Posts tonen met het label Jeroen Brouwers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeroen Brouwers. Alle posts tonen

donderdag 7 februari 2008

Stofzuigen. Over Stoffer en blik van Jeroen Brouwers

De titel van Jeroen Brouwers’ ‘herinneringen aan een periode (1964 – 1970)’, Stoffer en blik, wekt de suggestie dat het om een inderhaast bij elkaar geveegde verzameling ‘kriskras geschreven’ (blz. 23) losse anekdotes of essays gaat. Ook de inhoudsopgave lijkt op eerste gezicht te duiden op weinig samenhang, anders dan opnieuw een Vlaamse invalshoek: ‘In dienst van uitgeverij A. Manteau n.v., Brussel’, ‘Het overmoedige leven van de miskende schrijver Ward Ruyslinck’, ‘Theo Oegema van der Wal’, ‘Angèle en haar huisgenoot’, ‘Marnix Gijsen. Beeldje in Brussel’, ‘Karel Jonckheere. Grafsteen aan de Dijle’, ‘Herman Teirlinck. Hier komt nooit niemand niet’. Die suggestie van een losse structuur is niet méér dan een suggestie: zoals gebruikelijk in het werk van Brouwers blijkt het boek hecht gestructureerd. Niet alleen concentreren de essays zich rond de eerste periode dat Brouwers bij de Brusselse uitgeverij werkte en debuteerde in de letteren, ook lopen de essays in elkaar over, worden motieven hernomen en zijn de levens van de alhier geportretteerden dermate met elkaar en met het leven en werk van Jeroen Brouwers verweven, dat zij in ieder hoofdstuk opnieuw hun rol opeisen.
Evenals zijn andere boeken – de opsomming achterin levert inmiddels acht romans, zestien titels onder de kop ‘verhalen’, twee (eigenlijk drie) toneelstukken, negenentwintig essayistische werken, zes periodieken, acht autobiografische boeken en een tweetal bloemlezingen – is Stoffer en blik een draad uit het spinnenweb, het oeuvre van Brouwers waar alles met elkaar samenhangt: ‘er is niets dat niet iets anders aanraakt’.
In weerwil van de strakke genre-indeling in bovenstaande lijst, is het zo goed als onmogelijk Brouwers’ essayistische werk te (onder)scheiden van zijn autobiografische; in veel van zijn romans komen zowel autobiografische als essayistische passages voor en ook in Stoffer en blik lopen de verschillende genres door elkaar. Er zijn vanuit Stoffer en blik lijnen te trekken naar romans als Joris Ockeloen en het wachten (1967), omdat de daarin beschreven gebeurtenissen gebaseerd zijn op hetzelfde tijdvak als waarvan in Stoffer en blik sprake is én omdat Brouwers opnieuw afrekent met de hem dertig jaar achtervolgende suggestie dat hij daarmee Dirk de Wittes nooit verschenen roman Dichotomie van een geboorte geplagieerd zou hebben, die hij als ‘uitgeversknecht’ van Manteau onder ogen gehad zou moeten hebben. De functie van ‘uitgeversknecht’ verbindt deze memoires met de roman Winterlicht (1984), waarin Brouwers’ alter ego herinneringen ophaalt aan zijn tijd in die functie. Zijn verhalenbundel Het mes op de keel speelt een rol, omdat hij daarmee in 1964 bij Manteau debuteerde en natuurlijk dient Stoffer en blik als ‘inkleuring, verduidelijking, aanvulling en completering’ (blz. 9) bij het vele dat Brouwers in de loop der tijden al geschreven heeft over de Vlaamse letteren, te vinden in Groetjes uit Brussel (1969), Mijn Vlaamse jaren (1978), zijn kladboeken, zijn feuilletons en voor een aanzienlijk deel verzameld in Vlaamse leeuwen (1994).
Omdat zij in deze context beter tot hun recht komen dan in de afgezonderdheid van een bundel gevarieerd werk, zoals hij in zijn ‘Vooraf’ schrijft, heeft Brouwers in Stoffer en blik twee essays (over Marnix Gijsen en Karel Jonckheere) opgenomen die eerder verschenen in Feuilletons nr. 6, Papieren levens. In L.A. Wieners roman Nestor schrijft Wieners alter ego, nadat hij Papieren levens gelezen heeft, Brouwers een brief. Hij zegt daarin onder meer: ‘Papieren levens is een meesterlijk boek, een boek dat ik niet lees, maar veeleer opvreet en verzwelg met een verhoogde graad van concentratie. Je zou me na lezing kunnen overhoren en ik zou niet veel missen. (Eens een schoolmeester altijd een schoolmeester.) (Het tweede schoolmeester mag je ook door sukkel vervangen.) Vooral de portretten van Marnix Gijsen en Karel Jonckheere zijn onvergetelijk, scherp uitgebeiteld en met wijsheid en kennis van zaken geschreven. De heren worden eerst in al hun onderdelen uit elkaar genomen en vervolgens weer ineengeschoven en daar staan zij dan, voor altijd, maar nu in hun ware gedaante en inmiddels ontdaan van hun pompeuze luister.’
Wat Wiener hier opmerkt over de twee portretten, geldt voor álle portretten in Stoffer en blik. Evenals in zijn boeken over schrijvers-zelfmoordenaars, De laatste deur (1983) en De zwarte zon (1999), is Brouwers’ toon vaak die van solidariteit. De heren schrijvers en de uitgeefster Angèle Manteau worden weliswaar ‘in al hun onderdelen uit elkaar genomen’ en ‘van hun pompeuze luister’ ontdaan, maar het is opmerkelijk hoe Brouwers’ poging hen terug te brengen tot ‘hun ware gedaante’ (uiteraard zoals Jeroen Brouwers die ziet) hen meer eer bewijst, dan wanneer die pompeuze luister zou blijven bestaan. Karel Jonckheere mag dan geportretteerd worden als een kwebbelhoofd van de eerste orde, Brouwers brengt zijn verdiensten óók in fatsoenlijke proporties naar voren. Zijn verbondenheid met en respect voor Teirlinck steekt hij niet onder stoelen of banken. Die bestaan niet uitsluitend bij de gratie van diens schrijverschap en de invloed daarvan op Brouwers’ schrijverschap. Wijzend op een papieren strook met daarop het motto uit zijn Zelfportret of het galgemaal moet Teirlinck Brouwers ooit toegevoegd hebben: ‘Gij zijt er dus ook zoëen.’ Dat motto luidt: ‘Liever geschuwd om mijn waarheid, dan gezocht om mijn schijn.’
Het had één van de motto’s van dit boek kunnen zijn, want ondanks Brouwers’ soms bijkans ongelooflijke geduld met Angèle Manteau, blijkt de verkoopster van boeken er overduidelijk níet zo-een. Angèle Manteau, zo toont Jeroen Brouwers overtuigend aan, is een groot deel van haar latere leven bezig geweest haar biografie te vervalsen en te verfraaien. Brouwers brengt opnieuw noodzakelijke retouches aan in de mislukte poging van Greta Seghers om Angèle Manteaus biografie te schrijven (Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau). Stoffer en blik roept daarmee meteen de vraag op of de ‘definitieve’ biografie van de uitgeverij ooit zal kunnen verschijnen, want de plundering en verdwijning van het door Brouwers opgezette archief en het verdonkermanen van brieven doet het ergste vrezen. Splinters informatie die tot niet veel meer zullen kunnen leiden dan deelstudies, meer zit er waarschijnlijk niet in.
Een leidmotief in het boek is Brouwers’ verzet tegen ingrepen in de manuscripten van schrijvers. Hij neemt Seghers kwalijk dat ze het principe van hoor en wederhoor niet heeft toegepast bij het schrijven van haar boek over Manteau. Hij legt Vlaamse schrijvers het vuur aan de schenen, omdat zij toestonden dat hun literaire werken door de uitgeverij ‘vernederlandst’ werden – en hij laat ten overvloede opnieuw zien op welke schaal dat gebeurde. Hij steekt Walter van den Broeck en passant een pluim op de hoed, omdat die stelselmatig weigerde zijn werk te laten aanpassen.
Het enige portret dat de geportretteerde niet welgevallig zal zijn, is dat van Ward Ruyslinck. Daarmee schrijft Brouwers een polemiek die dampt – van ingehouden woede. Brouwers legt verschillende keren een opmerkelijke pudeur aan de dag: hij wenst onder geen beding beschuldigd te kunnen worden van laster (waar hij Manteau en Ruyslinck nu juist wél van beschuldigt) en wat hij niet kan documenteren, verzwijgt hij. Al met al is dit vrijwel uitsluitend op aantoonbare feiten gebaseerde portret van Ruyslinck waarschijnlijk des te dodelijker: Brouwers slaat hem voornamelijk met zijn eigen formuleringen om zijn oren. Ook Ruyslinck wordt in zijn onderdelen uit elkaar genomen en weer in elkaar gezet. Van de puzzelstukken van de‘keizerarend’ van de Vlaamse literatuur die dat oplevert, blijkt uiteindelijk niet veel meer in elkaar te zetten dan een gefrustreerde, kleinzielige ‘heggenmus’. Ooit waren, volgens Ruyslinck, de rollen omgedraaid. Ooit. Brouwers rekent volledig met hem af, hij heeft niet zozeer een beetje met stoffer en blik rond geschuierd, hij heeft afdoende gestofzuigd. Daarvoor heeft hij, zoals Teirlinck hem indertijd toevoegde, voldoende geoefend, om van het boek een bij vlagen vrolijk, dan weer treurig stemmend, overtuigend mengsel van anekdote, essay, polemiek, autobiografie en herinneringen te maken, waarvoor de titel eigenlijk een te bescheiden aanduiding is: ‘Er moe(s)ten nog wat memoires op papier voordat het licht voorgoed wordt uitgedraaid.’ Wil hij dan’, ‘voordat het licht voorgoed wordt uitgedraaid’, nú eens werk gaan maken van het derde deel van zijn brievenboek Kroniek van een karakter? Dat eindigt in 1986. Ik mis de periode 1986 – 2004.

Jeroen Brouwers, Stoffer & blik. Herinneringen aan een periode (1964 – 1970). Uitgeverij Atlas, Amsterdam / Antwerpen, 2004.

Een spiegelpaleis. Over Jeroen Brouwers' Geheime kamers


Enigszins gechargeerd zou men kunnen stellen dat het in opera’s gewoonlijk draait om het gegeven dat de tenor de sopraan begeert en dat de bas of de bariton daar niet zo’n voorstander van is. Jeroen Brouwers schreef met zijn laatste roman, Geheime kamers, zo’n opera. Weliswaar zonder muziek, maar mét een sopraan, want dat is het beroep van la belle dame sans merci Daphne Uitwyck,- tenminste als men ‘belle’ associeert met mager en wit als de dood.
Bijna tegelijk met het verschijnen van de roman publiceerde Vrij Nederland (14 oktober 2000) een interview met Brouwers. Hij zegt daarin, onder meer refererend aan zijn in 1988 verschenen roman De zondvloed: ‘Ik was de slaaf van mijn eigen literatuuropvattingen geworden: het moest geconstrueerd, barokkig, gelaagd, hecht doortimmerd, ieder detail had wel ergens een functie. Nu tracht ik luchtiger te schrijven, niet meer zo zwaar. In Geheime kamers heet een hotel Memphis. Dat riekt naar mythologie, maar ik ben nu eenmaal ooit in een hotel met die naam geweest. Bij Mulisch zou er dan meteen een opgezette krokodil in de hal hangen, maar voor Brouwers hoeft dat niet meer. In vroegere romans van mij gebeurt geen ene zak.’ Hij noemt Geheime kamers een ‘gebeurtenissenroman’.
Ook in de roman zelf verwijst Brouwers, via het ik-personage Jelmer van Hoff, naar zijn ‘vroegere’ literatuuropvattingen als hij deze, verwijzend naar de brieven van Daphne, laat opmerken dat zij het eigenlijk over niets had: ‘Conform dus de opvatting van bepaalde schrijvers dat in romans e.d. niets hoeft te ‘gebeuren’: - al het ‘niets’ bij elkaar is wat er ‘gebeurt’.’ Brouwers voegt er, ongetwijfeld monkelend, aan toe: ‘Dit had ik wel eens in een krantenbijvoegsel gelezen.’
In zijn brievenboeken valt terug te lezen dat Jeroen Brouwers wel eens jaloers is geweest op de voortbabbelende stijl en de vrijblijvende structuur van Maarten ’t Hart. Toen deze daarom gekapitteld werd door de kritiek, stak Brouwers hem een hart onder de riem door ’t Hart er op te wijzen dat de kritiek maar door moest hebben dat het hem om iets heel anders ging. Brouwers sprak daarbij de wens uit zelf ook eens zo onbekommerd te kunnen schrijven.
Uit het interview blijkt dat Brouwers met deze inzet aan Geheime kamers gewerkt heeft. En inderdaad: in de hal van hotel Memphis hangt géén krokodil. Voorts valt echter vast te stellen dat een literatuuropvatting zich blijkbaar niet verloochenen laat: het is een hecht doortimmerde roman waarin allerlei details, zoals een jojo, een woonboot, de namen van de personages, hun metaforische functies vervullen. Het kwam Brouwers op een zure kritiek te staan van Peter Henk Steenhuis (Trouw, 14 oktober 2000). Hij stelt knarsetandend vast dat ‘niets in Brouwers’ werk zonder betekenis is’, noemt de roman ‘ronder dan rond’, ‘groots maar onbevredigend’, denkt dat Brouwers’ ‘uiteindelijke doel is het scheppen van schoonheid’ en doet het boek af als ‘kitsch’. Hoe hecht de roman ook geconstrueerd mag zijn, hoezeer er ook geen enkele mus van het dak valt, zónder dat dit een functie in het verhaal heeft,- Brouwers heeft het drama dat zich in Geheime kamers voltrekt onmiskenbaar luchtiger en lichter getoonzet dat zijn vroegere werk. Een lezer behoeft de symbolische motieven niet te zien om de roman te kunnen genieten.
Wat Steenhuis daarnaast over het hoofd ziet is dat de theatrale elementen wezenlijk onderdeel uitmaken van de thematiek van de roman, die zichzelf niet voor niets, bijvoorbeeld in de woordkeuze (falset, schrijden, niet leidenschaftlich zoals componisten soms boven hun liederen schrijven, bosdecor, continuo, sopraan, tenor, con furioso), als een opera presenteert.
De operateske verhaallijn concentreert zich rond de illusies in zake liefde die het ik-personage najaagt. Hij ontmoet Daphne, inmiddels de vrouw van zijn studievriend Nico Sibelijn, opnieuw. Hierdoor wakkeren de verliefdheidgevoelens die hij indertijd al had in alle hevigheid aan. Evenals in de mythe van Apollo en Daphne zal hij haar nooit kunnen ‘bezitten’, want zij speelt met hem een geraffineerd spel van aantrekken en afstoten. Om dat overbekende gegeven bouwt de schrijver met zijn andere personages een spiegelpaleis van schijn en wezen, want daar lijkt de roman in laatste instantie om te draaien: het leugenachtige adagium van Daphne, dat dingen niet bestaan als men ze niet ziet, te weerspreken. Jelmer komt op zeker moment tot het inzicht dat hij zich zijn liefde voor Daphne slechts verbeeldt. Alle personages behalve één houden er een dubbelleven op na, vrijwel iedereen gaat op zijn minst mentaal vreemd en die zaken worden niet gezien, maar bestaan wel, al is het maar in de reconstructie van Jelmer waar de roman uiteindelijk uit bestaat. Paula Doorenbos (alweer: What is in a name?), de levenspartner van Jelmer, ontkent het bestaan van hun dochter, omdat deze aan het syndroom van Down lijdt. Op iedere confrontatie met de werkelijkheid reageert ze hysterisch,- ze wil haar niet zien en ontkent zo het bestaan van Hanneke.
Op bladzijde 140 vraagt iemand zich af: ‘Als er in het diepst van een regenwoud een boom omvalt, zonder dat in de verre omtrek een mens aanwezig is om er getuige van te zijn, heeft dat omvallen dan toch het lawaai gemaakt dat erbij hoort?’ Het antwoord dat de roman geeft, luidt ondubbelzinnig: ja! Ook als ze niet worden waargenomen kunnen dingen bestaan. Sterker nog, Brouwers draait het nog om ook: dingen die niet bestaan kunnen worden waargenomen. Het leven van de personages wordt nog meer op de helling gezet door alweer zo’n spel met schijn en wezen, de roddelpers. Een vroegere studiegenoot van Sibelijn en Van Hoff componeert uit foto’s, halve waarheden, hele leugens en suggestieve vragen een schundverhaal dat Sibelijns wetenschappelijke status ondergraaft en het leven van de overige personen nietsontziend in de daardoor veroorzaakte stroomversnelling meesleurt. Het is een opera ín een opera, die Jelmer de wens ingeeft ‘onzichtbaar te zijn, niet te bestaan’,- een oude Brouwers-thematiek.
Brouwers bespaart zijn hoofdpersoon weinig, een mislukte carrière, een mislukt huwelijk, een niet bestaande liefde, maar deze antiheld verkeert tenslotte in een held. Als enige zoekt hij naar een zuiverheid die wellicht alleen weggelegd is voor zijn mongoloïde dochter Hanneke,- voor haar bestaat er geen scheiding tussen schijn en werkelijkheid. De passages over en met Hanneke zijn dan ook met gemak de ontroerendste en zuiverste die ik sinds tijden gelezen heb, zeker in vergelijking met het valse koor er omheen. Brouwers laat Jelmer haar hard en vooral eerlijk beschrijven en dat geldt ook voor het zelfonderzoek dat hij al schrijvend doet.
Jelmer is allesbehalve brandschoon, ook hij pleegt in meer dan één opzicht overspel, maar hij is de enige die zichzelf in eerlijkheid onder ogen probeert te zien. Hij herstelt niet alleen uit alle fragmenten en gebeurtenissen het verhaal, hij is zich zijn wanen, de scheiding tussen schijn en werkelijkheid bewust en bovenal ontdekt hij – en laat de roman zien – hoe ieder gevangen zit in zijn eigen perceptie van de werkelijkheid.
Tijdens een bezoek aan de kermis probeert Jelmer zijn dochter uit een spiegelpaleis, waar zij in verdwaald is, te helpen ontsnappen. Ook hij raakt de weg kwijt. Het is bepaald niet onopzettelijk dat de man die Jelmer en Hanneke à la minute uit het spiegelende doolhof bevrijdt blind is.
Geheime kamers doet denken aan een scène uit Bertolucci’s La Luna (1978). Daarin ziet de zoon van een zangeres zijn moeder optreden in een opera, terwijl zij zingend voor een waterval staat. Als hij later backstage is, ziet hij dat ‘het water’ bestaat uit rollen loshangende blauwe en witte repen stof die gedurende de voorstelling rondgedraaid worden. Maar vanuit de zaal ziet hij: stromend water.

Jeroen Brouwers, Geheime kamers. Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2000.

Eerlijk, hartstochtelijk, onbegrepen. Over de essayistiek van Jeroen Brouwers

Op het omslag van Jeroen Brouwers’ Kladboek (1979), zijn eerst bundeling ‘polemieken, opstellen en herinneringen’, prijken een rode schrijfstift en een scalpel, gelegen op een opengeslagen schrift. Dat zouden de symbolische werktuigen van de essayist moeten zijn: met het scalpel ontleedt hij en met de rode pen straft hij vervolgens het feilen van zijn onderwerp af.
Onderhavige tekst is echter gedoemd een ‘esseej’ te worden – dat is: ‘een opstel waarin andermans boeken worden naverteld zonder namen te noemen, Engelse en Franse schrijvers in het oorspronkelijk worden geciteerd omdat het dan veel mooier klinkt en conclusies worden getrokken die de lezer zelf ook wel had kunnen trekken, als hij daar plezier in had gehad’ (geciteerd via Jeroen Brouwers, Feuilletons, zomer 1996, uit: W.F. Hermans, Het sadistisch universum, 1964), met dien verstande dat hier vooral de essays van Jeroen Brouwers ‘naverteld’ en geplunderd zullen worden, want iets anders schrijven dan zo’n door Hermans terecht denigrerend afgewezen napraatessay over het essayistische werk van Brouwers is zo goed als onmogelijk. Wie daarover nog iets oorspronkelijks wil beweren, vindt het gras welhaast volledig voor de voeten weggemaaid. Niet in de laatste plaats heeft de auteur zelf het terrein vakkundig afgegraasd door in zijn gepubliceerde brieven, documenten en essays op de materie in te gaan. Soms deed hij dat al gaandeweg in het essay dat hij onder handen had. Zo schreef hij in ‘De nieuwe Revisor’ (De bierkaai, kladboek 2. Schotschriften en beschouwingen, 1980) voorspellend, of toen al door ervaring ‘wijs’ geworden:

Doe iets in Nederland, bij voorbeeld schrijf,- schrijf wàt dan ook, als het maar niveau heeft, als het maar waarachtig is, als het maar ànders is dan ‘gewoon’, schrijf de mooiste roman, schrijf de scherpste polemiek, schrijf de zuiverste taal, maak er wat van, geef er blijk van niet tot de lamlendigen te behoren,- doe dat, en vervolgens: wéét dat je ‘tot overmaat van ramp’ door de klonen van het prikkeldraad een beunhaas zal worden genoemd, wéét dat van je zal worden gezegd dat je in de eerste plaats niet integer bent, wéét dat je hele hebben en houwen, je inkomsten, je betrekking, je liefdeleven, de minder geslaagde kanten van je karakter, je levensgeschiedenis, je echtscheiding, je kinderen die na je echtscheiding bij hun moeder zijn blijven wonen, je vergissingen, je misluktheden, dit alles en nòg veel meer te grabbel zal worden gegooid, waarbij men er niet voor terugdeinst tendentieus te citeren uit persoonlijke geschriften die je ooit (soms wel tien jaar of nog langer geleden) hebt afgescheiden, je uitspraken in de mond te leggen die je nooit hebt gedaan, sommige van je gedragingen zó te interpreteren dat wel lijkt of je een misdadiger, een laffe hond, een leugenaar, of een gevaarlijke idioot bent. (blz. 111)

Of Brouwers het zich bewust was toen hij dit schreef, is niet te achterhalen, maar het is de opmaat voor een verdediging van zijn eigen polemische werk die op den duur met de allure van een refrein in zijn werk moest terugkeren. Vooral de ad hominem-argumentatie die hij hier voorziet, is zijn deel geworden, zelfs zo dat hij in Kroniek van een karakter II tegen Cherry Duyns verzuchtte:

Het is al jaren zo, dat alles wat ook maar iets met ‘Brouwers’ te maken heeft wordt afgekeurd of verdacht gemaakt omdat het iets met ‘Brouwers’ te maken heeft. […] Men kijkt niet naar wat (de roman; het essay; de film) maar naar het wie.

Jeroen Brouwers heeft deze ‘status’ vooral te danken aan de polemische stukken uit zijn essayistische werk. Voor wie er behoefte aan zou hebben ook naar deze positie te streven is er uit Brouwers’ tweedelige brievenbrevier Kroniek van een karakter I een cursus polemiseren te destilleren, die voorafgegaan zou moeten worden door de navolgende waarschuwing, waarin de schrijver de door hem inmiddels verworven status preciseert – vergelijkbaar met de waarschuwingen tegen hart- en vaatziekten en longkanker op pakjes sigaretten (Men leze: ‘De laatste sigaret’, in: Feuilletons, zomer 1996):

Wie wil weten wat eenzaamheid is, moet schrijven. Hoe intelligenter hij schrijft, hoe groter de kans dat hij slecht wordt gelezen, hoe eenzamer hij is, hoe meer stront hij naar zijn hersens krijgt en op loyaliteit hoeft hij niet te rekenen. (Kroniek I, blz. 63)

Jeroen Brouwers schrijft aan Maarten ’t Hart dat polemiseren niet moeilijk is. ‘Waar het op aankomt,’ vervolgt hij, ‘zijn natuurlijk je argumenten en bewijsvoeringen.’ De rest vindt hij ‘woordkunst en goochelaarswerk’. (Kroniek I, blz. 361) Het belang dat Brouwers hier terecht hecht aan de onderbouwing van een polemisch essay is te beschouwen als een variant op zijn hierboven geciteerde filippica tegen ad hominem-argumentatie: het essay moet in de eerste plaats inhoudelijk deugen,- een opvallende uitspraak van de als vorm-freak en taalkunstenaar gedoodverfde schrijver die hij (óók) is. Wie hem, voor zover het zijn polemisch werk betreft, als eerste aanspreekt op zijn ‘woordkunst’, kan op een verbolgen weerwoord rekenen. Zo keert hij zich in Het is niets (1993) tegen een passage uit Het literaire leven in de twintigste eeuw. Zijn irritatie, schrijft Brouwers, geldt de karakterisering van ‘polemiek die dit drukwerkje verschaft’:

Een overwinning of het gelijk wordt niet zozeer behaald dankzij de inhoudelijke kracht van de argumenten, maar is in de eerste plaats afhankelijk van stijl.

Brouwers doet de kwalificatie af als onzin en levert nóg eens zijn visitekaartje als polemist af. De variatie op het refrein luidt ditmaal:


Een in de eerste plaats van stijl afhankelijke polemiek is als een door een glasblazer vervaardigde, rijk versierde vliegenmepper die al breekt en tot gruis en splinters uit elkaar valt voordat hij op het insect is neergekomen.
Een polemiek die niet ‘zozeer’ is gebaseerd op argumenten, nog afgezien van ‘de inhoudelijke kracht’ daarvan, is niet een polemiek, maar iets anders: - bijvoorbeeld te benoemen als een lasterstuk, een opstel voor suggestieve beweringen, verdachtmakingen, verwijten et cetera, bij voorkeur ad hominem. Niet geschreven op grond van argumentaties maar om reden van haat, minachting, kwelzucht, wraak. (blz. 123)

Het literatuurboekje beweert voorts dat ‘echte polemisten vaak meer zorg plegen te besteden aan de vormgeving van hun stukken dan aan de feitelijke onderbouwing daarvan.’ Het wordt als een algemeen geldende waarheid geformuleerd, waar Brouwers zich onmiddellijk met ironisch geformuleerde hooghartigheid van distantieert:

Ik ben er zo een die, uiteraard ook brillerend in soevereine stijl, in de eerste plaats zorgt voor ‘feitelijke onderbouwing’ der geïncrimeerde zaken en dienaangaande principiële standpunten verdedigt: - géén leugens, géén falsificaties, géén toespelingen op het strikte privé-bestaan van het ‘slachtoffer’ in zoverre dit niets met het onderwerp te maken heeft, géén beweringen zonder bewijsvoering, welke bestaan uit correcte, door iedereen verifieerbare citaten plus bronvermeldingen. (blz. 124)

In de veertien jaar die verstreken sinds de verschijning van Kladboek is Brouwers door schade en schande tot zijn eenzaamheid leidende inzichten gekomen, want hij beëindigt zijn ‘verdediging’ met deze alinea:

Mijn polemische werk voldoet dusdanig gestreng aan deze stelregel dat het wel daarom moet zijn dat opponenten nooit op mijn betoog-als-zodanig (kunnen) ingaan, maar hun reacties richten op mijn persoon, mijn zogenaamde intenties, et cetera, zodat er in plaats van polemieken roddelstukken ontstaan. (blz. 124)

Nu mag dit waar zijn,- een deel van de reacties van Brouwers’ ‘opponenten’ wordt ongetwijfeld mede veroorzaakt door diens ‘woordkunst en goochelaarswerk’: zijn onmiskenbaar eigen even agressieve als humoristische toon. Brouwers wenst te polemiseren vanuit oprecht gevoelde verontwaardiging (Kroniek II, blz. 348) en die moet in het essay ‘hoorbaar’ zijn. Een polemiek moet niet alleen ‘zéér gestreng geschreven’ zijn, ‘zonder één bewering of hij wordt door citaten en bronopgave daarvan bekrachtigd,’ maar het moet ook ‘lachen geblazen’ zijn (Kroniek I, blz. 93). Brouwers geeft, in een brief aan Jaap Goedegebuure, grif toe dat zijn aanval op D.A. Kooimans verhaal ‘De schrijver droomt’ cabaretesk is, dat hij soms melig spijkers op laag water zoekt en verbindt hier een algemeen geldende eis met betrekking tot polemiseren aan: ‘polemiek moet overdreven worden.’ Brouwers wil dat polemiek zo goed geschreven is, dat men deze ‘om deszelfs wille kan lezen’ (Kroniek I, blz. 113, 140).
In polemiek is Brouwers duidelijk geen voorstander van een ‘Ter Brakerig: ja, nee, eigenlijk wel, eigenlijk niet, hoewel, anderszins, ik bedoel…’ (Kroniek I, blz. 141) Als er ‘geen handgranaten’ beschikbaar zijn, dan moet het maar ‘met paardenvijgen’, maar polemiek ‘moet dampen’ (Kroniek I, blz. 161).
De feiten moeten kloppen, het gaat niet in eerste instantie om de nuance, maar een cabareteske overdrijving omwille van de stijl is daardoor makkelijk te vinden en het ligt voor de hand dat Brouwers’ tegenstanders daar hun schimpscheuten op richten. Men neemt niet de niet te bestrijden feiten, maar men zoekt de overdrijving en ontkent die. Wanneer Brouwers zich om het effect van de polemiek voorneemt van een verhaal aan te tonen dat alle zinnen niet deugen, zal er allicht één enkele zijn waarbij hij ‘spijkers op laag water moet zoeken.’ Het recept van het ‘verweer’ is dan: negeer Brouwers’ aanval op het grote geheel, neem zijn onheuse kritiek op díe zin onder de loep, toon aan hoe onrechtvaardig die is en ontmasker de polemist daarmee als: een leugenaar. Tref in een opsomming van jongens- en fietsboeken De renner van Tim Krabbé aan, beweer, voorbijgaand aan de intentie van de opsomming, dat dit ‘intussen wel een van de beste boekies is die de laatste jaren, al dan niet over fietsen, zijn uitgekomen’ en voila: Brouwers heeft ‘dus’ ongelijk. Maar of dáár de strekking van Brouwers’ essay door ontkracht wordt, is een retorische vraag.
Voor een cursus drogredeneren kan men dan ook te raden gaan in De valse Revisor (1979), het ‘polemische antwoord’ op Brouwers’ De nieuwe Revisor (Tirade 250, 1979 en) opgenomen in De bierkaai, kladboek 2, hetgeen Brouwers noopte in het laatst genoemde boek opnieuw te zijner verdediging een aantal keren het refrein te hernemen.
Zo wordt hij met ‘humoristische’ minachting uitgemaakt voor ‘bijna-Rooms’ en ‘katholiek’, terwijl iedereen die een beetje kennis heeft genomen van zijn werk, weet dat hij dit geloof al járen geleden afgezworen heeft en wat zou dat overigens met de inhoud van zijn geschrift te maken hebben als hij … ?
Men ontkent ‘literair criticus’ te zijn, terwijl Brouwers in zijn schotschrift met bronvermelding een kritiek op ’t Harts Een vlucht regenwulpen citeert en gooit vervolgens olie niet op de golven, maar op het vuur door het betreffende stuk zelf geen kritiek, maar ‘een roddelstuk’ te noemen, blijkbaar daarbij over het hoofd ziend dat Brouwers dáár nu juist tegen in het geweer kwam. Men herleze het bovengegeven citaat uit Het is niets.
In dezelfde publicatie wordt uit Brouwers’ brieven aan uitgever Loeb, één van de doelwitten van De nieuwe Revisor, geciteerd, met voorbijgaan aan het feit dat de daarin verstrekte citaten uitsluitend over de uiterlijke verschijningsvorm van Loebs boeken gaan, terwijl De nieuwe Revisor exclusief over de inhoud handelt.
Men licht Brouwers’ doopceel, komt met journalistiek om den brode verricht jeugdwerk op de proppen, plaatst zonder vermelding van een jaartal een foto van een jonge Jeroen Brouwers met een bloknootje op de knie en noteert eronder: ‘Jeroen Brouwers als roddeljournalist’.
Men beweert dat Brouwers een slecht polemist is, ‘omdat hij critici aanvalt die als criticus door niemand serieus worden genomen,’ terwijl Brouwers juist aantoonde waaruit de macht van die critici bestond. Overigens had men hierbij niet in de peiling dat men met dit predikaat Brouwers’ pamflet eerder ondersteunde dan ontkrachtte. Juist naar het feit dat een niet serieus te nemen criticus tien jaar lang een prominente plaats op de literatuurpagina van een krant innam, ging zijn woede uit.
Men verzuchtte demagogisch dat Brouwers zijn pijlen richtte op een criticus die nu juist opgestapt was, alsof Brouwers zijn polemiek niet begonnen was met de vermelding van dat feit en hij naar aanleiding dáárvan een ‘in memoriam van een tijd’ schreef alsmede een oproep tot een andere mentaliteit.
Men maakte belachelijke dat Brouwers’ pamflet ondersteund wordt door 152 bronvermeldingen, onder vermelding van het feit dat de schrijver ‘zelfs de MULO nog niet gehaald heeft.’ Enfin: zie het citaat uit Het is niets.
Kortom, er verhief zich een koor van door en tegen elkaar in galmende zangen en tegenzangen die op den duur door de gebrekkige argumentatie steeds meer ging rondzingen. Vervolgens trad er enige tijd windstilte in tot de geschiedenis zich herhaalde bij om het even welke polemiek Brouwers publiceerde: zijn aanval op de pretenties van de ‘Revisor-generatie’, zijn aanvallen op de beroerde, niet op literatuur maar op de persoon van de schrijver gerichte ‘literatuurkritiek’, zijn aanval(len) op het overschrijfgehalte van zogenaamd wetenschappelijk werk, zijn frontale aanval op de verloedering van het Vlaamse literatuurbedrijf, zijn aanvallen op ‘per fietspomp’ opgeblazen reputaties van sommige wetenschappers, schrijvers en uitgevers,- alles na te lezen in zijn vier ‘kladboeken’ en de feuilletons.
Het is enige tijd gebruikelijk geweest (overschrijven!) om Brouwers’ polemieken af te doen als ‘onbelangrijk’, door de personen of zaken waartegen deze gericht waren als ‘te klein’ of ‘te onbelangrijk’ af te doen. Op het eerste gezicht lijkt dit een ter zake doende bestrijding van ‘het leed dat Brouwers heet’, maar als de kwalificatie op waarheid zou berusten, waarom onstond er dan steevast zoveel rumoer rondom zijn pamfletten? Daarbij werd de ‘onbelangrijkheid’ van de zaak of persoon in zoverre door Brouwers erkend dat het hem over het algemeen om de grote wél belangrijke zaak (meestal van literaire aard) ging. Het ging niet in eerst instantie om het schrijverschap van D.A. Kooiman, maar om de pretenties die in de literaire kritiek ‘voor waar’ werden gehouden. Het ging niet om die ene opstappende recensent, maar om het verloederde, verkindste en verkinderlijkte literaire klimaat. Het ging niet om een literaire journalist, maar om de gezichtloosheid van een literair supplement van een algemeen gerespecteerd landelijk dagblad. Het ging (en: gaat) niet om een wetenschapper die, keurig met bronvermelding, verwijst, maar om de manier waarop ‘wetenschap’ beoefend wordt: niet door het zelf formuleren van eigen ontdekkingen en inzichten (Kroniek II, blz. 365), maar door het klakkeloos, liefst zonder bronvermelding, van elkaar overschrijven. Het gaat niet (hoewel ook) om de reputaties van R. Kousbroek en K. van het Reve, maar om hun buitengewoon slordige, bijkans in drogredeneringen omkomende manieren van ‘argumenteren’, die vervolgens door menigeen voor ‘waar’ aangenomen wordt.
Van de laatste twee kan men in ieder geval niet beweren, ‘dat zij door niemand serieus genomen worden.’ Beide scribenten: ruime publicatiemogelijkheden in NRC Handelsblad, toegang tot uitgeverijen, leidend tot P.C. Hooft prijzen in respectievelijk 1975 en 1981, de één professor, de ander eredoctor.
Wat Brouwers in hun geval gedaan heeft is niet anders dan zijn beproefde credo toepassen: ‘Zoek bij mensen de mythe en ontzenuw die.’ (Kroniek I, blz. 252) Maar alles is vergeefs, want in De Volkskrant van 10 augustus 2001 (blz. 3c) was het bericht te lezen dat ‘Karel van het Reve (1921 – 1999) de geschiedenis [is] ingegaan als iemand die graag – geïnspireerd door z’n grote voorbeeld Sir Karl Popper – alle mogelijke onzin aan de kaak stelde, vaak door bij een aanvaarde opvatting één niet te weerleggen tegenvoorbeeld te verzinnen. Hij had er z’n roem (en z’n gnuivende lezers) aan te danken. Van het Reve was een zorgvuldig en slim stilist […].’
Brouwers zou, vooral bij de laatste zinsnede, ongetwijfeld ‘gnuiven’,- van verontwaardiging. Het is een opinion chic – een gemeenplaats: ‘een almaar klakkeloos herhaalde uitspraak aan de waarheid of ‘geldigheid waarvan niemand twijfelt om de doodeenvoudige reden dat niemand zich de moeite getroost daar een onderzoek naar in te stellen’ (Het vliegenboek, blz. 201) – zoals Karel van het Reve er zelf regelmatig debiteerde, hetgeen door Jeroen Brouwers werd onderzocht en aangetoond. Brouwers heeft in ‘Uren bij het theelicht. De Elsschotkunde van Karel van Het Reve’ diens achteloze, slordige, luie en menigmaal aantoonbaar foute manier van redeneren, alsmede zijn krakkemikkige stilistische vermogens afdoende gefileerd, ruimschoots voorzien van letterlijke bewijsplaatsen en tegenargumenten gebaseerd op het werk van Van het Reve. Maar een gemeenplaats is als onkruid: is het hier bestreden, duikt het daar weer op. Remco Campert schreef in een gedicht: ‘Het gras komt pluksgewijs op / daar waar vorig jaar vuur grond kaal maakte’.
Iets dergelijks geldt R. Kousbroek. In ‘Het Oostindisch kampsyndroom (over Rudy Kousbroek)’, gepubliceerd in De Tijd in 1988 en opgenomen in Het vliegenboek uit 1991, demaskeert Brouwers de demagogische manier van argumenteren door R. Kousbroek. Hij laat – alweer: met geciteerde bewijsplaatsen – genadeloos zien van welke ‘trucs’ (schrijft Brouwers, men leze echter: drogredenen) R. Kousbroek gebruik maakt: hij gebruikt obscure bronnen en generaliseert op basis daarvan overhaast, hij verdraait en negeert wetenschappelijke literatuur, literaire fragmenten worden als ‘bewijs’ gebruikt voor een historische werkelijkheid (en hij neemt Brouwers met betrekking tot Bezonken rood kwalijk dat hij in een roman de historische werkelijkheid geweld aangedaan zou hebben), hij negeert elke weerlegging door en argumentatie van anderen, hij bezondigt zich aan glasharde leugens (bijvoorbeeld ten aanzien van de positie en verantwoordelijkheden van de Japanse keizer gedurende de tweede wereldoorlog) en hij gaat de mist in als het gaat om causaal redeneren: de Japanse keizer is onschuldig en niet-verantwoordelijk voor de door Japanse soldaten gepleegde gruweldaden – die op zich door R. Kousbroek ten onrechte gebagatelliseerd zo niet ontkend worden –, want hij was een zachtzinnig zeebioloog. Geen wonder dat Brouwers naar aanleiding van de uitreiking van het eredoctoraat in de wijsbegeerte (18 juni 1994) aan R. Kousbroek opnieuw in woede ontstak, nadat hij al in Het circus der eenzaamheid, kladboek 4 (1994) R. Kousbroeks herhaalde standpunten nog eens had weerlegd. Sinds de verschijning van Het Oostindisch kampsyndroom spreekt Brouwers overigens van ‘gene zijde’, want op bladzijde 486 verklaart R. Kousbroek hem domweg dood: 'Het is polemiseren met een lijk. Die man is niet buiten kennis, hij is gewoon dood.’ Het is de kwadratuur van een eerder Kousbroek-argument: ‘Brouwers deugt niet.’ Voorwaar een manier van ad hominem-redeneren die een eredoctoraat waard is,’ die heeft Brouwers toen hij zijn ‘refreinen’ schreef niet kunnen voorzien.



Van gene zijde – dat is in ieder geval een plek waar Brouwers zich ‘thuis’ voelt, als schrijver van het ‘in memoriam van deze tijd’. Want dat mag niet vergeten worden: zo goed als Brouwers opgepompte reputaties tot hun juiste proporties teruggebracht heeft, hij heeft anderen, vaak miskenden, op onnavolgbare wijze tenminste hun plaats in de literatuur gegund. In ieder van de ‘kladboeken’ veegt Brouwers reputaties van tafel, als het ware om ruimte te maken ten einde anderen daarvoor een reputatie toe te kennen. In het eerst ‘kladboek’ schijnt het licht op Hélène Swarth, Jan Emiel Daele, Henriëtte Freezer en Johan Daisne; in Kladboek 2 op Teirlinck, Boon en Buysse; in Het vliegenboek (kladboek 3) op o.a. Rob Nieuwehuys, Richard Minne, Paul Snoeck, Walter van de Broeck, Geert van Oorschot; in het vierde ‘kladboek’ op onder meer: Daniël Robberechts, André Baillon, Paul de Wispelaere, Benno Barnard. Daarnaast schreef hij biografische deelstudies over Godfried Bomans, Hélène Swarth, W.F. Hermans en Elize Baart.
Het absolute meesterstuk in dezen is natuurlijk De laatste deur (1983), een levenswerk bevattende: essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, zoals de ondertitel luidt: intense ‘in memoriams’ die niet alleen uitblinken in biografisch, psychologisch en literair opzicht, maar vooral door ‘de toon van solidariteit’. Brouwers wilde met De laatste deur een wetenschappelijk boek schrijven ‘volstrekt zonder ‘literatuur’ of mooischrijverij, geen pathos, geen sentimentaliteit’ (Kroniek I, blz. 300), maar het onderscheidt zich vooral doordat hij dankzij een groot vermogen tot vereenzelviging met de schrijver-zelfmoordenaars tot ‘eigen ontdekkingen en inzichten’ is gekomen. Deze inleving verklaart – evenals later bij de deelbiografieën over Hélène Swarth en Godfried Bomans – Brouwers’ ‘toon van solidariteit’. Brouwers getuigt van respect voor de schrijver die hij onder handen heeft door onbevooroordeeld en open zijn onderwerp tegemoet te treden. Eerlijkheid is het motto, hij laat voor hem gelden wat hij in het voorwoord van Het is niets over zichzelf schrijft:

Ik ben de schrijver die ik ben en wil niet voorwenden dat ik eigenlijk een ander schrijver zou zijn. En als schrijver ben ik niet iemand anders dan die ik ben als ik niet schrijf.

Jan Emiel Daele (1942 – 1978) was géén groot schrijver en het wordt onomwonden vastgesteld, desalniettemin krijgt hij één van de mooiste in memoriams die Brouwers ooit schreef, waarmee zijn plek in de literatuur verzekerd is. Ook hier gaat het in veel gevallen om meer dan alleen de besproken schrijver. Met ‘Jan Emiel Daele’ draagt Brouwers een tijdperk ten grave, met het essay over François HaverSchmidt (Piet Paaltjens) komt de invloed van de Bijbel in zicht, met ‘Menno ter Braak’ wordt de invloed van de politieke situatie belicht, ‘Jotie ’t Hooft’ en ‘Dirk de Witte’ ‘vertegenwoordigen’ de jaren zestig.
In Kroniek van een karakter is na te lezen hoe teleurgesteld Jeroen Brouwers over de receptie van De laatste deur was.
Jaren na zijn geruchtmakende Vlaanderen-pamfletten (verzameld in Vlaamse leeuwen) is hij in België uitvoerig bekroond (orde van de Vlaamse Leeuw (1992) en Ridder in de Kroonorde (1993)) – een erkenning van zijn gelijk eertijds. In Nederland kreeg R. Kousbroek voor zijn aan elkaar gelijmde krantenstukken dat eredoctoraat in de wijsbegeerte, K. van het Reve én R. Kousbroek ontvingen de P.C. Hooftprijs voor hun krakkemikkig ‘geredeneer’. Het is derhalve een schande dat er geen enkele (psychologische en niet per se een literaire) faculteit is geweest die Brouwers voor dat unieke boek een (ere-)doctoraat aangeboden heeft. En de P.C.Hooftprijs voor essayistiek had hij al lang moeten hebben. De argumentatie daarvoor: zie hierboven in dit esseej.

1 Deel 1 van Kroniek van een karakter loopt van 1976 tot 1981, deel 2 van 1982 tot 1986. Waar blijft toch het vervolg?

Literatuur

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter, deel 1, 1976 – 1981. De achterhoek. (1986) en deel 2, 1982 – 1986. De oude Faust. (1987) verschenen bij uitgeverij Hadewijch, Schoten.
Het essayistisch werk van Jeroen Brouwers, uitgegeven bij De Arbeiderspers, is te vinden in: Kladboek (1979), Kladboek 2. De Bierkaai (1980), De spoken van Godfried Bomans (1982), Es ergo sum (1982), De laatste deur (1983), Hélène Swarth. Haar huwelijk met Frits Lapidoth. 1896 – 1910 (1985), De schemerlamp van Hélène Swarth (1987), De versierde dood (1989), Kladboek 3. Het vliegenboek (1991), Het is niets (1993) Kladboek 4. Het circus der eenzaamheid (1994), Vlaamse leeuwen (1994), Adolf, Eva & de Dood (1995).
Bij Bas Lubberhuizen verscheen: Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart en Bastiaan Korteweg (1993).
De valse Revisor verscheen bij C.J. Aarts, Amsterdam, 1980.
Bij uitgeverij Atlas verschenen: Het aardigste volk ter wereld. W.F. Hermans in Brussel (1996), Feuilletons (zomer 1996), Extra Edietzie (Feuilletons, herfst 1996), Satans potlood (Feuilletons, zomer 1997) Alles is iets (Feuilletons, lente 1998), Terug thuis (Feuilletons, winter 1998), De zwarte zon. Essays over zelfmoord en literatuur in de twintigste eeuw (1999).

Eerder verschenen in: Bzzlletin, 280, 2002