Posts tonen met het label Piet Gerbrandy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Piet Gerbrandy. Alle posts tonen

dinsdag 11 maart 2008

Leuzen van sterkte. Over De zwijgende man is niet bitter van Piet Gerbrandy

De man uit de titel van Piet Gerbrandy’s derde bundel, De zwijgende man is niet bitter, is te beschouwen als het ‘hoofdpersonage’ van deze bundel, die middels afdelingen met als titels ‘delvend’, ‘glorend’, ‘winnend’, ‘naaiend’, ‘wikkend’ en ‘zwijgend’ een levensloop lijkt weer te geven, of althans daarvan de balans op te maken. De suggestie van tijdvakken wordt nog versterkt doordat de gedichten zonder titels losjes in reeksen gegroepeerd zijn. Dat die man niet bitter is, mag tot op zekere hoogte verrassend genoemd worden, want wie Gerbrandy’s vorige bundels las, ontmoette iemand die niet zonder walging naar de wereld om hem heen keek. Zijn vaak ontluisterende, illusieloze, van cultuurpessimisme getuigende poëtische reacties staan niet alleen diametraal tegenover een aantal enthousiasmerende essays over klassieke literatuur (verzameld in: Boeken die er toe doen), maar kennen ook in zijn gedichten een ‘tegentoon’: dwars door het cynisme heen gromt een romantische levenslust, die hunkert, maar meestal nauwelijks verlossing biedt.
Na een opmaat, in de vorm van één voor Gerbrandy’s doen lang gedicht waarin de veelzeggende en ook wel poëticaal op te vatten formulering ‘Ik probeer’ een aantal malen figureert, gaat ‘de man’ terug in de tijd:

Twee jongens kloven stammen, stoken brand.

Pan, tot rand gepompt water, een anker,
zanger van blutsen sist op geblakerde staven.

Steken droog hout in de stapel, brengen de koude
tot kook, vatten smoezelig weefsel, zij tillen
het bijna ontilbare op.

Rennen dan rond met wat ziedt, roepen
woest van gevaarlijk plezier. En de vrouwen,

de jonge, van blozende benen, van stro
in bruisende vlechten, hoe schrikken,
hoe snaterend slaan zij op vlucht.

Spil hitte, giet baarlijke wel in hartgrondige put.

Zo’n jeugdherinnering wordt in lapidaire zinnen (zo langzamerhand hét stijlkenmerk van Gerbrandy’s poëzie) op papier gezet en barst van het sentiment en het vitalisme. Het sentiment wordt door de toon misschien nog enigszins gemaskeerd, maar het is en blijft een geromantiseerde (vertederende, vertederde) terugblik; het vitalisme is af te lezen aan de daadkrachtige formuleringen: ‘kloven’, ‘stoken’, ‘gepompt’, ‘sist’, ‘steken’, ‘brengen’, ‘vatten’, ‘tillen’, ‘rennen’, ‘ziedt’, ‘roepen woest’, ‘bruisende’ en niet te vergeten de connotaties in de laatste twee strofen die, samen met die bokkige Pan, duiden op ontluikende seksualiteit. Brandbare meisjes, met al dat stro! Door die erotisch getinte toespelingen loopt zo’n slotregel ook vol met betekenis, want het is daardoor nog maar de vraag welke ‘hitte’ er eigenlijk verspild wordt vanuit welke bron en of die hitte niet al dan niet tot teleurstelling geblust wordt. De tweede afdeling bevat nogal ‘hongerige’, gedichten:

Zo veel heb ik nodig dat ik leef.

Glimp van billen op arduinen trap,
wit goed in de mand, half lege
mok op aanrecht, gerucht
van adem bij nacht. Ongeduldige stap
van bijna groot kind in de morgen,
pen die nog zin verzamelt.

Melk, kaas klevend aan mes,
vlam, rib van een lam, bovengistend
fluisterend bier. Leren jas

en herenfiets om te gaan.

Zo uit ‘de man’ het verlangen van ‘de jongen’ die hij geweest is naar het volle leven en neemt er enkele puncties uit. De ‘pen die nog zin verzamelt’ verwijst ongetwijfeld naar het huidige (en vanuit ‘de jongen’ gezien: het latere) dichterschap, maar volgens een eenvoudige psychologische wetmatigheid zegt het veel over de dichter dat die ‘mok op aanrecht’ niet half vol, maar half leeg is. Ondanks alle gretigheid schuilt die adder steeds onder het gras. Geen paradijs zo paradijselijk of er huist wel mot in, want de derde afdeling mag dan de titel ‘winnend’ dragen,- door het gebruik van de imperatief in het gedicht op bladzijde 31 klinkt het alsof ‘de man’ zichzelf moed in moet spreken; door de keuze van de werkwoorden lijkt het er op dat het gedicht tevens poëticaal te interpreteren is: ‘gedenk […] opdat men ook later nog // wist’. Grif klanken lei in, leg vast wat u zei. […] opdat men van u // hoorde. Schiet inkt […] Meld blijvends.’ Qua strekking doet dit denken aan Reves ‘het is niet onopgemerkt gebleven’ in de gebiedende wijs, voor Gerbrandy is dit echter geschreven op een tamelijk vlakke toon. Elders, in de afdeling ‘naaiend’ typeert hij zijn taalgebruik opnieuw: ‘Gaan zinnen // uit vrijen […] Tijgen woorden uit / slempen, hij zwelgt’, maar ook deze formulering krijgt weer een tegenstem,- in ‘wikkend’ staat: ‘Spaar taal tussenkaaks, / beperk je tot spraak die moet wezen.’ Beide karakteriseringen gelden. De gedichten van Piet Gerbrandy lijken met een zekere wellust voor de taal bij elkaar gedicht, tegelijkertijd hebben ze iets stroefs. Hij giet zijn grimmige bravoure in een tegendraadse, soms zelfs barokke woordpraal. Ondanks het kortaffe staccato heeft zijn poëzie iets gemaniëreerds dat onder meer ontstaat door het weglaten van lidwoorden en onderwerpen en het gebruik van werkwoorden in de gebiedende wijs of als tegenwoordig deelwoord (zoals de afdelingtitels), hetgeen een afgemeten indruk maakt. Opzettelijk gewrongen zinsconstructies maken dat zijn gedichten zich bij eerste lezing niet meteen gewonnen geven, het is poëzie die veroverd wil worden, maar die, ondanks de eigen weerbarstige toon, per gedicht een ander register kan bespelen. Zo is er een ironisch gedicht voor (over) country and western-zangeres Dolly Parton (‘Eenvoud in smuk twee aangenaaide / tieten …’), er is een verrassend eenvoudig gedicht over een bezorgde vader die wil weten of zijn kind veilig thuis is gekomen, er zijn pijnlijk scherpe regels (waar ik desalniettemin hardop om moest lachen) die een man in het ziekenhuis achteloos in een machteloze plant veranderen (‘door slangen drupt frambozen drab […] Miepen met bedoeling geven water, zwiepen / wat, pielen aan pomp in zijn roede’), er is een grimmig en poëticaal ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’:

Orerend vraagt hij steeds hoe lang nog.
Valt zijn maak in smaak bij de medemensen?
Niets blijkt ooit ergens uit. Hij raadt

en drinkt, jaagt, slijt. Vervaardigt.
En gooit weg.

Maar in de daarop volgende bladzijden hunkert ‘de makende man die nooit / rust’ alweer met al zijn zintuigen, zoals ‘de huid van zijn smekende lijf’. Is het niet naar het ‘ongeziene veel // genoemde stemloos oogloos elpen / meisje met boezem waartegen men u’, dan wel naar ‘Melk, vlinderstrik, houdbare vruchten.’. In de slotafdeling ‘zwijgend’, die bij wijze van ‘afmaat’ uit één gedicht bestaat, dragen zes weduwen de kist. Het is opvallend dat de dichter verder het ten grave dragen van ‘de man’ nadrukkelijk ongenoemd laat en ook de zes (!) weduwen duiden op een onverzadigbare levenslust. Ondanks de bitterheid, die er in weerwil van de titel wel degelijk is – en in ruime mate zelfs – ziet het er niet naar uit dat ‘de man’ binnen afzienbare tijd zal zwijgen, die blijft zijn ‘leuzen van sterkte’ nog wel even mompelen.

Piet Gerbrandy, De zwijgende man is niet bitter. Meulenhoff, Amsterdam, 2001.
Eerder verschenen in: Bzzlletin 283, 2002

Blijmoedig grommend. Over poëzie van Piet Gerbrandy

In Vrij Nederland van 5 juni 1999 werd een interview gepubliceerd met dirigent en componist Micha Hamel. ‘Al het mooie, dat maak ik liever zelf is een soort credo van me,’ zegt hij. Wanneer zijn liederencyclus Nalatige liederen ter sprake komt waarvoor hij teksten gebruikte van moderne Nederlandse dichters, noemt hij Piet Gerbrandy ‘een van de beste dichters die ik ooit heb gelezen.’ Ook de flaptekst van Gerbrandy’s tweede bundel brengt zijn poëzie in verband met schoonheid: ‘Mooi en ontroerend.’ De poëzie van Piet Gerbrandy mooi?



Wie zijn eerste bundel, Weloverwogen en onopgemerkt, leest, ontmoet een zwarte romanticus die zichzelf al in het motto ‘moed’ lijkt in te spreken: ‘you must go on, I can’t go on, I’ll go on.’ De nacht zit hem, volgens het eerste gedicht ‘als gegoten’ en zon komt niet in hem op, meldt hij dubbelzinnig. Hij is iemand die voor de gezelligheid spuugt op de withete stalen plaat die zich tussen u en mij bevindt. Dat lijkt een druppel op een gloeiende plaat chagrijn.
Soms kijkt hij naar de toekomst en wenst zich zijn oude dag als volgt:

Goedgehumeurd lulkoek vertrappend
honderd willen worden.

Soms, want dat niets meer hoefde,
slempend honderd willen zijn

ten einde onbekommerd voor veel geld
gezwets verkopend, hulpjes onder
kwijlend net te doen of je gek was,

incontinent aanmaningen verscheurend.

Het is een dwarse, grimmig-humoristische vlucht uit een minstens even onaantrekkelijk heden:

Doorzon blues

Men woont in rot beton en hoest
en wie niet horen wil zal nooit meer horen.

Negeert met gruwzaam spel wat
aan akkoorden onderligt, slaakt
kleppen die beter, vermorzelt

scheurt rieten, snerpt rochelt
vermaakt zich tot wreekt.

Want klopboor wacht tot buurman
wiens puistenzoon de moeder
pijpt schuimbekkend al zijn schrootjes
maalt tot moes.

Toen Gerbrandy in de Volkskrant van 23 juli 1999 als poëziecriticus een poëzie-indeling noteerde, verstrekte hij in de beschrijving van één van de klassen een zelfportret, toen hij de dichters beschreef ‘die een zo groot mogelijke afstand tussen hun poëtisch idioom en het algemeen beschaafd Nederlands willen scheppen. Deze methode veroorzaakt een vervreemding die bij de lezer ieder automatisme uitschakelt en hem noodzaakt de poëzie stap voor stap te veroveren, als was hij bezig een nieuw taal te leren. Als bezwaar tegen dit soort poëzie wordt wel aangevoerd dat ze gemaniëreerd is en op effectbejag berust – maar is niet alle kunst een vorm van effectbejag?’ Die retorische vraag op het eind ruikt enigszins naar een verontschuldiging, die wat mij betreft onnodig is, maar blijkbaar is Gerbrandy zich het 'gemaniëreerde’ van de en dus ook zijn poëzie uitstekend bewust. Welke nieuwe taal leert een lezer als hij Gerbrandy’s gedichten verovert? Het vervreemdende effect waar zijn poëzie op aan lijkt te sturen is dat van een vrijwel constante walging. Door zijn ontluisterende taalgebruik weet hij veel in een viezig licht te plaatsen. Sex is ‘zich op haar als een beest’ aanstellen met als resultaat ‘een snor vol slijm’. Een baantje zwemmen komt neer op:


Tussen lillende ontbinding
trap ik mij in water voort,
mongolen en geblutste nimfen
knikken meewarig mij toe.

Ik hijg, verrek een lies,
verslik mij vies. Mijn bril

schouwt plukjes haar, voldongen
aarzen en dolende pleisters.

In het ondiepe roddelen de feeksen.

Aan het woord is dus steeds een illusieloze, maar tamelijk goedgehumeurde brombeer. De reacties op zijn idioom zijn afhankelijk van je eigen gesteldheid. Op sommige momenten irriteert zijn cynisme, soms word ik wat lacherig van zijn afstandelijk-ironische beschrijvingen zoals die van een bezoek aan een pretpark. Het holle vertier dat men daar kan ‘beleven’ legt hij genadeloos bloot in zijn in gebiedene wijs gestelde kurkdroge vaststellingen:


In pretpark het gerepte is het leuk.

De molen legt uw sleur een kokkend
zwijgen op. Bestijg de trap
van staal, glijd stroef te pletter.

Klim een rek en kom weer naar beneden.
Wip u in hoger sferen. Schommel
zomaar nergens heen

Loop tot op het merg
verbrand bij dure zelfbediening
in de weg. Lik uit
voor wesp zich meester maakt
van ijs en limonade.

Praten met de knuffelmuur
is een unieke must.

Verzuip in stilstaand water.
Wees vacant.

Meestal treft het besef, dat dit een ironisch, sarcastisch en cynisch bevechten is van de verschrikkelijke lelijkheid van het bestaan. Achter al deze zwarte romantiek verschuilt zich wel degelijk een romanticus pur sang die na en in zijn hulpeloze gekerm ‘snakt naar verlos’. De titel van de bundel slaat dat ook niet in eerste instantie op de hele bundel, maar op het in het laatste gedicht beschreven (gewenste?) levenseinde met ‘My Favorite Things’ van John Coltrane op de walkman.


In zijn tweede bundel, Nors en zonder haten, zet zich deze laatdunkende, opzettelijk in laag bij de grondse taal geuite toon voort, maar Gerbrandy’s taal wordt (nog) weerbarstiger, geconstrueerder en soms zelfs ongrammaticaal. Hij laat nogal eens lidwoorden weg en schrijft elliptische zinnen. Vreemd genoeg leidt dat tot knoestige poëzie die de tweede bundel lyrischer maakt dan de eerste. Een Gerbrandy beschrijving van een treinreisje:

Dit comfortabel hok vervoert
ons dwars door striemen
van bevroren wateren. Van a

gaan wij naar o en sloten wieken
staag de duffe rondgang hunner

maling. Dure lucht, ontblote
gading prijst ons fleurig tijdschrift
aan en achter breukloos glas

het priemend rood, het bronsgepunt,
het onontbeerlijk hamertje voor nood.

Wilt u ook graag ontsporen?
Leeg eerst rails.

Waar afwijkt zal onthoofden, zal wel nooit.

Van Alpha tot Omega ligt zo’n treinreis vast, maar wie wil ontsnappen heeft een hamertje nodig of een ontsporing en dat kan alleen als er rails ligt. Als die er eenmaal ligt, is ontsporen bijna onmogelijk. Gerbrandy wil, geloof ik, wel ontsnappen, maar weet vervolgens niet ‘wat met het ontzettende / dat altoos altoos elders’ aan te vangen. En dus zit hij grimmig in die trein. Vanuit die spanning onthoofdt hij zijn zinnen en gromt nors en gretig zijn blues.

Piet Gerbrandy, Weloverwogen en onopgemerkt, Meulenhoff, Amsterdam, 1996.
Piet Gerbrandy, Nors en zonder haten, Meulenhoff, Amsterdam, 1999.

Eerder verschenen in: Bzzlletin 269, 1999