pleisterplaats is onderwijl’. Dit is tevens de strekking van een van de gedichten uit het blindst van de vlek. Een aire de repos is een rustplaats langs de Franse autoweg:

aire

Laat in het najaar tot stilstand gekomen
is het nog niet laat

het gegeven bos dat uit bomen bestaat
de gelezen steil oplopende akker daarachter
die de verte opheft

uitstappend loopt het verhaal
vast in een komma: windschaduw, sela, wit
regel tussen aankomst en weggaan

de betrapte brief op het pad een blad
tussen bladeren, echo nog oor, geen woord
dat verwijst, zelfs geen hek ergens voor
verraadt dat het later, hoe het ontknoopt –

De pleisterplaats stelt de definitieve ontknoping nog even uit, tot later, maar voorlopig zien we door het bos de bomen nog wel, even.

TENSLOTTE

‘het vlees […] bestaat als sneeuw voor de zon’. In het kader van dit memento mori zet Gerrit Kouwenaar zo nu en dan even de tijd ‘klem / […] in tweelicht witslag gedachtestreepje’. Zijn poëzie leeft de notie van sterfelijkheid en gromt in het besef dat ‘men jaren bezig / [is] de mokerhamers in te vetten –‘: ‘besta het huis’. In zijn poëzie worden de ervaringen die dat waard zijn ‘gekeeld’, dus zowel ‘gedood’, als stem gegeven, want een paar momenten zijn duurzaam. Die momenten zijn te vinden in de werkelijkheid en te herleven in en door Kouwenaars gedichten. Ook die gedichten zelf worden daarmee van die duurzame, verbazingwekkende momenten om te leven en te lezen.

Literatuur

Gerrit Kouwenaar, Gedichten 1948 – 1978. Querido, Amsterdam, 1982.
Gerrit Kouwenaar, helder maar grijzer, gedichten 1978 – 1996. Querido, Amsterdam, 1998.
Gerrit Kouwenaar, een glas om te breken. Querido, Amsterdam, 1998.
Rein Bloem, ‘Gerrit Kouwenaar: Van ding naar taal naar ding’. In: Literair Lustrum I, samengesteld door Kees Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira, J.J. Oversteegen. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1977.
Jan Kuijper, ‘Poëzie is altijd een kwestie van sommigen. Over Ouwens, Kopland, Faverey, Kouwenaar, Vroman.’ In: Het literair klimaat 1970 – 1985, onder redactie van Tom van Deel, Nicolaas Matsier en Cyrille Offermans. De Bezige Bij, Amsterdam, 1986.
Tomas Lieske, ‘Een heester van vertwijgde kansen. De poëzie.’ In: Het literair klimaat 1986 – 1992, onder redactie van Nicolaas Matsier, Cyrille Offermans, Willem van Toorn en Jacq Vogelaar. de Bezige Bij, Amsterdam, 1993.
R.L.K. Fokkema, Het komplot der vijftigers. Een literair-historische documentaire. De Bezige Bij, Amsterdam, 1979.
Redbad Fokkema, Aan de mond van al die rivieren. Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1999.
Gerrit Komrij, In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige verzen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 1998.
Wiel Kusters, Een tuin in het niks. Vijf opstellen over Gerrit Kouwenaar. Querido, Amsterdam, 1983.
Wiel Kusters, De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar. Querido, Amsterdam, 1986.
A.L. Sötemann, Over poëtica en poëzie. Groningen, 1985.
A.L. Sötemann, Verzen als leeftocht. Over Gerrit Kouwenaar. Historische Uitgeverij, Groningen, 1998.

Foto: Keke Keukelaar ©

Eerder verschenen in: Bzzlletin 268, 1999

maandag 31 maart 2008

Vrij naar de natuur geschilderde verzinsels. Over poëzie van Antoine A.R. de Kom

Ogier de Gombaud

De eerste bundel van Antoine A.R. de Kom, Tropen (1991), opent met twee reek­sen: 'Ogier de Gombaud' en 'Sir Walter Ralegh', twee personages dus.
Wie is Ogier de Gombaud? Ik heb geen flauw idee. Zijn naam ziet er authentiek uit en de toevoeging boven de reeks, 'aan Lodewijk XVIII van Frankrijk, 24 april 1815', doet vermoeden dat Ogier op die datum wellicht een brief aan de koning heeft geschreven die ergens gepubliceerd is en dat de dichter deze tot een reeks van drie gedichten heeft omgewerkt.
Het is helemaal niet nodig op jacht te gaan naar de historische De Gombaud, want het 'verhaal' van de reeks is zonder moeite samen te stellen: Ogier de Gombaud is een simpel grena­dier die in 'de' val liep die voor Bonaparte was bedoeld. Met een schoener, Cybèle, werd hij naar Cayenne (in Frans Guyana) gebracht, waar hitte en muskieten zijn deel zijn. Nu schildert hij prenten van exotische vogels.
Of dit alles 'waar gebeurd' is, doet er misschien voor een historicus toe, voor de lezer van de gedichten is het antwoord op die vraag van weinig belang,- het gaat er om wat de dichter in taal met zijn stof doet.
De Kom kruipt in de huid van Ogier de Gombaud en schrijft:

Sire, mijn lot: dat ik ben, noch denk, leef
zo leeg als een schedel, gerot en verdoemd

Hij zet met behulp van het aloude adagium 'Ik denk, dus ik ben' de taal op spanning door de eenvoudige toevoeging van 'noch'. Door die ontkenning wordt 'dat ik ben' alsnog ook ontkend en door 'leef' er op te laten volgen ontstaat er de paradoxale formulering: ik leef zo leeg als een gerotte, gedoemde schedel en daarom ben ik (er) niet en denk ik niet. In de tweede strofe herneemt 'Ogier' zijn eerdere formulering:

Mijn lot. Dat ik denk, dus ben, leef
Leeg als een schedel. Verrot. Gedoemd

Dat is een verheviging van de eerder geformuleerde bewustzijnsvernauwing: het besef van het ledig lot sluipt in de formulering die denken, zijn en leven samentrekt met 'leeg als een schedel'.
In het tweede gedicht komt ook zo'n spel met een bekende formulering voor:

Vrij, gelijk en broederlijk? Beroerd. Slik,
Hitte en muskieten zijn mijn deel, dat wat
Napoleon met harde hand Continentaal
Verklaarde - het werd mij ontzegd. Ach, ik

Was van geen belang; hij heeft beschikt
Zich tóch vergist: niet hij bedacht
Mijn straf - heb ik mijzelf dan niet verbannen?
Vrij ben ik, gelijk en broederlijk, ik zit

Ga, sta, volg eigen wet. Beschik
Over mijn eigen onderdanen: echt bestaande
Vogels in plat vlak gevangen, stram, betrapt
Met prooi en al, vrij naar de natuur geschilderde
Verzinsels op velijn, staande in 't slik, zo ik.

'Broederschap' wordt meteen omgezet in 'beroerd', de ideële leus 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' verkeert in zeer aardse tegendelen: slik, hitte en muskieten en wordt met het woord 'continentaal' op enorme afstand gezet. Juist wanneer 'Ogier' zichzelf geheel lijkt te willen wegcijferen, is er een kentering en neemt hij het lot in eigen hand door het Franse devies naar zijn hand te zetten: volgens zijn eigen wetten is hij vrij, gelijk en broederlijk en beschikt hij, evenals Bonaparte en de koning, over onderdanen. 'De mens wikt en God beschikt' wordt bijgesteld tot: Napoleon heeft beschikt, ik wik niet langer, maar beschik nu zelf.
Dan doet opnieuw de taal zijn werk: 'echt bestaande / vogels in plat vlak gevangen'.
De vogels, vaak gebruikt als symbool voor vrijheid, zijn hier beeld voor wat 'Ogier' overkwam ('zo ik'), dat is wat hij in de vogels herkend moet hebben: 'gevangen, stram, betrapt'. Hier gebeurt echter ook met de vogels wat in een gedicht met de werkelijkheid gebeurt: de realiteit wordt van zijn dimensies ontdaan en vast gezet, of zoals het in het derde gedicht heet: 'in beweging stilgezet'. De vogels mogen 'echt bestaan', hier zijn ze gevangen in de paradox van schilderij en gedicht: weliswaar 'naar de natuur' ('Ware grootte, / Juiste kleuren' staat er in het derde gedicht), maar tegelijkertijd vrije verzinsels, hetgeen onder andere te zien is aan het gestoei met de namen van de vogels in het derde gedicht: 'boomeend, rotshaan en moerastiran' uit regel 6 worden in regel 10: 'boomtiran en rotseend', alsof hun identiteit onzeker is. Zo ziet 'Ogier' de vogels, zo ziet 'Ogier' zichzelf, zo ziet Antoine de Kom Ogier.
Het derde gedicht eindigt: 'Terwijl de verf droogt klinkt rond / Mijn hoofd gezoem dat luider wordt: o Sire, een wesp / Kruipt op papier over 'n vogel die 'n wesp opeet.' Als die wesp een beeld is voor de werkelijkheid, dan wordt die op het schilderij vernietigd, maar blijft buiten beeld onverminderd actief. Is de werkelijkheid uiteindelijk sterker, of blijft ze straks ook in de verf steken? De Kom laat het zorgvuldig in het midden, terwijl hij met het personage 'Ogier de Gombaud' inmiddels het beeld opgeroepen heeft van een banneling die met zijn brief en zijn schilderijen de leegte van zijn bestaan te lijf gaat, in de wetenschap dat hij die in beweging stilzet. Op papier wordt de wesp van de werkelijkheid opgegeten en desalniettemin opgeroepen.

Sir Walter Ralegh
Nadat hij in ongenade gevallen was, ging Sir Walter Raleigh (ook wel gespeld als Ralegh of Rauley) eind zestiende eeuw, tijdens het bewind van koningin Elisabeth, scheep om El Dorado te ontdekken. Zijn reis in en naar de volkomen onontgonnen gebieden van Zuid-Amerika mislukte uiteraard en om zijn falen te maskeren schreef hij The discovery of the empyre of Guiana,
in welk boek hij suggereerde dat hij het pad gebaand had en dat de ontsluiting van El Dorado nu gemakkelijk plaats zou kunnen vinden. Een en ander verbeterde zijn positie bepaald niet. Jacobus I veroordeelde hem wegens vermeende deelneming aan een komplot ter dood en na dertien jaar gevangenisstraf vertrok hij (in 1616) opnieuw. Doordat hij bij de Orinoco in gevecht kwam met de Spanjaarden mislukte ook deze expeditie jammerlijk en zodra hij terug was in Engeland werd hij onthoofd.
De tweede reeks uit Tropen bestaat uit acht zesregelige gedichten onder de titel 'Sir Walter Ralegh' die steeds eindigen met een verwijzing naar zijn naam. Het tweede gedicht luidt:

Ik taal naar rare zaken,
Kan de speelbal van gedachten zijn,
Een slachtoffer van woorden die mij raken,
Waardoor ik aangeslagen blijf
Staan: hoofd van averij gekanteld,
O die herrie van binnen - ik, Ralegh

Nu zou je bij dit gedicht nog kunnen denken dat het naar de historische Raleigh verwijst. Ook hij taalde naar 'rare zaken' als El Dorado dat blijkbaar de speelbal van zijn gedachten was. Hij werd geraakt en aangeslagen door beschuldigingen en het kost niet al te veel moeite in de vijfde regel zijn hoofd, waarin het nogal gegonsd moet hebben, te zien rollen. Maar Antoine de Kom taalt zelf naar 'rare zaken', want de status van de ik-figuur in deze reeks staat niet vast. In het begin heeft deze nog het meeste weg van Sir Walter Raleigh, maar in het vijfde gedicht heet hij 'Ik, roerganger' en spreekt het gedicht de onzekerheid ook uit: 'O die twijfel, wie ben ik - Sir Walt...?'. Het zevende gedicht zegt: 'een verlaten schip / Zal ik blijven' en: 'ik ontdekker van wat kwam noch bleef, / Ik, afwezige, die de zee in zich heeft'. Het laatste gedicht eindigt met: 'de SIR WALTER RALEGH' en maakt, door de simpele toevoeging van het lidwoord, van het personage een vergaan schip.
In de reeks spelen hedendaagse begrippen als 'neonlicht', 'barpersoneel', 'tijd voor Martini' een rol.
Wie dus enige notie heeft van Raleighs leven 'ziet' hem en zijn tijd in de loop van de reeks samenvallen met het hedendaagse wrak van een schip dat zijn naam draagt.

De glorie van dit wrak

Wat bezielt een hedendaags dichter om zich eerst te vereenzelvigen met een banneling die de werkelijkheid te keer probeert te gaan met een schijnwerkelijkheid, om vervolgens twee andere 'mislukkelingen' (de man en het schip) tot precies zo'n schijnwereld te versmelten? Hans Lodeizen wist het antwoord. Hij gaf het in:

Oneerlijk zeemansgraf

een paar momenten van de dag lukt
het mij te vluchten in een nieuwe wereld
daar zucht ik niet langer en is er geen
stem meer in mijn rug hoewel ik weet
dat ik terug moet maar ik huil niet.

als ik in deze wereld nu maar wat
langer kon blijven en elke dag weer
langer totdat ik van de gewone
wereld nog wel eens droom als een
kind dat 's avonds nachtmerries heeft,

maar niet meer in haar kan geloven,
omdat ik iets beters heb iets meer waard,
een schat gevonden waarin niemand
geloofde goud op de bodem der zee
van een schip vergaan niemand wist het

en dan zal mijn geluk ook zijn als
de glorie van dit wrak, een donkere
schim zwevend op de bodem der oceaan
een graf van dappere zeelieden wier
goud hun lijken als een lamp versiert.

Die 'nieuwe wereld, iets beters,' zou, zowel bij Lodeizen als De Kom, wel eens de wereld van het gedicht kunnen zijn. Opvallend is natuurlijk dat beide dichters als alternatief voor 'de gewone / wereld' in een wrak terecht komen. 'Iets beters [...] iets meer waard'? Lodeizen vergelijkt zijn dichterlijk geluk in een paradoxale formulering met 'de glorie van dit wrak'. De Kom en Lodeizen hebben blijkbaar oog voor de dramatiek, het grootse en de schoonheid van het verval, van de mislukking, zoals Baudelaire dat 'gezien' moet hebben toen hij een karkas subliem noemde en het vergeleek met een bloem die zich opent.
De Kom, Lodeizen en Baudelaire zijn het ook eens over de mislukking van het gedicht. Baudelaire schreef 'De albatros' en stelde daarin onbarmhartig dat de reuzevleugels van de dichter hem in Lodeizens 'gewone wereld' danig in de weg zitten. De Kom noteert via 'Ogier' het inzicht dat in verf en in woorden de beweging (van de vleugels) wordt stilgezet. Lodeizen schreef, doelend op de wereld van het gedicht: 'o - mijn vriend - deze wereld is niet de echte' en houdt in 'oneerlijk zeemansgraf' voorzichtig slagen om de arm: 'als [...] kon [...] dan zal [...].
De romantische notie dat een gedicht werkelijk zo'n 'nieuwe wereld, iets beters' kan realiseren, zal wel niemand meer aanhangen, maar dat een gedicht die nieuwe realiteit kan zijn, heb ik nog nooit iemand horen bestrijden. Het is dan ook geen mislukte poëzie, het is poëzie van de mislukking. De poging die het gedicht is, mislukt, maar het gedicht zelf lukt. De poging het verleden terug te laten keren, loopt stuk, maar het gedicht is er:

Ik wacht op de verleden tijd. Eerst
Zit ik in rotan stoelen, spiegel beheerst
Mijzelf in ramen, tuur dan in 't duister nu:
De tand des tijds breekt af, perdu, als eerst.

Raleghs leven is al lang voorbij, de Ralegh is al lang gezonken, maar de versmelting van de twee, van heden en verleden, is in het gedicht een feit. In 'Point parasol' formuleert De Kom het zelf aldus:

Ik wil een omslagpunt, een wending
Het tropische in poëzie zoek ik, verrukking
Die besloten ligt in een mislukking.
Point parasol. Fris stipje op de keerkring.

Sneeuw in de tropen

De in 1956 in Den Haag geboren Antoine de Kom verbleef van zijn tiende tot zijn veertiende jaar in Suriname en heeft daar de tegenstrijdigheden van dat land ervaren: enerzijds de intensiteit van de kleuren, geuren en het licht, anderzijds het trage, onbewogene, lome van de warmte. Tel daar nog het verschil tussen het Surinaamse verleden en het Nederlandse heden bij op en het is niet verwonderlijk dat zijn poëzie poogt zich op de snijvlakken van de contrasten te bewegen. Een aantal gedichten in Tropen zoekt het tropische vooral in de herinnering, maar er zijn al gedichten die een ontwikkeling laten zien die De Kom in De kilte in Brasilia (1995) verder uit zal bouwen. Het zijn gedichten waarin, evenals in 'Ogier de Gombaud' en 'Sir Walter Ralegh', gepoogd wordt tegengestelden bij elkaar in één gedicht, in één ervaring te brengen. Daar zit een mystieke component bij, omdat de uiteindelijke inzet is de grenzen ertussen te slechten. Zo is er het gedicht 'Hortus botanicus' dat evoceert hoe tijdens een winters bezoek aan de tropische tuin de sneeuw op de kas verandert in 'helder wit licht in de wolken en route / Tussen cumuli' en zo de herinneringen oproept aan de vliegreis en de landing in het tropische landschap met de Dakota. In de reeks 'Epidauros' vallen het 'heden', een bezoek aan Epidauros, en het verleden, in casu lessen in klassieke talen, Griekse mythologie en Surinaamse elementen en niet te vergeten de verschillende talen samen: Artemis staat omgeven door marrons, Hecate peddelt in een korjaal, Hermes spoedt zich naar de Tafelberg, zwetende negerslaven roeien langs de kust van Troje.

Een tropische poëtica

Het kwatrijn uit 'Point parasol' is een poëticaal gedicht. De dichter zoekt 'het tropische in poëzie', schrijft hij. Het woord 'tropische' is zelf zo'n snijpunt van twee werelden. Uiteraard verwijst het naar het gebied tussen de keerkringen en specifieker naar Suriname, maar tegelijkertijd betekent het 'figuurlijke', 'metaforische'. De Koms poëzie is dermate talig dat hier geen sprake is van de ene of de andere betekenis, maar van de twee betekenissen tegelijkertijd en daarmee is het gedicht zelf zo'n omslagpunt dat de ene werkelijke wereld omzet in 'een nieuwe'. Willem van Toorn heeft dat in een gedicht wel eens als volgt omschreven: 'Woorden laten snijpunten in zich toe / van plaats en tijden jaren uit elkaar.'
Door te zoeken naar de 'verrukking / die besloten ligt in een mislukking', plaatst Antoine de Kom zijn poëzie in een symbolistische traditie. Sötemanns artikel 'Twee modernistische tradities in de Europese poëzie', definieert de symbolistische poëtica als volgt:

1. Er moet iets nieuws gemaakt worden.
2. Kunst moet beschouwd worden als (een vorm van) religie. Een gedicht is dan een instrument ('een middelaar') ter verkenning van de onbekende essentie van het leven en men mag hopen dat het gedicht uiteindelijk het mysterie zelf zo niet zal belichamen dan toch tot uitdrukking brengen.
3. Centraal staat het gedicht zelf en niet de persoon van de dichter; het is niet de dichter die iets uitdrukt, maar het gedicht.
4. Een gedicht kan onmogelijk een nabootsing zijn van de werkelijkheid.
5. Een dichter begint geen gedicht, het gedicht begint in de dichter wiens taak het is een medium te zijn dat het gedicht maakt. Een gedicht ontstaat niet, het moet worden gemaakt.
6. Het enige materiaal dat een dichter ter beschikking staat is taal, woorden. En dus geen ideeën of gedachten.
7. Spectaculaire effecten moeten worden afgezworen, eerder bestaat de neiging tot versobering.
8. Het gaat om helderheid, hetgeen iets anders is dan simpelheid.
9. Vaak zal poëzie haar eigen object worden, soms impliciet, soms expliciet.
10.Er is een wezenlijk besef van échec, het einddoel blijft onbereikbaar.

Deze checklist werkt naar twee kanten: het kost geen enkele moeite de poëzie van Antoine de Kom punt voor punt af te vinken, zodat de conclusie onontkoombaar is: die is symbolistisch. Omgekeerd kan de poëzie van De Kom goed dienen om de lijst van Sötemann te controleren. Wanneer echter de dichter gevraagd wordt zijn poëzieopvattingen te formuleren dan doet hij dat in 'Gloeiend groener nog' (later opgenomen in: Zebrahoeven, 2001) aanmerkelijk minder wetenschappelijk en vele malen paradoxaler:

Poëzie is BEWEGING en beweging poëzie mits zij trópisch
bewogen is. Die poëzie speelt zich af tussen
keerkringen, is aldus natuurlijk en ijskoud
zet zij zich daartegen furieus af. Binnen haar keerkringen is zij
nadering en het lijkt telkens wel alsof zij haar eigen koers
miskent door elke nadering als echec te laten slagen.
Poëzie is WENDEND WENDING en zo haar eigen richting en ook haar
beweging vreemd. Daarom alleen al, omdat zij, tropisch gebonden,
zich moet laten verteren om te kunnen opbloeien. In oerwoud woekert
het verval en louter op die voorwaarde kan ook zij bestaan.
Hierin ligt het werkzame beginsel van deze poëzie: dat zij zichzelf
vreemd is en van iedere vaste identiteit ontdaan.
[...]
Bloeiende poëzie is een vervallende poëzie.

Je zou bijna zeggen: 'Geen wonder dat de verrukking van de mislukking De Kom zo na aan het hart ligt,' want als hij zoveel tegelijk van poëzie eist ligt het fiasco wel erg binnen handbereik. Als ik de dubbele betekenis van 'trópisch' en het door het effectieve enjambement wel zeer dubbelzinnig geworden 'ijskoud' (zowel bijvoeglijk naamwoord bij 'poëzie' als bijwoordelijk gebruikt bij 'afzetten') buiten beschouwing laat, blijven er nog genoeg paradoxen over om de tanden op stuk te bijten. Poëzie is beweging, wendend wending en haar beweging vreemd. Poëzie moet zich laten verteren om te kunnen opbloeien. De 'moeilijkheid' zit hem er niet in dat de afzonderlijke formuleringen zo lastig zouden zijn, integendeel zou ik zeggen, die zijn met enig nadenken tamelijk eenvoudig op te lossen. Poëzie is een metaforische (ik beperk me nu even tot déze betekenis) beweging, omdat ze de wereld van de werkelijkheid omzet in een wereld van woorden en daarom zal de poëzie de werkelijkheid als het ware moeten verteren om zelf te kunnen bloeien. Daarbij zal de poëzie zich door de lezer moeten laten verteren ('ontbinden') om ín die lezer tot volle bloei te kunnen komen ('ontkiemen'). De moeilijkheid voor de dichter, en niet zozeer voor de lezer, is dat hij voor zichzelf aan deze complexe eisen zal willen voldoen en dat is een heel wat ingewikkelder probleem dan 'alleen' de versmelting van twee verschillende klimaten, zowel in culturele als in atmosferische betekenis.

Zwoegen met rotte woorden


De Koms bundel uit 1995 mikt nog wel op het samengaan van de twee uitersten. De eerste gedichten zijn toegespitst op het verbinden van het Europese met het exotische:

Sneeuw en zand

I

Zodra het zacht begon te sneeuwen
heb ik mijn winterjas gespreid over het zand.
Op dorre grond tussen amandelboom en flamboyant.

Loom in de schaduw van het lover
hoor ik nu hoe een ara krijst,
terwijl de wind de bladeren doet ruisen:

ik vang de vlokken op met open mond.
De hitte doet mijn leden rillen
en alle bruingevlekte bladeren verstillen.

De papegaai krast als een raaf,
vliegt op, en laat mij achter - bezweet kneed
ik een sneeuwpop uit het wit savannezand.

II

Terwijl ik aanvriezende woorden wasem
is stil de sneeuw gevallen.
Mijn bevroren woorden klinken dof.

Ik ga en druk mijn voetstap af
in witte grond. Dan stuit ik op mijn winterjas
tussen amandelboom en flamboyant: gekras.

Er rest droog zand als ik
mijn jas wegtrek - de dooi valt in.
In zilverkleurig maanlicht glinstert witte plek

na witte plek. Verblindend gapen
witte gaten tussen stug groen gras: een ara ziet
mijn woorden smelten in 't heet savannezand.

Het accent in deze bundel komt echter meer te liggen op het verval en is daarin harder en scherper dan de eerste. Opvallend daarbij is dat het gedicht niet alleen het verval in (of: van) de werkelijkheid beschrijft, maar ook bij voorbaat de mislukking die in taal plaatsvindt in herinnering brengt. Er is steeds wat Sötemann noemde 'een wezenlijk besef van échec'. Formuleringen als 'Mijn bevroren woorden klinken dof' en 'mijn woorden smelten' uit het bovenstaande gedicht duiden op het besef dat de taal uiteindelijk als ontoereikend beschouwd wordt: sneeuw en zand, papegaai en raaf, kou en hitte, worden weliswaar samengebracht in één gedicht, maar zullen niet in elkaar opgaan. Een zinsnede uit 'Aanzet tot een tropische poëtica' wordt een van de thema's van de bundel: 'gedenk ik de mislukking die in poëzie begint'. Deze zin vindt zijn echo's in talloze andere: 'Mijn juk bestaat in etterende taal, / ik zwoeg met rotte woorden - tropen in ontbonden staat'; 'hiërogliefen van mijn eigen taal'; 'Hoe voeg ik woorden toe aan wat ik doe?'; 'het krot bizarre / strofenbouw'.
Ondanks (of misschien juist: vanwege) het vermoeden dat 'het uur waarop de laatste twijgen / van mijn taaltak breken nadert. // En slechts vreemde woorden zullen klinken,' stelt hij deze retorische vraag:

Als voortaan zonder eigen taal niets dan
stilleven blijft, wie zal dan leven geven
aan de vruchten van volmaaktheid

die zich ongenaakbaar rijpend lenen
tot vergaan in steeds maar heter zon?

Want dat is natuurlijk wat de dichter, wat poëzie, paradoxaal genoeg, doet: aan dat wat vergaat een nieuwe wereld ('leven') geven. In het volle besef van de vergankelijkheid van die werkelijkheid en in het volle besef van het ontoereikende van de taal: het blijven uiteindelijk vrij naar de natuur geschilderde verzinsels.

De diaspora van de woorden

In 'Aanzet tot een tropische poëtica' schrijft De Kom: 'Ik denk aan woorden vreemd en toch vertrouwd, / dan weer vervreemd als zwarten zwervend: hun diaspora.'
Antoine de Kom bewees in zijn beide bundels weinig problemen te hebben met vormvaste gedichten. Hij schreef kwatrijnen, een villanelle, sonnetten en sextetten, maar al in de eerste bundel komen een paar reeksen voor, 'Palmen' en 'Vermiljoen' bijvoorbeeld, waarin hij experimenteert met de vorm van de gedichten en het wit een andere dan traditionele, meer ontregelende funktie geeft. Het lijkt me dat hij in de gedichten die hij na De kilte in Brasilia in De Revisor publiceerde en die daarna werden opgenomen in Zebrahoeven, probeert het ontbindende van de taal niet te benoemen of te beschrijven, zoals hij in de bundel nog veelvuldig deed, maar de ontbinding deel uit wil laten maken van de vorm van het gedicht. De verstrooiing van de woorden wordt als het ware op de bladzijde zichtbaar, hetgeen een sterk vervreemdend en ontregelend effect heeft, dat vorm en inhoud sterk op elkaar betrekt en het devies van Willem Kloos, dat vorm en inhoud één zouden moeten zijn, in herinnering brengt. Men kan dit goed zien aan het hierbij gepubliceerde 'reepgordijnen'. De gedichten vallen op papier uit elkaar als een sneeuwpop van wit savannezand, De Kom schrijft geen sonnetten, maar 'de resten van een perfect sonnet' en in die ontbonden strofen spelt hij zijn elegieën.

Literatuur

Antoine A.R. de Kom, Tropen. Querido, Amsterdam, 1991.
Antoine A.R. de Kom, De kilte in Brasilia. Querido, Amsterdam, 1995.

Antoine A.R. de Kom, 'Hansen ex-Hansen', 'Simón Simón zeg zogezegd Simón', 'Gloeiend groener nog', in: De Revisor, resp. 1996, nr.1; 1997, nr.3 en 1997 nr. 5/6. Later in: Zebrahoeven, 2001.
A.L. Sötemann, Over poëtica en poëzie, Groningen, 1985.

Ron Elshout, 'Groeten uit Babylon, In het doolhof van het symbolisme', in: Bzzlletin 236/7, 1996.

Eerder gepubliceerd in: Bzzlletin 255.

Groeten uit Babylon. In het doolhof van het symbolisme

De tocht van de dichter is een expeditie vol ontberingen, hij is over het scherp van de snede op weg naar het geheim, dat, hoe dicht men het ook nadert, meedogenloos ontoegankelijk blijft. (Wiel Kusters, Pooltochten)

Het doolhof in

Door het etiketteren van een bepaalde periode, stijl of poëtica met één of ander '-isme', wordt snel de suggestie gewekt dat zoiets, zoals in het onderhavige geval het symbolisme, een keurig geordende Franse of misschien zelfs wel Engelse tuin betreft. Hier een perkje, daar een goed begaanbaar paadje, aan de overzijde een kort geschoren gazon en in de verte, geheel volgens plan, een kruidentuin. Grenzen in dit domein worden nauwkeurig aangegeven door lage heggen, zodat men over het geheel het overzicht niet verliest. Maar wie zich, vóórzíchtig, voetje voor voetje, begeeft in het symbolisme mag wel lieslaarzen aantrekken, want de bodem is uiterst drassig. Ook is het aanbevelenswaardig een rugzak vol documentatie, alsmede een goede zaklantaarn te hanteren, omdat de weg voornamelijk voert over 'slinkse paden' en door duistere gebieden. Met die zaklamp dient men overigens voorzichtig om te springen; spiegels zorgen dat men zichzelf regelmatig in de ogen schijnt, zodat enige tijd niets anders waar te nemen is dan, al dan niet symbolische, spectaculaire sterren, flitsen en vurige ballen. We bevinden ons weliswaar niet in een volkomen tabula rasa, maar misschien is het zelfs wel erger, want de etikettering suggereert een duidelijke ordening die er in werkelijkheid niet is.
Zo vatte, met de allure van een brede armzwaai, in 1975 de titel van een tentoonstelling Het symbolisme in Europa op het gebied van de beeldende kunst samen. Bladerend in de gelijknamige catalogus komt men onder andere (!) de volgende namen tegen: Aubrey Vincent Beardsley, Arnold Böcklin, Edward Burne-Jones, Giorgio de Chirico, James Ensor, Henri Fantin-Latour, Paul Gauguin, Fernand Khnopff, Gustav Klimt, Max Klinger, Gustave Moreau, Edvard Munch, Odilon Redon, Dante Gabriel Rossetti, Jan Toorop. Dit gezelschap is even duizelingwekkend als hun stilistische verscheidenheid; het valt immers niet moeilijk een behoorlijk aantal van de genoemde schilders te vangen onder noemers als jugendstil, magisch realisme, preraphaëliet, of expressionisme.
Natuurlijk zijn er, los van deze verschillen, overeenkomsten te vinden die het mogelijk maken deze uiteenlopende schilders onder de noemer van het symbolisme te vangen.
Arnold Böcklin (1827 - 1901), onder meer schilder van heroïsche landschappen met mythologische figuren die daarin natuurkrachten of stemmingen moeten weergeven, vond dat een schilderij iets moest vertellen, de beschouwer aan het denken moest zetten en een indruk moest maken zoals een muziekstuk.
De algemene geldigheid van deze 'eisen' maakt meteen duidelijk waardoor zo veel verscheidens in het spiegelpaleis van het symbolisme gehangen kan worden. 'Een schilderij moet iets vertellen.' Tsja, doet niet ieder schilderij dat? Figuratieve in ieder geval wèl, welk verhaal het dan ook moge zijn.
Böcklins tweede eis, dat de beschouwer aan het denken gezet moet worden, wordt in de catalogus toegelicht door er op te wijzen dat het er niet om zou gaan een anekdote weer te geven, maar dat de voorstelling tot nadenken moet stemmen, de mens tot gedachtengangen moet brengen 'die verder reiken dan de inhoud van het schilderij.' Allemaal hooggeschroefd taalgebruik dat enerzijds vertrekt vanuit vooronderstellingen met betrekking tot wat symbolisme zou moeten zijn en anderzijds zo vaag, zo algemeen is dat het op bijna iedere vorm van kunstbeschouwing kan slaan.
Dat geldt ook voor de muzikale indruk die een schilderij zou moeten maken. Het combineren van verschillende zintuiglijke sensaties (in de literatuur synesthesie genoemd) was een kunstgreep die door symbolisten gaarne werd toegepast, zoals in 'Parfum exotique' van Baudelaire, hier in de vertaling van Peter Verstegen:

Exotisch parfum

Als ik, een warme herfstnacht, met mijn ogen dicht
Het zwoel aroma van je borsten in wil drinken,
Ontrolt er zich een strand dat lieflijk ligt te blinken
Onder een hete zon met altijd eender licht;

't Is een loom eiland waar de vreemdste bomen staan
Wier takken met de smakelijkste vruchten prijken,
De mannen zijn er slank en sterk, de vrouwen kijken
Je steeds verrassend frank en openhartig aan.

Door jouw geur meegevoerd naar dat geliefd klimaat,
Zie ik een ree met zeelui die hun zeilen reven
Waarop het zilte woeden nog te lezen staat,

Terwijl het zoet parfum van groene tamarinden,
Dat mij het neusgat spert wanneer het aan komt zweven,
Zich in mijn ziel met hun gezang lijkt te verbinden.

Deze synesthesieën waren waarschijnlijk onder meer populair omwille van de irrationele suggestie die er van uitgaat, maar met enige kwade wil is wel zichtbaar te maken hoe de vergelijking van Böcklin mank gaat: zelden is er zoveel stilte en stilstand te zien als juist in een schilderij. Dit lijkt misschien een flauw woordspelletje, want het kost nauwelijks moeite om bij zijn schilderij Het dodeneiland (1880) een doodse, dreigende stilte, of bij het zien van de lucht erboven juist een Wagneriaanse ouverture voor te stellen en ook bij zijn op Dürers houtsneden geïnspireerde De oorlog (1896) kan men desgewenst wel apocalyptische trompetten 'horen' schetteren, maar wat ik wil duidelijk maken is het tamelijk willekeurige van de formulering, tenzij weer uitgegaan wordt van een opvatting die bij voorbaat inherent is aan het symbolisme. Met andere woorden: de opvatting spruit niet voort uit het zien van symbolistische schilderijen, maar bestond al en wordt achteraf nog eens als 'kenmerkend' voor symbolistische schilderkunst geformuleerd.
Gezien deze vaagheid is het niet zo heel vreemd dat Jean Moréas, die in de Figaro van 18 september 1886 een stuk publiceerde dat de geschiedenis ingegaan is als 'het manifest van het symbolisme', zich al weer in 1891 van deze stroming distantieerde.

In het doolhof

Een ander probleem waar een schilderende symbolist mee geconfronteerd wordt, ontstaat wanneer hij er, zoals het een symbolist betaamt, naar streeft buiten het gezichtsveld van het stoffelijk waarneembare te treden, omdat hij wil komen tot het (laten) gewaarworden van het immateriële, het metafysische, het transcendente. Een schilder zal, als hij wil bereiken wat Böcklin formuleerde, toch moeten vertrekken vanuit de reële wereld, de werkelijkheid. De paradox die hierin schuilt, zal later ook in de poëzie een rol blijken te spelen.
Een voorbeeld van deze problematische, paradoxale relatie tussen realiteit, symbool en 'wat-de-schilder-wil-uitdrukken' is te vinden in het verhaal rond Redons tekening Kop van een martelaar uit 1877. Ongetwijfeld onder invloed van schilderijen, tekeningen en aquarellen uit die tijd (men denke aan de Salomés van Moreau, Beardsley en anderen!) en de bijbeltekst 'Geef mij hier in eenen schotel het hoofd van Johannes de Dooper' [...] 'En zijn hoofd werd gebracht in een schotel' (Mattheüs 14:8 en 11) bestaat de neiging in het afgehouwen hoofd op de schaal het hoofd van Johannes de Doper te zien.

Redon echter geeft het nadrukkelijk niet Johannes' naam als titel, doch, zo vermeldt de catalogus in Redons eigen woorden, geeft de voorkeur aan een titel die 'vaag (is), onbepaald, en zelfs aanleiding geeft tot een wat verwarrende dubbelzinnigheid'. Welke muziek hierbij ten gehore gebracht zou moeten worden, althans hoorbaar zou moeten zijn, weet ik zo gauw niet, maar Böcklins idee dat het kunstwerk aan het denken moet zetten, was in dit geval aan Toorop, die de tekening wilde kopen, niet aan dovemansoren gezegd. Hij zag niet Johannes de Doper, maar 'de weergave van de martelaar, de idee van het verheven lijden van een nobele ziel in deze wereld'.
J.K. Huysmans laat zijn hoofdpersoon uit A Rebours, de neurotische Des Esseintes naar aanleiding van Redons werken opmerken: 'Deze tekeningen waren niet in een categorie onder te brengen; de meeste overschreden de grenzen van de schilderkunst en schiepen een nieuw soort fantastische kunst: die van de ziekte en waanzin.' (blz. 87)
Daarmee wordt in ieder geval iets van een richting zichtbaar, die door Moréas met betrekking tot de dichtkunst onder woorden werd gebracht als een poging om 'de Idee te hullen in een waarneembare vorm, die geen doel op zich is, maar onderworpen blijft aan die Idee en de funktie heeft deze uit te drukken'.
De waarneembare vormen van het schilderij en het gedicht maken gebruik van de dingen om ons heen als middel om in wat achter de werkelijkheid ligt, de Idee, het metafysische, het transcedente, het goddelijke (?), het buitenwaarneembare door te dringen. Charles Baudelaire heeft deze opvatting als poëtisch credo geformuleerd in zijn beroemde gedicht

Correspondances

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L'homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l'observent avec des regards familiers.

Comme de long échos qui de loin se confondent
Dans une ténébreuse et profonde unité,
Vaste comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent.

Il est des parfums frais comme des chairs d'enfants,
Doux comme les hautbois, verts comme les prairies,
-Et d'autres, corrumpus, riches et triomphants,

Ayant l'expansion des choses infinies,
Comme l'ambre, le musc, le benjoin et l'encens,
Qui chantent les transports de l'esprit et des sens.

In de vertaling van Peter Verstegen:

Samenhang

Natuur is 't heiligdom waar levende pilaren
Vaag praten in een taal die zich soms raden laat,
En waar de mens door wouden van symbolen gaat
Die, of hij hun vanouds vertrouwd is, naar hem staren.

Als lange echo's die van verre samenkwamen,
Versmolten tot één toon die diep en donker is,
Weids als het stralend licht en als de duisternis,
Zo hangen geuren, kleuren, klanken innig samen.

Wij kennen geuren als een kinderlijf zo fris,
Zo zacht als een hobo, groen als de groenste weide,
-En andere, rijk en dwingend, waar bederf in is,

Die zich, als alles wat geen einde neemt, verspreiden,
Muskus en amber, wierook, benzoë - die zingen
Van geestvervoering en vervoering van de zinnen.

De met zintuigen waarneembare 'geuren, kleuren en klanken' vertegenwoordigen 'iets' wat 'daarachter' ligt, dat 'iets' zou gevangen moeten worden in de waarneembare vorm van schilderij of gedicht.....en dan? De weg van de particuliere opvatting van een kunstwerk naar een algemene, symbolistische strekking, zoals die hierboven beschreven werd naar aanleiding van de tekening van Odilon Redon, werd door Des Esseintes, hoofdpersoon uit J.K. Huysmans' A Rebours, in 1884 zonder moeite afgelegd. Bij het beschouwen van Salomé van Gustave Moreau reageert hij zo:

In het werk van Gustave Moreau, dat buiten alle gegevens van het Nieuwe Testament geconcipieerd was, zag Des Esseintes eindelijk de verwerkelijking van die bovenmenselijke en geheimzinnige Salomé, van wie hij gedroomd had. Ze was niet langer alleen maar de danseres, die door een wellustige draaiing van haar lendenen aan een oude man een bronstige kreet van begeerte en ontucht ontwringt; die door de golvende bewegingen van haar borsten en haar buik, door het trillen van haar dijen, de kracht van de koning ondermijnt en zijn wil breekt. Zij werd als het ware de symbolische incarnatie van de onverwoestbare Wellust, de godin van de onsterfelijke Hysterie, de vervloekte Schoonheid, verheven boven alle andere schoonheden door de kramp, die haar lichaam stijf en haar spieren hard maakt; het monsterachtige beest, onverschillig, onverantwoordelijk, gevoelloos, dat als Helena uit de Oudheid alles vergiftigt wat haar nadert, wat haar ziet, wat haar aanraakt. (blz. 79)
Ook het zien van Moreaus aquarel L'apparition komt zijn gemoed hevig in beweging:

Als de oude koning voelde ook Des Esseintes zich als door de bliksem getroffen, overweldigd en bedwelmd, toen hij naar deze danseres keek, die minder majestueus, minder hooghartig, maar verleidelijker en verwarrender was dan de Salomé van het olieverfschilderij.
In het gevoelloze en onbarmhartige standbeeld, in het onschuldig-gevaarlijke idool waren de zinnelijkheid en de angst van de mens aan de dag gekomen; de grote lotusbloem was verdwenen, de godin ook; een afschuwelijke nachtmerrie hield de danseres in haar wurggreep; de courtisane, eerst in extase door de wervelende beweging van haar dans, dan versteend en gehypnotiseerd door angst en huiver. (blz. 81, 82)
[.....]
Deze vertwijfelde erudiete werken bezaten een wonderlijke magie, een bezwerende kracht, die je diepste wezen in beroering bracht net als sommige gedichten van Baudelaire; ontsteld, in gepeins, verbijsterd keek men naar deze suggestieve kunst, die de grenzen van de schilderkunst overschreed en aan de kunst van het schrijven haar meest subtiele effecten ontleende, de aan de emailleerkunst haar meest wonderbaarlijke glans en aan de kunst van het diamantbewerken en graveren haar meest exquise verfijningen. (blz. 83)
Wanneer kunst superieure suggestie moet zijn, moet evoceren in plaats van beschrijven, de ziel moet prikkelen in plaats van gevoelens weer te geven, dan wisten Des Esseintes en zijn schepper, J.K. Huysmans, eind 19de eeuw, precies hoe daar mee om te gaan. Dankzij Jacques Derrida staat de relatie tussen taal en werkelijkheid ter discussie; Jacques Lacan ondermijnde de relatie tussen woord en psyche. Het is dus zeer de vraag of iemand die zich er van bewust is dat taal en werkelijkheid van elkaar gescheiden zijn, nog in staat is tot 'geestvervoering en vervoering van de zinnen' à la Baudelaire en Des Esseintes. Opvallend hierbij is dat het lijkt of Baudelaire zelf, avant la lettre, die opvattingen toegenegen was, althans de spanning voelde. In een van de eerste gedichten uit Les fleurs du mal, het tweede gedicht uit de afdeling Spleen et idéal, het beroemde 'L'albatros', is deze vogel symbool voor (de rol van) de dichter:

De albatros

Vaak vangt het scheepsvolk, om verveling te verdrijven,
De vogel albatros die op zijn wieken wijd,
Als lome reisgenoot, elk schip nabij kan blijven
Dat over 't bitter diep der oceanen glijdt.

Maar amper prest men hem om op het dek te landen,
Of deze vorst van het azuur sleept gelijk twee
Peddels zijn grote, witte vleugels tot zijn schande
Grotesk en zielig aan weerszijden met zich mee.

Gevleugeld reiziger, nu krachteloos, onhandig!
Komiek en lelijk ook, voorheen zo'n lust voor 't oog!
De een brandt met een pijp zijn snavel en de ander
Hinkt honend het onmachtig dier na dat eens vloog!

De Dichter is gelijk die prins der hemelsferen,
Hij die met storm verkeert, lacht boog en schutter uit;
Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren,
Wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.

De dichter is met zijn 'gevleugelde' woorden de vriend der hemelsferen, van wat zich aan gene zijde van het waarneembare bevindt, maar (hoewel het gedicht dit causale verband niet expliciet legt) daardoor juist krijgt hij het moeilijk zodra hij de vaste grond van de banale werkelijkheid onder de voeten dreigt te voelen, dan zit hem die taal van het hogere danig in de weg. De kracht van de evocatie maakt dat de reële werkelijkheid voor de duur van de verbeelding uit zicht kan verdwijnen, maar de terugkeer tot het alledaagse is onvermijdelijk. In die zin staan symbolisten met hun rug naar de werkelijkheid die ze niet willen of kunnen verdragen en hun kunst is een vlucht daaruit.
Deze tweespalt uit zich ook in A Rebours. Des Esseintes' sluit zich af en op, ruilt dag en nacht en houdt zich vooral bezig met kunst, 'mijmering en contemplatie'. Zijn gedrag leidt hem ver van het gehate hier en nu, in een zo niet neurotische, dan toch hysterische, verheviging van zijn zintuiglijke leven:

Op die dag nam Des Esseintes dit weergaloze boek van zijn boekenplank, bevoelde het eerbiedig, herlas bepaalde gedichten, die in deze eenvoudige, maar onschatbare omlijsting hem indringender dan ooit voorkwamen.
Zijn bewondering voor deze schrijver kende geen grenzen. Tot op dit moment had literatuur volgens hem de mens slechts oppervlakkig ontleed; als ze al dieper ging, kwam ze toch niet verder dan de verlichte en gemakkelijk toegankelijke, onderaardse gangen; van tijd tot tijd stuitte ze op onaangeboorde lagen van de hoofdzonden, bestudeerde hun vertakkingen en hun groei, zoals Balzac de innerlijke gelaagdheid onthulde van iemand die bezeten is door een monomane hartstocht, door ambitie, vrekkigheid, vaderlijke dwaasheid of seniele liefde.
Het ging om het goede en het kwade in hun meest gezonde vorm, om het geestelijk, algemeen aangepast handelen, om de praktische werkelijkheid van de algemeen gangbare ideeën, zonder morbide ontaarding na te streven, zonder verdere overschrij­ding van deze wereld. Kortom, de ontdekkingen van deze analy­tici van de menselijke natuur gingen niet verder dan bepaalde speculaties die door de Kerk als goed of slecht waren geclas­sificeerd. Wat deze schrijvers deden, was niet meer dan het eenvoudige onderzoek, de alledaagse oplettendheid van een plantkundige, die van dichtbij de verwachte ontwikkeling gadeslaat van gewone bloemen, geplant in gewone tuingrond.
Baudelaire was verder gegaan; hij was tot op de bodem van de onuitputtelijke mijn afgedaald, had zich in verlaten en onbekende gangen gewaagd en was tenslotte uitgekomen in die gebie­den van de ziel, waar de menselijke geest, als een monsterlij­ke plant, welig tiert.
Daar, vlak bij die grenzen, waar de ziektes van de geest en de aberraties huizen - de mystieke tetanus, de brandende koorts van de wellust, de verschillende tyfusziekten en de gele koortsen van de misdaad -, had hij, broedend onder de naargeestige klok van de Verveling, de verschrikkelijke kritieke leeftijd van ideeën en gevoelens gevonden.
Baudelaire had de morbide psychologie onthuld van de geest, die aan het aftakelen is en geen nieuwe indrukken meer kan opnemen, en de symptomen genoteerd van mensen, bezocht door smart en beheerst door spleen; hij had laten zien, hoe een steeds verder vretend verderf de indrukken aantast, op een moment dat het enthousiasme en het geloof uit de jeugd zijn opgedroogd en er alleen nog maar de dorre herinnering aan ellende, onverdraagzaamheid en kleinering overblijft, die een mens, teneergedrukt door een absurd lot, moet lijden en doorstaan.
Hij had alle fasen van deze droevige herfst gevolgd en gezien hoe het menselijk schepsel, in zijn bereidheid tot zelfkwelling en zelfbedrog zijn gedachten er toe dwingt elkaar te bedriegen, om nog meer te lijden en dank zij het vermogen tot analyse en observatie van te voren iedere kans op vreugde bederft. En vervolgens zag hij, hoe in deze geprikkelde overgevoeligheid van de ziel, in deze wreedheid van geest, die de storende attenties van de opoffering en de welwillende beledi­gingen van de liefdadigheid afwijst, langzamerhand die afschuw ontstond voor die bejaarde hartstochten, voor die overrijpe liefdesbetrekkingen, waarbij de ene partner zich nog geeft, terwijl het voor de andere al niet meer hoeft, waarbij ver­moeidheid de echtparen dwingt tot kinderlijke strelingen - waarvan de schijnbare jeugdigheid iets nieuws lijkt - of tot moederlijke omhelzingen, waarvan de tederheid niet alleen een kalmerende werking heeft, maar ook als het ware aanleiding kan zijn tot interessante gevoelens van wroeging over een vage incest.
In een reeks schitterende bladzijden had hij deze hybride hartstochten beschreven, tot het uiterste gedreven, omdat ze toch niet volledig bevredigd kunnen worden, en ook de vlucht in verdovende middelen, gevaarlijke en niet-gevaarlijke, die het leed moeten verdoven en de verveling beteugelen. In en periode waarin de literatuur iemands Weltschmertz bijna uitsluitend toeschreef aan een ongelukkige liefde of aan jaloe­zie, ontstaan door overspel, had hij deze kinderachtige kwaal­tjes genegeerd en die ongeneeslijker, diepere, ingrijpender wonden gepeild; gevolg van oververzadiging, ontgoocheling en verachting in verziekte geesten, gekweld door het heden, walgend van het verleden, reeds verschrikt en ontmoedigd door de toekomst.
En hoe meer Des Esseintes Baudelaire las, des te meer kreeg hij waardering voor de onbeschrijflijke betovering die er van deze schrijver uitging; in een tijd waarin de poëzie slechts diende om het uiterlijk van mensen en dingen te beschrijven, was het hem gelukt het onzegbare uit te drukken, dank zij een krachtige, gespierde taal, die meer dan elke andere die opmerkelijke eigenschap bezat met wonderlijk gezonde uitdrukkingen vorm te geven aan de meest ongrijpbare en onbestemde ziekte­toestanden van uitgeputte geesten en bedroefde mensen. (blz. 165, 166, 167)

Uiteindelijk moet Des Esseintes door zijn geneesheer gedwongen worden weer te gaan deel nemen aan het dagelijkse verkeer (in Parijs). Hij verafschuwt de menselijke middelmatigheid daarvan inmiddels zó dat hij daartoe nauwelijks nog in staat geacht moet worden.

Gerrit Komrij schrijft in Over de noodzaak van tuinieren:

Het probleem tekent zich bij de moderne dichter of schrijver anders af dan bij de modale 'moderne mens' die verzuchtingen slaakt over het gemis van een sluitend wereldbeeld dat troost en overzichtelijkheid biedt en die verlangt naar een nieuwe hiërarchie, een nieuwe ordening en nieuwe symbolen.
De modale 'moderne mens' die deze aanvechtingen kent, als een onontkoombaar uitvloeisel van de richtingloosheid en betekenisloosheid van de hem omringende maatschappij zal, wijs geworden door de ervaring, behoefte hebben aan een hiërarchie, een ordening en gedeelde symbolen met een menselijk gezicht. Hij heeft een nette symboolhonger. Hij zal er genoegen mee nemen dat we God Zelve niet meer uit de afgrond kunnen redden, en het al een lief ding vinden wanneer we althans een deel van de van Hem afgeleide attributen en iets van een vervaagde blauwdruk van Zijn plan in ere zouden weten te herstellen.
De kunstenaar kan daar niet tevreden mee zijn. Hij is op het punt van zijn creativiteit een absolutist. Hij wil niet de halve waarheid, hij wil de hele leugen.

Wat Komrij hier schrijft over het gemis van een sluitend wereldbeeld gold ook voor de laat negentiende-eeuwse Des Esseintes. Vooral uit het slothoofdstuk blijkt duidelijk een ondermijnd vertrouwen in kerk en godsdienst, maar iemand als Des Esseintes was nu juist alles behalve een 'modale moderne mens', gruwde daar integendeel van en zocht dus zijn heil in de liturgie van de kunst. Dichters als Baudelaire verstrekten hem die 'hele leugen'. Te vermoeden valt: tegen eigen beter weten in. Wie eenmaal in het azuur gevlogen heeft, moet blíjven vliegen en dat houdt niemand vol.
Aangekomen in de paradoxen van het symbolistische doolhof, waar de lachspiegels onze schijngestalten vreemd vervormd terugkaatsen, is het mogelijk raadzaam de rugzak eens te openen en de plattegrond te voorschijn te halen.

Welke plattegrond?

Wie het symbolisme nu theoretisch tracht te overzien, stuit onmiddellijk op een aantal moeilijkheden. Hoewel bijvoorbeeld het symbolisme wel eens omschreven is als 'een complex van gedurende een zekere periode geldende opvattingen dat zich afzet tegen voorafgaande en later optredende kunstconcepties', is het zeer de vraag of het mogelijk is een reeks stilistische of inhoudelijke overeenkomsten tussen bepaalde kunstenaars en kunstwerken aan een bepaalde tijd te koppelen. Zelfs wanneer we het symbolisme even op zijn smalst beschouwen en de keuze beperken tot de dichters Mallarmé, Baudelaire, Verlaine, Rimbaud en Valéry dan stuiten we op het probleem dat dichters met (op het eerste gezicht) overeenkomstige opvattingen over poëzie (en kunst in het algemeen) zulk (op het eerste gezicht) totaal uiteenlopend werk produceren, zoals eerder ook bleek in de schilderkunst.
Daarbij wordt dan onrecht gedaan aan de invloed van het symbolisme, die zeker internationaal te noemen is. De aanwezigheid van Maeterlinck en Verhaeren in de Belgische literatuur; van Rilke, George en Hoffmannsthal in de Duitse; van Yeats en Eliot in de Engelse en van Boutens, Leopold, Verwey, Van de Woestijne en Nijhoff in de Nederlandse literatuur alleen al pleit voor een bredere opvatting omtrent symbolisme.
Maar hoe dan die opvatting te formuleren?
H. van den Bergh heeft het symbolisme in een artikel, 'Roland Holst als super-symbolist', geprobeerd 'negatief' te omschrijven:

In het laatste kwart van de vorige eeuw stellen zich in verschillende landen groepen dichters anti-materialistisch op. Zij koesteren een afschuw van de hoge vlucht die technologie en natuurwetenschappen nemen en in tegenstelling tot de positivistische denkrichting van die tijd, die de geesteswetenschappen even exakt en proefondervindelijk wil benaderen als de materiële wereld van wetten en feiten, kennen zij aan de kunst, maar vooral aan de poëzie, een eigen unieke funktie toe: het verkennen en beschrijven van de ideële, transcendente wereld achter de onmiddellijk waarneembare verschijnselen. [...] Daartoe stelt men zich anti-retorisch, anti-didaktisch, anti-sentimenteel, anti-objektief en anti-traditioneel op.

Aan die ideële, transcendente wereld wordt door de symbolisten zelf gerefereerd met 'het Absolute, de Idee, het Mysterie, het Schone' en in het geval van Mallarmé: 'het Niets'. Een bloemlezing die nog uit te breiden zou zijn, maar die volstaat om het vage van de richting duidelijk te maken. Een formulering als 'de Idee' doet je zo verdwalen in de richting van Plato en termen als 'het Mysterie' of 'het Oneindige' sturen weer in de hoek van het katholicisme, die, zo zagen we bij Huysmans en Komrij, nu juist verlaten was.
Wanneer we terugkeren naar Moréas' formulering, dat het gedicht een waarneembare vorm is die de funktie heeft een (dè?) Idee uit te drukken, zoals hij dat formuleerde in zijn Manifeste, valt misschien nog het meest te zeggen voor het gebruik van de term symbolisme in geval van een bepaalde poëzie-opvatting.
Het is de verdienste van A.L. Sötemann dat hij in een reeks artikelen de tocht door het doolhof gemaakt heeft en daarbij een landkaart heeft proberen te ontwerpen die hanteerbaar is.

Sötemann en poëtica

A.L. Sötemanns beschouwingen over dit onderwerp zijn bijeengebracht in de bundel Over poëtica en poëzie, die duidelijk maakt dat op het eerste gezicht zo verschillende dichters als Nijhoff en Kouwenaar met betrekking tot hun poëzie-opvattingen dichter bij elkaar liggen dan men zo zou zeggen.
Opvallend is dat een dichter als Kouwenaar formuleringen gebruikt die aan het vocabulaire van Baudelaire ontleend lijken. Baudelaire eindigt zijn Fleur du mal met deze eis:

Nous voulons, tant ce feu nous brûle le cerveau,
Plonger au fond du gouffre, Enfer ou Ciel, qu'importe?
Au fond de l'Inconnu pour trouver du Nouveau!

(Wij willen, nu dat vuur ons brein nog blijft verslinden,
De afgrond in, Hemel of Hel, dat deert ons niet,
Het Onbekende in, om er iets nieuws te vinden!)

Ook Kouwenaar heeft wel aangegeven dat het zoeken van het nieuwe essentieel is, omdat 'de zin van poëzie gelegen is in de poging 't vlies van 't onmogelijke te verbreken'. Zo goed als de symbolisten tegen beter weten in het onmogelijke trachten te bereiken, zo geldt dat voor moderne dichters blijkbaar ook, want bij beiden speelt de wetenschap dat wat in een gedicht plaatsvindt alleen in taal plaatsvindt een grote rol.
Maar laten we, voor we opnieuw door het spiegelpaleis gaan dwalen, eens kijken of Sötemanns opvattingen tot een handzame plattegrond samen te vatten zijn. Uit zijn artikel 'Twee modernistische tradities in de Europese poëzie', (te) bescheiden aangeduid met de toevoeging 'enige suggesties', zijn de volgende opmerkingen met betrekking tot de symbolistische poëzie te destilleren, waarbij aangetekend dient te worden dat de bewegwijzering inmiddels al weer gecompliceerd is, doordat deze traditie ook wel aangeduid wordt met de predikaten 'autonomistisch', puur' en 'zuiver'.

1. Er moet iets nieuws gemaakt worden.
2. Kunst moet beschouwd worden als (een vorm van) religie. Een gedicht is dan een instrument ('een middelaar') ter verkenning van de onbekende essentie van het leven en men mag hopen dat het gedicht uiteindelijk het mysterie zelf zo niet zal belichamen dan toch tot uitdrukking brengen. (Men vergelijke overigens opnieuw de huidige met de 19de eeuwse formuleringen!)
3. Centraal staat het gedicht zelf en niet de persoon van de dichter; het is niet de dichter die iets uitdrukt, maar het gedicht.
4. Een gedicht kan onmogelijk een nabootsing zijn van de werkelijkheid.
5. Een dichter begint geen gedicht, het gedicht begint in de dichter wiens taak het is een medium te zijn dat het gedicht maakt. Een gedicht ontstaat niet, het moet worden gemaakt.
6. Het enige materiaal dat een dichter ter beschikking staat is taal, woorden. En dus geen ideeën of gedachten.
7. Spectaculaire effecten moeten worden afgezworen, eerder bestaat de neiging tot versobering.
8. Het gaat om helderheid, hetgeen iets anders is dan simpelheid.
9. Vaak zal poëzie haar eigen object worden, soms impliciet, soms expliciet.
10.Er is een wezenlijk besef van échec, het einddoel blijft onbereikbaar.

Het mag duidelijk zijn dat Sötemanns opvattingen niet slaan op 'de Franse literaire stroming uit het decennium na 1885', die hij elders waarschijnlijk beter typeert met terminologieën in de trant van 'metafysisch, anti-rationalistisch, individualistisch en suggestief', maar op 'een zeer coherent complex van literatuuropvattingen, dat een respectabele ouderdom heeft en dat ook vandaag nog steeds aanhangers vindt.'
(Naast deze symbolistische traditie waarin het gedicht een weliswaar geconstrueerd maar zelfstandig taalbouwsel is, onderscheidt Sötemann nog de romantische, expressieve of impure traditie, waarbij het accent ligt op de auteur als medium, verder de classicistische waarin het accent ligt op het effect van het werk op de lezer en tenslotte de realistische die zich onderscheidt door een niet-metafysische, aardse weergave van de realiteit.)

De kleefkracht van het etiket

Met het prachtige overzicht van Sötemann in de hand, lijkt het nu gemakkelijk conclusies te trekken. De kleefkracht van het etiket lijkt beproefd en de term symbolisme voor het cultuurhistorisch fenomeen uit de periode rond 1885 kan als zodanig de prullenmand in, maar die periode is wèl als zodanig de geschiedenis ingegaan en de kleefkracht van dat historische etiket zou wel eens sterker kunnen blijken dan misschien wenselijk is.
Daarnaast is het de vraag of Sötemanns noties scherp genoeg zijn om in de hedendaagse praktijk wat mee te kunnen beginnen; zijn opmerkingen gelden immers veelal poëtica's (= poëzieopvattingen) en met een poëtica zijn we nog niet waar we willen zijn: in de poëzie. Laten we ze maar eens toetsen.
(Voor de volledigheid wil ik nog vermelden dat Sötemann drie verschillende soorten symbolische poëzie onderscheidt. Er zijn gesloten symbolische gedichten die interpreteerbaar zijn op het niveau van de anekdote zonder dat er een breuk aan de dag treedt. Er zijn gebroken symbolische gedichten die ergens door een breuk een anekdotische interpretatie onmogelijk maken en tenslotte open symbolische gedichten: een anekdotische lezing leidt van meet af aan tot problemen die alleen in een symbolische interpretatie kunnen worden opgelost. Binnen het kader van dit artikel ga ik hier verder niet op in.)

Hedendaags symbolisme

Bij het lezen van de eerste twee bundels van Antoine A.R. de Kom, Tropen en De kilte in Brasilia overvielen me zo nu en dan herinneringen aan gedichten van Baudelaire, zoals bijvoorbeeld diens 'Parfum exotique', hier in de vertaling van Petrus Hoosemans:

Uitheemse geur

Wanneer, met ogen dicht, een zwoel herfstavonduur,
ik van je hete borst de geur heb opgenomen,
dan strekt zich menig zalig strand uit in mijn dromen,
verblindend onder een eentonig zonnevuur;

daarbij een eiland, loom, met zonderlinge bomen
en kostelijke vruchten, gaven der natuur,
waar mannen taaier zijn maar tenger van postuur
en vrouwenogen vreemd vrijmoedig overkomen.

Naar lieflijke klimaten drijvend op je geuren,
zie ik een havenplaats vol masten onder zeil,
die nog door zeegang zeer zijn afgemat, terwijl

het reukwerk, dat de groene tamarinde plengt,
dat kringelt in de lucht en dat mijn neus doet speuren,
zich in mijn ziel met het gezang van zeelui mengt.

Een belangrijke overeenkomst met gedichten van De Kom bestaat uit de combinatie van het Europese 'hier' met het exotische 'elders', waar we door Baudelaire via een geur aan herinnerd en naar weggevoerd worden. Waarbij, ten overvloede misschien, opgemerkt kan worden dat herinneringen zich vaak voordoen naar aanleiding van een geur. In het geval van Baudelaires 'Parfum exotique' zou de tegenstelling nog verduidelijkt kunnen worden door het 'hier' met het lichamelijke, zintuiglijke van het vrouwenlichaam (vermoedelijk in concreto dat van Jeanne Duval) te verbinden en er op te wijzen dat de reis naar het exotische land uitsluitend in de geest plaatsvindt. Dat het verbinden van het Europese met het exotische nog scherper, en schijnbaar zonder directe aanleiding kan, bewijst De Kom:

Sneeuw en zand

I

Zodra het zacht begon te sneeuwen
heb ik mijn winterjas gespreid over het zand.
Op dorre grond tussen amandelboom en flamboyant.

Loom in de schaduw van het lover
hoor ik nu hoe een ara krijst,
terwijl de wind de bladeren doet ruisen:

ik vang de vlokken op met open mond.
De hitte doet mijn leden rillen
en alle bruingevlekte bladeren verstillen.

De papegaai krast als een raaf,
vliegt op, en laat mij achter - bezweet kneed
ik een sneeuwpop uit het wit savannezand.

II

Terwijl ik aanvriezende woorden wasem
is stil de sneeuw gevallen.
Mijn bevroren woorden klinken dof.

Ik ga en druk mijn voetstap af
in witte grond. Dan stuit ik op mijn winterjas
tussen amandelboom en flamboyant: gekras.

Er rest droog zand als ik
mijn jas wegtrek - de dooi valt in.
In zilverkleurig maanlicht glinstert witte plek

na witte plek. Verblindend gapen
witte gaten tussen stug groen gras: een ara ziet
mijn woorden smelten in 't heet savannezand.

Naast de als symbolistisch te herkennen en aan Baudelaire herinnerende motieven en thema's van de ontheemding en de decadente sfeer van verval speelt vooral in de tweede bundel een veranderlijke identiteit die doet denken aan Rimbauds 'Ik is een ander'. Daarnaast lijkt in een aantal gedichten ook Mallarmé door te schemeren, vooral zijn beroemde, beruchte sonnet

Le vierge, le vivace et le bel aujourd'hui
Va-t-il nous déchirer avec un coup d'aile ivre
Ce lac dur oublié que hante sous le givre
Le transparent glacier des vols qui n'ont pas fui!

Un cygne d'autrefois se souvient que c'est lui
Magnifigue mais qui sans espoir se délivre
Pour n'avoir pas chanté la région où vivre
Quand du stérile hiver a resplendi l'ennui.

Tout son col secouera cette blanche agonie
Par l'espace infligé à l'oiseau qui le nie,
Mais non l'horreur du sol où le plumage est pris.

Fantôme qu'à ce lieu son pur éclat essigne,
Il s'immobilise au songe froid de mépris
Que vêt parmi l'exil inutile le Cygne.
In de vertaling van Petrus Hoosemans (De Revisor, 1983/4, bladzijde 38):

Het prachtig, levenskrachtig, maagdelijk vandaag,
zal dat doen scheuren nog met dronken vleugelslagen
dit hard vergeten bergmeer onder rijm gedragen
door heksend gletsjerglas van vluchten ongeslaagd?

Ik ben herinnert zich een zwaan uit vroeger tijd
voortreffelijk maar zonder hoop blijft zich bevrijden
die aan zijn woongebied geen zangen wilde wijden
toen de steriele winter blonk van ledigheid.

Dit witte wee gelegd door de ontkende ruimte
ontschudt de vogel aan zijn hele halsgepluimte
maar niet zijn buikdons aan de gruwel van de vloer.

Schim die uit pure schitter aantoont te bestaan
en die voor kille afkeerdroom niet meer verroert
die in zinloze ban bekleed wordt door de Zwaan.

Goed beschouwd is het gedicht, alleen al vanwege de vele i-klanken, onvertaalbaar; ook vanwege de moeilijkheidsgraad laat ik hier ook nog de vertaling van Paul Claes volgen:

Zo maagdelijk, zo fel en zo volmaakt vandaag
Zal hij ons stukrijten met dronken vleugelslagen
Dit hard vergeten meer dat onder ijzellagen
De klare gletsjer ongevlogen vluchten plaagt!

Een zwaan van vroeger tijd herinnert zich nog vaag
Hoe luisterrijk hij zich bevrijdt teneergeslagen
Omdat hij van geen leefdomeinen wou gewagen
Als bar de weerzin van de winter is gedaagd.

Heel zijn hals zal die blanke doodsangst van zich slaan
Hem door de ruimte die hij loochent aangedaan,
Maar niet de gruwel om 't gepluimte, van de aarde.

Zijn pure schittering dwingt hier de schim te staan
Die door de kille droom van minachting verstarde
Waarin zich hult de vruchteloos verbannen Zwaan.

Over het gedicht zijn bibliotheken volgeschreven en of het ooit volledig ontsloten zal worden, is de vraag. S. Dresden slaat in zijn studie Symbolisme de spijker op de kop wanneer hij droogweg opmerkt: 'Mallarmé zegt geen ogenblik wat de zwaan eigenlijk voorstelt'. Meestentijds beschouwt men de zwaan als een metafoor 'van de Dichter en nog beter van het Dichterschap dat het Absolute zou moeten uitbeelden maar daartoe niet in staat is en in een soort ballingschap verkeert' (blz. 116). Paul Claes vindt deze zienswijze te beperkt en voorziet het gedicht van dit commentaar:

De in het ijs gevangen zwaan verwacht een verlossing van de nieuwe dageraad, maar geeft 's avonds haar ontvluchtingspogingen op. Het sterrenbeeld de Zwaan (in het mooiste deel van de Melkweg) is getuige van haar doodstrijd.
Gezien de oude symboliek van de dichter als zwaan (Pindarus, Plato, Horatius) en de romantische opvattingen over de onmaatschappelijkheid van de dichter heeft men dit sonnet meestal gelezen als de beschrijving van de in hogere sferen thuishorende dichter en de vijandige banaliteit van het aardse bestaan (vgl. Baudelaires 'L'albatros' en 'Le cygne'). Zo'n lezing is eenzijdig. Centraal staat hier het gevoel van gespletenheid tussen werkelijkheid en verlangen, tussen de tijdelijke en ruimtelijke bepaaldheid van het schepsel en het ideaal dat hij van zichzelf heeft in een mensvijandig heelal.

Wiel Kusters ziet Mallarmés zwaan aldus:

Het gedicht is de evocatie van een échec: een in het ijs gevangen zwaan, die in de 'steriele winter' verzuimd heeft over het leven te zingen, heeft zijn pogingen om zich te bevrijden opgegeven en is nu, in zijn bevroren staat, veroordeeld tot een eindeloos sterven. Maar het échec is niet beslissend voor de betekenis van zijn situatie: de zwaan is een beeld van pure schittering, de onmacht is op dialectische wijze in een overwinning verkeerd.

Het bijzondere van Kusters' notitie is dat hij Claes' opmerkingen als het ware in één formulering vat en de cirkelredenering rond trekt. Wie in de zwaan de dichter herkent die zich uit het leven los heeft proberen te zingen (of één die dat te weinig getracht heeft en nu opgegeven heeft), ziet ook de parallel tussen het ijs en de poëzie: wat aan het leven onttrokken wordt, raakt in de poëzie onherroepelijk 'in bevroren staat'. Dat is het ontoereikende van poëzie, maar het levert gedichten op die schitteren 'als een zwaan in het ijs'.
Bij Antoine A.R. de Kom vindt de zwaan eerst zijn pendant in een witte lotus wiens 'transparent glacier' een ijzig blauw zwembad is:

December

December: in de blauwe stenen schemer
van dit winters leegstaand zwembad
beroert de schrale wind verwaaide droge bladeren.

Het ritselt zacht wanneer ik klappertandend
op de duikplank stap - mijn blote voeten vriezen stuk
en asgrauw staar ik naar de grijze lucht.

December: in dit ijzig blauwe zwembad bloeit
de witte lotus op - het water glinstert
in de zon die feller wordt en daar waar bad en

duikplank zijn bedekt met natte bruine bladeren
spring ik ontdooid met vol gewicht en met een boog
raak ik languit de ijsvloer, tussen blad en bloem.

Of het ingrijpen van de schoon(!)springer-dichter een succes zal zijn, blijft, evenals de precieze status van Mallarmés zwaan, in het ongewisse: zowel zijn eventueel te pletter vallen als een mogelijke versplintering van het ijs blijft onvermeld. Op basis echter van andere gedichten valt te vermoeden dat de betekenis van het slot van het gedicht, 'tussen blad en bloem', aardig in de buurt komt van 'tussen wal en schip', want het vertrouwen in het bereiken van het einddoel via het gedicht is bij De Kom niet groot, getuige het hiernavolgend tweeluik, dat ook allusies op Mallarmé bevat:


Aanzet tot een tropische poëtica

I

De armoe van dit ondermaanse in de felle zon
is leven doods gedacht, als Zuidamerikaans beton
dat smelten zal, vergaan met oerwoud in verval.

Ik denk aan woorden vreemd en toch vertrouwd,
dan weer vervreemd als zwarten zwervend: hun diaspora.

Ik denk: hun nazaat is veranderlijk, toch nooit
meer echt verlost uit slaven-ban; bezet Liberia
kan zelfs verbaal geen toevluchtshaven vormen.

De weelde van dit ondermaanse in de felle zon
is doods, tot leven weer veracht bij wijze van 't woord.

II

De overrijpe ondergang van woord na woord vormt een nieuwe taal.
Door demerararamen zie ik een tapijtslang op het kongogras.
Waar kronkel was blijkt in haar lijf nu plaats voor een powies.

Niets blijft in eigen vorm bestaan, is eigenlijk al voor
zijn bloei vergaan. De klamme klank van het miskend patois

omgeeft ook marmeldoos en kerkpalm evenzeer als de verlepte
Braziliaanse roos, ondanks de aangenaam abstracte wisseling
van dag en nacht. Van zon en maan. Hun nabeeld

weerlicht, kraakt en toont verstijfd de dode kolibrie -
als regen druipt, gedenk ik de mislukking die in poëzie begint.

Niet alleen verkeert de zwaan van Mallarmé hier in een uitheems vogeltje, ook geurt die 'Braziliaanse roos' naar een exotische variant van Mallarmés 'La Rose, c'est l'absence de toute rose'.
Het is waarschijnlijk wel duidelijk dat de poëzie van Antoine A.R. de Kom qua atmosfeer aansluit bij de symbolisten uit de 19de eeuw. Regels à la Baudelaire als 'Sire, mijn lot: dat ik ben, noch denk, leef / Zo leeg als een schedel', ''t leven is een gouache die vervloeit'; een regel als 'Ik zeg / Niets. Ik kom volmaakt tot niets' die weer lijkt te alluderen op Mallarmés Idee van het zuivere en absolute Niets, zijn zonder moeite met veel andere voorbeelden te vermeerderen en plaatsen zijn gedichten in de schaduw van zijn grote voorgangers.
Maar als Sötemann gelijk heeft en het symbolisme geen periode, maar een poëtica is, dan moeten De Koms praktijk en Sötemanns theorie aan elkaar gewaagd zijn.
Aan de eerste eis, dat er in symbolistische, (autonomistische, pure, zuivere - opvallend hoe de etikettering gebruik maakt van woorden uit het vocabulaire van Mallarmé!) poëzie iets nieuws gemaakt moet worden, voldoen De Koms gedichten in ruime mate. Niet alleen zègt hij zelf in zijn gedichten dat te willen: 'Ik wil iets nieuws' en: 'Ik wil een omslagpunt, een wending / Het tropische in poëzie zoek ik, verrukking / Die besloten ligt in een mislukking'; hij probeert wel degelijk, zoals Gerrit Kouwenaar het onder woorden bracht, 'het vlies van het onmogelijke te verbreken [...] sluiers van het bestaan af te trekken, nieuwe verbanden aan te brengen', door in zijn gedichten te proberen het 'exotische, tropische elders' met het 'Nederlandse, koude, hier' te versmelten, of zo men wil: saam te smeden. Men zou dat De Koms Idee kunnen noemen en daarmee raken we meteen aan Sötemanns tweede inzicht: de gedichten van De Kom zijn instrumenten, middelaars, ter verkenning van een onbekende essentie van het leven, in casu: het oxymoron van de twee culturen dat in de poëzie misschien op te heffen is. Het mysterie van de samensmelting van de twee uitersten wordt in de gedichten belichaamd of tot uitdrukking gebracht. Dat is wat de gedichten uitdrukken en dat daarmee het gedicht onmogelijk een nabootsing van de werkelijkheid kan zijn, is evident.
Hoewel er in de poëzie van De Kom wel eens een idee of gedachte staat (zie bijvoorbeeld het zojuist geciteerde 'Ik wil....'), ligt het accent op de taal, de woorden en ook aan de neiging tot versobering en helderheid voldoet het gros van zijn gedichten.
Het loont de moeite bij Sötemanns laatste twee opmerkingen even apart stil te staan. Zowel de waarneming dat symbolistische poëzie vaak haar eigen object wordt (in het geval van De Kom kan men in allen gemoede stellen dat dit expliciet gebeurt), als het opgemerkte wezenlijke besef van het échec zijn voor de beide bundels van De Kom in ruime mate geldig, vaak gecombineerd. In het geciteerde tweeluik 'Aanzet tot een tropische poëtica' spreekt hij over de diaspora van de woorden, vormt Liberia (ondanks de 'symbolische' betekenis van de naam) zelfs verbaal geen toevluchtshaven, gedenkt hij de mislukking die in poëzie begint! Elders in de bundel schrijft hij: 'Mijn juk bestaat in etterende taal, / ik zwoeg met rotte woorden - tropen in ontbonden staat', waarbij de lezer zich bewust moet zijn van de extra betekenis van het woord tropen; het betekent óók 'metaforen'.
Er is hier niet eens meer te spreken van fundamentele onzekerheid over het vermogen van de taal. De Kom lijkt eerder te schrijven vanuit een fundamentele zekerheid dat het versmelten of samensmeden in werkelijkheid nooit en in poëzie zo goed als nooit zal plaats vinden. Ook al lijkt hij in 'Sneeuw en zand' een heel eind op weg, sneeuw en zand, papegaai en raaf worden wel in één gedicht gevangen, maar gaan niet in elkaar op. Ook de taal is ontoereikend. Paul Rodenko schreef hierover:

Er wordt hier dus aan de poëzie feitelijk een buitenpoëtische eis gesteld [...]: het onmogelijke, het 'wonder'; het wonder niet bij wijze van spreken, zoals men, bij gebrek aan een betere definitie, wel van het 'wonder der poëzie' gewaagt, maar het wonder als werkelijkheid, als daad: de doden tot leven brengen, het water van de zee naar de bergen doen stromen (zoals Remco Campert het in zijn gedicht 'Credo' uitdrukt).
Tegenover zulk een eis moet ieder gedicht natuurlijk tekort schieten; vandaar dat deze poëzie wezenlijk een poëzie van het échec is. Maar een poëzie van het échec in deze zin is iets wezenlijk anders dan een poëzie van de mislukking, de gemiste kansen, de berusting in het onvolmaakte. [...] De poëzie van het échec blijft een poëzie van kracht en gespannenheid; het échec kan met allerlei nuances van gevoelens en gestemdheden samengaan, maar paradoxalerwijze liggen deze nuances doorgaans aanmerkelijk dichter bij de pool van de triomf dan bij die van de nederlaag. (blz. 103)

Dat verklaart het elan van de symbolisten, dat verklaart het elan van Antoine de Kom. In het centrum van het doolhof zijn ook zeer levende dichters te ontmoeten, op zoek naar een zwaan uit vroeger tijd in het huidige ijs. Op zoek naar de triomf van de ingevroren zwaan, de verstijfde dode kolibrie.

Literatuur

Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen, Amsterdam, 1995
Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad, Petrus Hoosemans, Groningen, 1995
Jullie gaven mij modder, ik heb er goud van gemaakt, Over Charles Baudelaire, Redactie Maarten van Buuren, Groningen 1995
Claude Pichois & Jean Ziegler, Baudelaire, een biografie, vertaald door Truus Boot en Nelleke van Maaren, Baarn, 1992
Stéphane Mallarmé, De middag van een Faun en andere gedichten, vertaald en toegelicht door Paul Claes, Amsterdam, 1992
Arthur Rimbaud, Gedichten, keuze uit zijn poëzie met commentaren samengesteld door Paul Claes, Baarn, 1987
J.K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Siebelink, Amsterdam, 1987(3 )
Gerrit Komrij, Over de noodzaak van tuinieren, Huizinga-lezing 1990, Amsterdam, 1991
S. Dresden, Symbolisme, Amsterdam, 1980
A.L. Sötemann, Over poëtica en poëzie, Groningen, 1985
Antoine A.R. de Kom, Tropen, gedichten, Amsterdam, 1991
Antoine A.R. de Kom, De kilte in Brasilia, gedichten, Amsterdam, 1995
Wiel Kusters, Pooltochten, Amsterdam, 1989
Het symbolisme in Europa, Rotterdam 1975
H. v.d. Bergh, Roland Holst als super-symbolist In: Maatstaf 21 (1973), blz. 816 vlgg.
Paul Rodenko, Met twee maten, de kern van vijftig jaar poëzie, geïsoleerd en experimenteel gesplitst door Paul Rodenko, 1969(2)
Eerder verschenen in: Bzzlletin 236/7, 1996