Posts tonen met het label brieven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label brieven. Alle posts tonen

donderdag 4 februari 2021

Een brief vol ijdeltuiterij van de heremiet Judith Herzberg & Chris J. van Geel, Brieven1962 – 1974

Terwijl hun beider dichterlijke loopbanen met elkaar opliepen – Van Chr. J. van Geel verschenen Spinroc (1958), Uit de hoge boom geschreven (1967) en Het zinrijk (1971) en van Judith Herzberg Zeepost (1963), Beemdgras (1968) en Strijklicht (1971) – schreven zij elkaar brieven. Een deel van deze briefwisseling, bezorgd en van aantekeningen voorzien door Marsha Keja, is in de  Judith Herzberg & Chris J. van Geel, Brieven1962 – 1974 verschenen onder de titel Brieven 1962 – 1974. De verzameling is slechts een gedeelte, doordat in 1972 Van Geels huis in Groet door brand verwoest werd, ten gevolge waarvan een groot deel van de correspondentie van de kant van Judith Herzberg verwoest is. Dat is jammer, want het lezen ervan levert veel op.

Geïnteresseerden in de poëticale opvattingen van beide dichters kunnen hun hart ophalen. Ze becommentariëren elkaars werk, ze geven reacties op commentaar van “tuttelaars” (zo noemde Van Geel meelezende kritische vrienden) als Jan Emmens en tonen langs deze weg hun denkbeelden over poëzie. Zo schrijft Van Geel in februari ’62 aan Herzberg: “Deze schijn van beveiliging verlies je zodra je een gedicht schrijft dat je motoriek, je karakter draagt, als je gedichten herkenbaar worden. Er komt een moment waarop alles wat er uit je komt je karakter draagt – of niet soms?” Wie hun dichterlijke ontwikkeling gevolgd heeft, kan dat alleen maar beamen: een gedicht van Van Geel is onmiddellijk herkenbaar als “een Van Geel”.  En wanneer Herzberg hem antwoordt, schrijft ze: “Ik bedoelde [...] het kijken naar je vertrouwdste dingen in een vreemde omgeving laat je soms nieuwe aspecten ontdekken. Zo’n gebrek aan fantasie heb ik dan blijkbaar?” Hier formuleert de briefschrijfster ook een essentie van haar poëzie.

De ontwikkeling van hun poëzie is niet zonder twijfels. Herzberg heeft blijkbaar twijfels over haar gedichten, omdat ze de “simpelste versjes van ooit” schrijft, niet weet of ze die “nog wel leuk mag vinden”, geeft een voorbeeld en vraagt voorzichtig: “Zulk soort bedoel ik. Ik vind ze zelf wel een beetje leuk, jij?” Blijkbaar is de reactie van Van Geel – “sommige van je verzen broeien zo na in het geheugen” en: “woorden schieten tekort, daarom versjes”  - afdoende geweest, want ze heeft het betreffende gedicht, zo blijkt uit de aantekening, opgenomen in Zeepost.

Ook Van Geels poëzie komt niet voetstoots tot stand. Niet alleen zijn er de tuttelaars en de reacties daarop, Van Geel lijdt zichtbaar onder de kritiek dat zijn poëzie onmenselijk zou zijn. Hij vraagt zich niet alleen af “Zouden de op afstand geschrevene meer kans op favorietheid maken?”; hij verdedigt zijn op natuurbeelden gebaseerde poëzie ook tegen het verwijt dat zijn poëzie niet om het menselijke zou gaan: “[...] ik ga, als ik het zo mag noemen, de kosmos juist met takkie, boompje, beessie te lijf. (klein maken, ongevaarlijk maken, iets van mij er in doen en weer teruggeven.)” Gaat hier de ernst nog enigszins schuil achter het spelletje met de gemankeerde spelling, een paar zinnen verder gromt hij: “Het mensen-verhaal in mijn drie boeken, weet je dat ik zin krijg ze aan hun sociologen-ogen te onthouden?” om de brief te eindigen met een ronduit cynische hartenkreet: “Ik hoop dat de brief je niet verveeld heeft, anders schrijf ik een andere met minder mensen er in.”

Herzberg toont zich een goede lezer en vriendin. Ze relativeert “onmenselijk” tot de letterlijke betekenis “on-menselijk”, zet zich af tegen de opvatting dat het “altijd over mensen moet gaan” en bevestigt Van Geel in zijn poëtische opvatting: “Juist om alles wat in ons leeft aan bod te laten komen hebben we takken en padden nodig, of mensen, maar verzonnen mensen die bedacht zijn uit een stukje rib maar uitgroeien tot een eigen geheel als het kan, en het kan soms, met fantasie. Maar fantasie is in diskrediet geraakt en een verhaal over kikkers en muizen wordt allen geaccepteerd als het heel doorzichtig niet over kikkers en muizen gaat.”

Zeker sinds de prachtige uitgave van Van Geels Verzamelde gedichten in 1993 had ik het idee dat Van Geel (altijd) zo’n dichter hors concours geweest was, zijn hele oeuvre was immers bij Van Oorschot verschenen toen hij in 1974 stierf. Met dit idee rekent de publicatie van deze brieven af. Van Oorschot blijkt ten opzichte van Van Geel de titel van Gert Jan de Vries’ Ik heb geen verstand van poëzie meer dan waar gemaakt te hebben. De uitgever laat de dichter eindeloos wachten, deelt via Jan Emmens mee dat hij “geen kontakt” met de poëzie van Van Geel kan krijgen, verzwijgt in rijtjes van poëzie-uitgaven de bundel Spinroc, laat verzen voor Tirade ongepubliceerd en deelt de dichter bij het eindelijk opsturen van een contract voor  Uit de hoge boom geschreven droogweg mee dat hij er “niet [...] alles van begrijpt” en dat hij niet “van de bundel in haar geheel ‘weg’“ is. Van Geels milde wraak bestaat er uit dat hij Herzberg laat weten dat Van Oorschot blij mag zijn dat hij hem mag uitgeven.

Nu is beslist niet iedere brief zo’n “beschreven steen”, zoals Van Geel dat noemt als hij zijn vriendin een klaagzang stuurt. Integendeel, Van Geel laat de taal in hoge frequentie met hem aan de haal gaan en er zou een aparte uitgave te maken zijn van de aforismen die op deze manier ontstaan: “Het nestelen duurt lang naarmate je meer noten op je zang hebt. Wie het mooiste zingt, woont niet.” Ook Hertzberg laat zich niet onbetuigd (n.a.v. commentaar op betutteling): “Mooi is je term ‘goede verbetering’. Moge god je voor slechte verbeteringen bewaren.” Wanneer Van Geel terugkomt op de verwijten die zijn poëzie troffen, monkelt hij: “Als men het over mensen wil hebben doet men goed ze te verzwijgen, komen ze beter tot hun recht.” Dergelijke pittige formuleringen en paradoxen maken de briefwisseling tussen deze twee dichters-vrienden méér dan  uitsluitend een waardevolle voetnoot bij de geschiedenis van de Nederlandse poëzie.

Judith Herzberg & Chris J. van Geel, Brieven1962 – 1974,  Judith Herzberg & Chris J. van Geel, Brieven1962 – 1974

Eerder verschenen in: Poëziekrant nr. 3, mei-juni 2018



Opnieuw: “mijn onrustgeteisterd leven” Over J. Slauerhoff, Een varend eiland, brieven.

Na eerder verschenen briefwisselingen tussen Slauerhoff en (al dan niet literaire) vrienden, zoals F.C. Terborgh (1949), Hans Feriz (1984), Hendrik de Vries (2015), Menno ter Braak (2009) en Heleen Hille Ris Lambers (2007) acht De Arbeiderspers de tijd rijp voor een keuze uit Slauerhoffs brieven die, volgens de flaptekst, “een rijke bloemlezing uit de brieven aan studievrienden, geliefden, literaire companen, uitgevers, collega-artsen, familieleden” is en “tezamen [te] lezen [is] als een autobiografie”.

Een varend eiland is vooral te beschouwen als een epistolaire voetnoot bij het oeuvre van Slauerhoff en diens biografie door Wim Hazeu (1995). Hazeu mocht in zijn uitlegwoede nog wel eens doorschieten, maar hij biedt steevast een uitvoerige context bij de door hem geciteerde correspondentie, die hier uit de aard van de uitgave ontbreekt. Aalders voegt een 40 bladzijden tellende biografische schets toe, maar het is de vraag of een lezer die niet ingevoerd is in leven en werk van Slauerhoff daarmee voldoende bagage heeft. De lezer die Hazeus werk wel kent, had waarschijnlijk liever die bladzijden gevuld gezien met een ruimere keuze uit de brieven.

Slauerhoff blies zijn partijtje mee in de vorm-of-ventdiscussie. Zo werpt een aantal brieven nog eens het licht op de affaire met de redactieleden van Forum wanneer het gaat om Victor van Vriesland. Slauerhoff schrijft in een brief aan Menno ter Braak: “Ik vind het geheel nogal gek: van een tijdschrift dat de persoonlijkheid voorstaat, wil men à tout prix iemand als redacteur handhaven die zijn persoonlijkheid, voor zover hij die heeft, al jaren lang verloochent en verkwanselt.”

Dat het Slauerhoff om “de vent” en niet om “de vorm” ging, weet iedereen die zich in zijn spreekwoordelijke slordigheid verdiept heeft. De vent Slauerhoff is bepaald geen vent-uit-één-stuk, hij is een vat vol tegenstrijdigheden en op zijn best een eenheid van tegendelen, zo blijkt ook uit deze verzameling brieven.

Het sonnet “À la Rossetti” (uit Serenade, 1930) vat een deel van de contradicties al samen: “Steeds ben ik met den vijand in mijzelf / in bangen worstelstrijd op leve’ en dood. / Hij wint vaak veld met Afschuw van mijzelf, / met ziekten en verraad tot bondgenoot. [...] En kom met tegenzin weer tot mijzelf. // Opnieuw dan strijd: voor immer onbeslist. / Soms tracht, ontwijkend, ik weer één te worden, vraag zelfs een vrouw of zij mij steunen wil, / hoewel ik altijd innig-zeker wist / dat ik verdoemd ben, al mijn kracht verspil, / Chaos behoor en nimmer raak tot Orde.”

De gevechten met zijn lichaam – in een brief aan Adriaan Roland Holst (1936) schrijft hij met enige ironie: “Ik heb de volgende serie afgemaakt: verkoudheid, larygitis, brochitis, astma, griep, malaria-aanvallen...” vormen één van de rode draden die door zijn leven lopen. Opvallend is het beletselteken aan het eind van het citaat, want Een varend eiland bevestigt de opvatting van Hazeu dat tuberculose onder geen beding genoemd mocht worden om Slauerhoffs beroep als scheepsarts niet in gevaar te brengen, terwijl uit brieven aan collega-artsen, vooral Feriz, zonneklaar blijkt dat de scheepsarts-dichter wíst dat hij “gedoemd” was.

Ook de zoektocht om één te worden is pregnant aanwezig. Zijn het niet de pogingen om zich te binden aan een vrouw, uitlopend op menige “vrouwengeschiedenis”, dan wel de pogingen zich waar-dan-ook op de wereld te vestigen, om vervolgens tegen beter weten in tóch maar weer als scheeparts aan te monsteren. In het citaat is hoewel het kernwoord. Hoewel Slauerhoff hunkert naar een levenspartner, breekt hij verhouding na verhouding af; hoewel hij weet dat hij liefdesbrieven prefereert boven het lief zelf, zoals hij in het sonnet “Liefdesbrieven” (Al dwalend, 1947) opmerkt, trouwt hij met Darja Collin aan wie twee hunkerende brieven zijn opgenomen. Hoewel hij de incrowd van de Nederlandse literatuur haat, schrijft hij al in 1920 aan zijn jeugdvriend Maarten Vrij: “Ieder moet zich zelf zeer luid proclameren of moet een claque, een kring, een partij hebben om zich te doen proclameren” en schrijft zich zijn leven lang bijkans een lamme hand aan literaire vrienden en vijanden.

Slauerhoffs slordigheid is legendarisch. Sommige van zijn manuscripten werden geweigerd, omdat de verregaande onleesbaarheid het onmogelijk maakte het werk publicabel te maken. Deze slordigheid is een karaktertrek, zowel in het menselijke als in zijn literaire werk waar het zelfs een keuze is, zoals hij zelf opmerkt. Maar ook hierin ontbreken de tegenstellingen niet. Het is interessant om de toonverschillen tussen verschillende brieven tegen het licht te houden. Vaak schrijft Slauerhoff brieven die neerkomen op “bestellingen”: wie moet wat en waarom waar naartoe sturen, en het liefst “p.o.”. Maar wanneer het om oprecht beleefde vriendschappen gaat, beheerst hij wel degelijk een ander, aimabeler register. Men leze de brieven aan Adriaan Roland Holst en Heleen Hille Ris Lambers.

In zijn verantwoording, “Transcriptie en presentatie”, schrijft Aalders eufemistisch: “Omdat Slauerhoff weinig gaf om spelling en presentatie van zijn brieven is voor deze editie [...] gekozen voor een aanpassing van de spelling, de interpunctie en de alinea-indeling.” Zelfs na deze editoriale ingrepen is aan de stijl nog te zien dat Slauerhoff háást had: men vindt elliptische zinnen, er ontbreken (nog steeds) leestekens, er zijn suspecte samentrekkingen, die niet alleen duiden op een praktische kant – Slauerhoff was voor zijn menselijke en literaire contacten afhankelijk van zijn correspondentie; hij schreef derhalve in stijgende lijn van onleesbaarheid een groot aantal brieven per dag –, maar ook op een mentaliteit: hij verloor zich niet in het gepriegel met “de vorm”, het ging hem uitsluitend om “de vent”. Daarnaast is vooral in het tweede deel van het boek aan deze haast niet vreemd, dat hij leefde in de wetenschap dat zijn lichaam hem in de steek aan het laten was.

Een leven waarvan hij in zijn laatste levensjaar aan vriendin Heleen opmerkt: “Je hebt ongelijk te denken dat ik ’t leven niet bemin. Meer dan de meesten heb ik ervan genoten, veel te veel soms, wat mij ook geen goed heeft gedaan. In mijn werk uit ik vaak mijn weerzin tegen de lelijke kanten van de samenleving (wat niet het leven is) en het leed van anderen.” Daarbij verwijst hij naar de zeelui in “Brieven op zee” (Een eerlijk zeemansgraf, 1936) waarin hij zowel de ontvangen brieven op pijnlijke wijze relativerend typeert als zijn eigen levenshouding, waarvan deze brieven opnieuw getuigen:

Tussen lieve en liefhebbende steeds staat er

Van kroost, huis, dorp en eiland weer ’t alleen

Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

 

Na tal van reizen is het of een waas

’t Bekende aan land omhult, men is alleen

En hoort bij ’t schip en houdt het met het water.

J. Slauerhoff, Een varend eiland. Brieven gekozen, bezorgd en geannoteerd door Hein Aalbers. Privé-domein nr. 288 Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, Antwerpen, 2016.

Eerder verschenen in: Poëziekrant nr. 6, december 2016