Posts tonen met het label biografie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label biografie. Alle posts tonen

donderdag 4 februari 2021

O vlijmend ziele-wee! Over Willem Kloos [1859 – 1938] O God, waarom schijnt de zon nog! en Willem Kloos, Verzen

Het is nog niet zo lang geleden (2012) dat Willem Kloos 1859 – 1938. Oh God, waarom schijnt de zon nog!, geschreven door Bart Slijper, verscheen. Vijf jaar later acht uitgeverij Vantilt de tijd al rijp voor Willem Kloos 1859 – 1938. Oh God, waarom schijnt de zon nog! door Peter Janzen en Franz Oerlemans.Tegelijkertijd verschijnt onder hun verantwoording bij Vantilt een heruitgave van Kloos’ Verzen uit 1894.

Lezen over Willem Kloos’ leven en in zijn werken is lezen over en in gedichten van een volkomen onevenwichtig karakter. Janzen en Oerlemans schrijven in hun voorwoord eufemistisch dat Kloos ‘voor zichzelf noch zijn omgeving een gemakkelijk mens was’. Het is dat Jan Fontijn de titel Tweespalt al gebruikt heeft voor zijn biografie over Frederik van Eeden, anders zou die hier ook niet misstaan hebben. Kloos kon zich op extreme wijze aan mensen hechten, maar beheerst door verlatingsangst klampte hij zich op al even extreme wijze aan hen vast, vernietigde daarmee ‘de liefde die vriendschap heet’ en liet deze omslaan in zo mogelijk nog extremere haat. En: afhankelijk van de geestelijke windrichting vice versa.

De biografie van Bart Slijper is, evenals zijn levensbeschrijving van J.C. Bloem, Van alle dingen los, een compacte biografie. Slijpers’ boek is grotendeels gebaseerd op voor de leek makkelijk vindbare en derhalve controleerbare bronnen die hij goed verantwoord vaak parafraseert. Het boek bevat 245 bladzijden zuivere biografie en 11 bladzijden ‘literatuur’.

Het boek van Janzen en Oerlemans telt 337 bladzijden biografie en een dichtbedrukte literatuuropgave van 18 bladzijden. Alleen het aantal geraadpleegde archieven beslaat een veelvoud van dat van Slijper en dat geldt ook voor de grote hoeveelheid illustraties die het tijdsbeeld mede vormgeven. Een deel van de grotere omvang van het biografische gedeelte wordt verklaard doordat Janzen en Oerlemans zo’n 33 bladzijden besteden aan de tijd na 1896, toen Kloos vertrokken was uit het krankzinnigengesticht in Utrecht. Slijpers besteedt aan dat naleven van Kloos nog tien bladzijden, terwijl Janzen en Oerlemans aan de tijd sinds zijn huwelijk met Jeanne Reyneke van Stuwe, het samenleven met haar en zijn schoonzus én de teloorgang van De Nieuwe Gids ruim aandacht geven. Daarnaast citeren zij ruimhartig uit hun indrukwekkende literatuuronderzoek. Waar Slijper parafraseert, citeren Jansen en Oerlemans, en andersom – ook in die zin zijn de beide biografieën geen doublures.

Slijper begint zijn biografie met de eerste ontmoeting van Jacques Perk met Willem Kloos op 15 mei 1880, nadat Perk in het Leesmuseum Kloos’ poëziedebuut Rhodopis, dramatisch fragment gelezen heeft. Slijper neemt veel ruimte om de relatie met Perk gestalte te geven, nadat hij de jeugd van Kloos uit de doeken gedaan heeft. Voor deze invalshoek valt psychologisch wel wat te zeggen, want Slijper maakt het ‘gevreesd gemis’ uit zijn titel waar door achtereenvolgens het gemis van Kloos’ moeder (naar Kloos’ eigen zeggen groeide hij op in een kil gezin; hij zal er pas later achter komen dat de vrouw in huis niet zijn moeder is, maar zijn stiefmoeder), het gemis van zijn vroeg, hoogstwaarschijnlijk door zelfmoord, omgekomen schoolvriend Jan Beckering, het gemis van de te vroeg gestorven Jacques Perk en de teloorgang van zijn vriendschap met Albert Verweij met elkaar in verband te brengen.

Janzen en Oerlemans beginnen hun inleiding met een verwijzing naar zaterdag 9 november 1895, toen de 36-jarige dichter onder begeleiding met de trein van 10:42 uur (!) vanaf het Amsterdamse Centraal Station vertrok naar het krankzinnigengesticht in Utrecht. Ook hier zijn valide argumenten voor. De Willem Kloos, zoals Slijper en ookJanzen en Oerlemans die tekenen, was achterdochtig, depressief, suïcidaal, een alcoholist, kon niet met geld omgaan, hechtte zich onmatig aan mensen én (want?) leed aan verlatingsangst. Het is de verdienste van deze laatste biografie dat  Kloos’ karakter niet uitsluitend psychologisch verklaard wordt vanuit Kloos’ eigen zienswijze op zijn jeugd, want Kloos heeft zijn trieste jeugdherinneringen later opgetekend: toen hij op 5 oktober 1895 een poging deed zichzelf van het leven te beroven, heeft hij ‘heel veel van zijn zeer talrijke jeugdpapieren’ verscheurd, en het is de vraag in hoeverre die later opgetekende herinneringen betrouwbaar dan wel gemythologiseerd zijn.

Het is de lezer van deze nieuwe biografie aan te raden als eerste voetnoot 1, behorende bij het ‘Nawoord’ te lezen. Daarin verwijzen de biografen naar het Amerikaanse handboek voor diagnose en statistiek van psychische aandoeningen waarin aan de Borderline-persoonlijkheidsstoornis negen kenmerken worden toegekend. Wanneer iemand aan vijf ervan ‘voldoet’, kan men de diagnose stellen. Het verdient aanbeveling met deze kenmerken in het achterhoofd de biografie te lezen.

1. Een patroon van instabiele en intense relaties, waarbij de ander wordt geïdealiseerd of gekleineerd? Men leze over Kloos’ relaties met Beckering, Perk, Verweij, Van Eeden, Boeken, een aantal ‘verloofdes’, ach, met wie niet?

2. Krampachtig proberen te voorkomen dat iemand je – feitelijk of vermeend – in de steek laat? Perk en Verweij werden, zo laten de biografen zien, in hedendaagse termen gestalkt.

3. Identiteitsstoornis, een instabiel zelfbeeld? Kloos vertoonde vlagen van grootheidswaanzin, zich presenterend als diepzinnig en gevoelig denker, om vervolgens kleinzielig om zich heen te slaan. Hij vond zichzelf beurtelings ‘doods-bedroefd’ en ‘naamloos-trotsch’, ‘zoo niets’ en dan weer ‘groot’.

4. Impulsiviteit? Het handboek noemt o.a. geld verkwisten, misbruik van middelen – een combinatie waarin Kloos grote hoogten bereikte vooral waar het zijn alcoholmisbruik betreft.

5. Terugkerende suïcidale gedragingen? De zelfmoordpogingen spreken voor zich.

6. Sterk wisselende stemmingen? Men leze vooral zijn, ahum, zwenkende oordelen over Frederik van Eeden en Albert Verweij, die hij zowel tot zijn grootste vrienden rekende als in scheldsonnetten, brieven en recensies neersabelde.

7. Een chronisch gevoel van leegte? Een vriendschap, die op dat moment wellicht nog liefde heet, staat van meet af aan in het teken van het einde van die vriendschap: ‘Wen ooit uw oog zich weg van ’t mijne wendt, / Ik koelheid of in toornend ziels-verachten, / En gij vergeefs mij op den straal laat wachten, / Den weer-straal op den straal, dien ’t mijne u zendt –‘ Het overschreeuwen van die leegte: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’.

8. Inadequate, intense woede? Alweer: zijn vrienden die zijn vijanden werden, konden ervan meepraten: men leze de scheldsonnetten.

9. Paranoïde ideeën of ernstige dissociatieve verschijnselen? Men leze Kloos gedachtewisseling met Van Eeden over de stemmen die hij al van jongs af aan hoorde.

Ergo: Kloos ‘scoort’ negen uit negen.

Dat alles wil niet zeggen dat Bart Slijper ongelijk had, want Kloos’ ervoer zijn ouderlijk huis als een horreur, Beckering verdronk op jonge leeftijd en Perk hield Kloos na een jaar van euforische vriendschap op afstand, maar Janzen en Oerlemans laten zien dat het ziektebeeld op een grote karakterologische dispositie duidt.

Kloos’ wispelturigheid blijkt ook uit zijn bundel Verzen. De bundel bestaat uit drie afdelingen: de sonnetten I t/m XCIII; Rhopodis, dramatisch fragment, Okeanos, episch fragment, Sappho, dramatisch fragment; de scheldsonnetten XCIV t/m LXXVII. In de eerste afdeling figureren onder andere de sonnetten die de criticus P.H. Ritter jr. ooit de verzuchting ingegeven moeten hebben dat hij een gouden pen zou willen bezitten om daarmee slechts de náám van Willem Kloos op te schrijven. Het is het handjevol gedichten dat Kloos voor Simon Carmiggelt onsterfelijk maakte en waarover critici als J.N. van Hall, W.G. van Nouhuys en (!) Albert Verweij na verschijning van de bundel al positief waren. In de woorden van de laatste: ‘Kloos [heeft] verzen geschreven die of volkomen schoon, of van zuivere aandoening, òf in maat en klank, fantasie en accent [...] blijvende gedenktekens van een schoone, groote, aangedane ziel zullen zijn.’ Het is op zijn minst opvallend dat de drie critici unaniem zijn in de afwijzing van de scheldsonnetten: ‘allerbelabberst schelden’.

Verzen beleefde in de tweede helft van de jaren veertig een zevende en achtste herdruk waarin Kloos’ weduwe, Jeanne Reyneke van Stuwe, de scheldsonnetten had voorzien van de opdrachten en titels zoals die in De Nieuwe Gids hadden gestaan. Het valt enigszins te betreuren dat de bezorgers deze in hun nawoord of verantwoording niet hebben opgenomen, want een hedendaags lezer die niet zojuist hun biografie tot zich heeft genomen, zal in het duister tasten met betrekking tot de identiteiten van ‘Pet’, ‘quasi-geleerde’, het ‘kereltje in uw regen-jassen-trots’, een ‘op-donderend Orakel’ en een ‘gij die uit uw kantoor-bediendes-kop / Ziende u-zelfs klein in-innerlijkste smerig / Bestaantje...’ is dat dezelfde ‘gij, die aller-laflijkst complotteert’? Een klein deel van deze verwijzingen wordt opgelost in het commentaar. Dat had echter adequater gekund. De dichter zou de verwijzingen naar personen of situaties geschrapt hebben, omdat hij de intentie had het sonnet zelf te laten klinken en spreken. Dat is in het geval van de scheldsonnetten die voornamelijk persoonlijke aanvallen betreffen uiteraard je reinste nonsens.

Anno 2017 blijkt ook de eerste afdeling van zeer wisselende kwaliteit. Kloos’ vaak archaïsch taalgebruik is sterk gedateerd, getuige formuleringen als ‘Der Smartoprijzing en der Mensch-vreugd val’; ‘Ik wijd aan U dees verzen, zwaar geslagen / Van Passie, en Verdoemenis, en Trots, / In doods-bleek marmer of dooraderd rots’. Het lijkt het ‘daav’rend woordgeschal’ van de in Grassprietjes gesmade Tollens wel. Zijn elisies werken niet zelden op de hedendaagse lachspieren: ‘Verleên, ‘beên, ‘geleên’, ‘treên’. Jan Eijkelboom heeft een gedicht geschreven dat ironisch begon met ‘O, dat ik ooit nog eens / een vers met o beginnen mocht’. Het gedicht eindigt met een regel die onmiddellijk op het werk van Kloos te betrekken is: ‘O, klonk het nog eens ongehinderd.’ Kloos slaat ook anderszins nogal eens een geëxalteerde toon aan. Men lette op de hoofdletters en accenten: ‘IK ben de Dúivel-god dier grúwbre oorkónde, / ’t Vervloekte Boék van laffen deémoed, klein, / Die loert, die loert, koud-donker, donker-rein, / Of Hij die ménschjes niet verdérven kónde.’

Volgens de tekst achterop de biografie rekenen Jansen en Oerlemans af met ‘de hardnekkige mythe dat Kloos de ontwerper was van zijn eigen grootheid. Een aantal van zijn Verzen weerspreekt dit. De dichter die zichzelf meende een God in ’t diepst van zijn gedachten te zijn, zo nu en dan knielde ‘’t Zij voor Mij-zelf, een Godheid of een Droom’, zichzelf zag als ‘één melodie /  koninklijke goedheid’ en die heen zou gaan uit het leven als een ‘Heilge, in zijn eigen glorie-licht gehulde’ is niet helemaal vrij te pleiten van grootheidswaan. Ook Albert Verweij ontkende de pretentie in ‘De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining, / De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet; / De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, / Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.’ ‘Nog grooter [dan het eenvoudige en menselijke XIII], want algemeener, met zijn eenvoudige lijnen en geheel geen pretentie is het sonnet op de zee,’ schreef Verweij. Geen pretentie, kom nou. Maar wellicht had Kloos wel enig recht op die pretenties. Niet alleen schiep hij met zijn even megalomane als weergaloze stukken over Jacques Perk het manifest van de nieuwe poëzie, hij is en blijft de schepper van een dozijn gedichten waarin de ‘God’ in hem, het ‘Hoogere’ hem ‘het suizen van een zachte stilte’ (J.N. van Hall) inblies.

Laat ik, om de oude meester van díe gedichten te eren, dan eens niet ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’, niet ‘Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht’ (hoe mooi en teer ook), niet ‘De boomen dorren in het laat seizoen’, niet ‘Ik zal mooi dood-gaan, als een vlammend vuur’, niet de voortklotsende Ziels-Zee, niet ‘Ik ween om bloemen in de knop gebroken' citeren, maar LXII:

Als een een-zelvig kind dat telken dag

Na moeders dood zijn kleine lief en leed

Op kinder-wijs beschrijft en nooit vergeet

Om ’s avonds, - ach! niet als het weleer plach, -

 

Met bevend handje – maar met een zachten lach,

Een blad op ’t graf te leggen, en wel weet,

Wanneer het wederkomt, wie of dat deed,

Dat blaadje nemen dat daar gister lag:

 

Zoo wilde ook ik zoo gaarne als zoete plicht

Voor u die verre zijt, mijns levens boek

Eén blad na ’t andere, zachtkens open-slaan.

 

Maar, ach, rampzaalger dan ’t onnoozel wicht,

Ik weet niet of ik vinde wat ik zoek,

Noch of gij alle bladen zult verstaan.


Peter Janzen en Franz Oerlemans, Willem Kloos 1859 – 1938. Oh God, waarom schijnt de zon nog!

Bart SlijperWillem Kloos 1859 – 1938. Oh God, waarom schijnt de zon nog!

Willem Kloos, Verzen

Verscheen eerder in: Poëziekrant, nr. 4, juli-augustus 2017



 

De verbeelding van de ware waarheid van de werkelijkheid Over Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven, Albert Verwey en zijn tijd

 

Het zicht op de cultuur rondom de Tachtigers is goed bedeeld middels biografische belangstelling: Couperus, Van Eeden, Van Deyssel, Gorter, Kloos (twee maal) en recent verscheen Als een meeuw op de golven, Albert Verwey en zijn tijd, geschreven door Madelon de Keizer.

Deze lijvige studie bevindt zich qua opzet op de scheidslijn tussen biografie en cultuurgeschiedenis. De Keizer heeft geen ‘ traditionele’ biografie geschreven die het leven van Verwey uitsluitend chronologisch weergeeft. De – overigens schitterende – vormgeving stuurt meteen aan op de gedachte dat het boek bestaat uit min of meer chronologisch gerangschikte hoofdstukken die als afzonderlijke essays te lezen zouden zijn.

De biografe heeft de hoofdstukken over Verwey gekoppeld aan zes kunstenaarsvrienden uit diens omgeving en aan zijn vrouw. Inherent aan de keuze voor deze structuur is dat het boek enkele doublures bevat. Wanneer bijvoorbeeld de biografie in hoofdstuk 2 de relatie van Verwey met Willem Kloos beschreven heeft, waarin ‘het verraad’ van Verwey – kiezen voor Kitty van Vloten en mede daardoor afstand creëren ten opzichte van Kloos – aan de orde komt, dan ligt het voor de hand dat deze passage terugkeert in het volgende hoofdstuk, dat over het (huwellijks)leven van Verwey en zijn vrouw. Zulke overlappingen vinden verschillende keren plaats.

Daarnaast heeft de biografe een dermate overrompelende hoeveelheid documentatie te voorschijn getoverd dat ‘afzwaaiers’ niet te voorkomen waren. Daarvan is het hoofdstuk dat gekoppeld is aan de Verwey zeer toegenegen criticus en diens latere eerste biograaf Maurits Uyldert een goed voorbeeld. Er gebeurt in het interbellum zoveel in de wereld en in het leven van Verwey dat Uyldert en diens relatie met Verwey paragrafen lang uit zicht verdwijnt.

Deze vaststellingen doen weinig af aan het voordeel van deze opzet: Verwey wordt hierdoor getekend als de persoon die hij blijkbaar was. Hoewel hij zichzelf in de eerste plaats als dichter wenste te zien, blijkt uit het boek dat hij meer en meer een centrale figuur in de cultuur van zijn tijd (1865 – 1937) werd – en dat hij mede daardoor een ideale kapstok blijkt om die cultuurgeschiedenis aan op te hangen.

De beschrijving van de persoon Verwey is niet vrij van paradoxen en tegenstellingen. Niet in de laatste plaats komt dat door vriendschappen die veelal verkeren in conflictueuze situaties, vaak geworteld in verschillende visies op de cultuur en de rol daarvan in de geschiedenis.

Het hoofdstuk over de relatie met Willem Kloos spreekt wat dit betreft boekdelen. Wellicht mede doordat Kloos in het recente verleden bedacht is met twéé biografieën (Bart Slijper, 2012; Peter Janzen en Franz Oerlemans, 2017) waarin hij als centrale figuur van de Tachtigers werd gepresenteerd en waarin Verwey als een tijdelijke figurant voorkwam, ontstaat al snel een vertekend beeld dat nu door Keizer bijgestuurd wordt. Een ander biografisch perspectief levert een ander zicht op het tweetal. De – waarschijnlijk té - innige vriendschap veranderde van de kant van Kloos in een blijkbaar diepgevoelde haat voor Verwey toen deze laatste zijn verloving met Kitty van Vloten opbiechtte. Kloos laat zich volgens deze biografie kennen als een jaloers, rancuneus, drammerig kind dat de rest van zijn leven Verwey in gepubliceerde kritieken en in brieven aan vrienden zo veel mogelijk ad hominem zal blijven aanvallen. Maar, zo laat de biografie zien, geestelijk stonden de twee toch al op een punt waar de wegen zich zouden scheiden. Kloos heeft zijn hele leven steeds zwakker polemiserend vastgehouden aan de principes zoals hij die geformuleerd had voor de poëzie van de Tachtigers en het is zonneklaar dat Verwey zich van het individualisme en het Kantiaanse l’art pour l’art wenste te distantiëren en de poëzie juist wél een morele functie toedacht.

Er is een groot contrast tussen de oplagen van het dichterlijk werk van Verwey en de invloed die daar desalniettemin in de loop der tijd vanuit zou gaan. Keizer stelt droogweg vast dat uit nota’s van de uitgever ‘is op te maken dat Verweys [...] bij hem uitgegeven publicaties nauwelijks afnemers vonden’. Een herdruk van de Verzamelde gedichten vond 28 kopers; van de ook in 1901 verschenen bundel Het Blank Heelal werden totaal 92 exemplaren verkocht. Daar was de invloed van Kloos niet geheel vreemd aan. Na de scheiding der geesten mobiliseerde Kloos zoveel mogelijk geestverwanten die zich beijverden Verwey te isoleren en diens poëzie van vernietigende kritieken te voorzien.

Wanneer men (met een verwijzing naar de definitie van het utilitarisme) ‘de morele waarde’ van Verweys gedichten ‘afmeet aan de bijdrage die deze handeling daadwerkelijk levert aan het algemeen nut’ dan stuit men op een volgende paradox. Verwey ontwikkelde ondanks het geringe bereik van zijn poëzie een steeds verhevener opvatting over de rol van poëzie. Nadat hij op subjectivistische, impressionistische wijze het revolutionaire karakter van de Tachtigers gepropageerd had, zocht hij het in poeticis steeds meer in een visionair dichterschap dat door de verbeelding de werking van het ‘Leven’ moest openbaren. Verwey vertrok dus van de opvatting dat poëzie de dingen ‘schoon’ moest zeggen, botste vervolgens met de naturalistische opvatting dat de waarheid boven de schoonheid ging en probeerde uiteindelijk middels een synthese van schoonheid en waarheid ‘de ware waarheid van de werkelijkheid te verbeelden’:

Nooit inniger dan door dat zien gevoelde ik:

De onstoffelijke wereld is. Haar naam?

Droom, God, Verbeelding, maar zij is het Leven,

De ware waarheid van de werklijkheid.

Vanuit hedendaags door het postmodernisme beïnvloed perspectief bezien is het pleonasme ‘ware waarheid’ natuurlijk bespottelijk, maar het citaat laat zien hoe Verwey moreel hoog inzette en hoe hij de invloed van (zijn) poëzie overschatte. Niet in de laatste plaats wordt dat in de biografie verduidelijkt door de persoonlijke crisis waar hij in terecht komt, doordat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zijn hooggestemde opvattingen teniet doet.

Hoe Verwey in weerwil van zijn slechte verkoopresultaten uiteindelijk een grote invloed kreeg, zodat hij aan het eind van zijn leven, na ook nog het vervullen van een in eerste instantie scherp bekritiseerd hoogleraarschap, als een nationale figuur uitgeluid werd, maakt deze biografie duidelijk. Ten eerste bevond hij zich een aantal keren in gezaghebbende posities op het snijpunt van tijdvakken, niet in de laatste plaats als redacteur van tijdschriften als De Nieuwe Gids, Tweemaandelijks tijdschrift, De XX-ste eeuw en De Beweging: de breuk met de traditie die de Tachtigers bewerkstelligden, de overgang naar de nieuwe tijd, de Eerste Wereldoorlog, de ontwikkelingen in Duitsland tijdens het interbellum – een land waarmee hij o.a. door contacten met Stefan George en anderen intensieve contacten onderhield.

Ten tweede is de hoeveelheid literair werk overstelpend. Hij produceerde een enorm aantal brieven, gedichten (1900 bladzijden!), kritieken, essays en studies (verzameld in tien (!) delen proza), was bezorger, bloemlezer en vertaler van edities van belangrijke schrijvers als Vondel en Dante en begeleidde als tijdschriftredacteur dichters die in de loop der tijd mede het gezicht van de Nederlandse poëzie zouden bepalen, zoals P.N. Van Eyck en J.C. Bloem. Het is bij het lezen van deze biografie moeilijk Verwey ánders voor te stellen dan lezend of schrijvend.

 Van 1925 tot 1935 kon hij zijn opvattingen kwijt via zijn hoogleraarschap aan de universiteit in Leiden.

De geciteerde gedichten (en fragmenten daarvan) geven, ironisch genoeg, Kloos c.s. gelijk: Verwey was bepaald geen ‘zanger’. Het is echter de vraag of zijn poëzie – derhalve – met de maat van muzikaliteit gemeten moet worden. Hij schreef veelal autobiografische en geëngageerde gedichten, de laatste vaak opgezet als een redenering en dat ‘verstandelijke’ is precies wat de kritiek hem euvel duidde. Het cerebrale stelde hem echter niet alleen in staat zich ten opzichte van Kloos bewonderenswaardig soeverein op te stellen, maar ook zichzelf met enige afstandelijkheid te beschouwen. Tegenover Kloos’ megalomane ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten’ stelt Verwey (in het derde gedicht uit de reeks ‘Mephistopheles Epicureus’, niet geciteerd in de biografie) zijn zonde van ijdelheid:

Dan zie ‘k mijzelf alleen en ongedeerd

Der fantasieën vloed gelijk een zee

Beschrijden en geniet mijn godlijk-zijn

 Maar in tegenstelling tot Kloos is hij rationeel genoeg om deze ‘goddelijke aanschijn’ onmiddellijk te relativeren:

Maar als ik aanstonds langs de straten treê

Ken ik mijzelve van mijn ijd’le schijn,

Daar men toch kent met wie men veel verkeert.

 Zijn opvattingen over de strekking en invloed van poëzie mogen inmiddels wellicht naïef genoemd worden, Verwey zag zich in eerste instantie als visionair dichter en het is alweer ironisch dat hij de betekenis van het woord ‘visionair’ in verschillende opzichten waarmaakt, wanneer hij in het gelijknamige gedicht ‘Tot de sluiters van grenzen’ spreekt:

Open uw grenzen.

Doe al uw dwaasheid weg.

Voeg u als bescheiden mensen

In het gemeenzaam overleg.

Wij zullen de aarde bouwen

Met u, met allen.

Laat dan uw bijlen in de stammen houwen

Van Haat en bijgeloof, zodat zij vallen.

Bij het lezen van de reeks ‘Psychologieën’ (niet in de biografie geciteerd) zal ik na het lezen van dit beschreven geschreven leven telkenmale ‘zijn’ lezen als ‘’t Leven’ en ‘schijn’ als ‘gedicht’:

Zó dacht ik soms, als ik mijzelf verscheen,

Of ik misschien, nog eer ik ’t kon bevroên,

Mijn zijn verward had met een schonen schijn;

 

Zodat wat schijn was zijn werd, en mijn zijn

Mij wel een vreemde schijn moest schijnen, toen

‘k Mij in mijn ziel boog en haar zag – alleen.

Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven. Albert Verwey en zijn tijd. 2017, Prometheus, Amsterdam.

Verscheen eerder in: Poëziekrant, nummer 4, juli-augustus 2018


 

donderdag 28 februari 2008

E. du Perron, de biografie en Het land van herkomst

De feiten op een rij
Het is opvallend hoe goed de schrijvers uit het interbellum vertegenwoordigd zijn in de hausse van biografieën die de laatste jaren aan de gang is. Na de levensbeschrijvingen van Slauerhoff, Marsman, Roland Holst en Ter Braak verscheen ‘E. du Perron. Het leven van een smalle mens’, een biografie waaraan Kees Snoek twaalf jaar gewerkt heeft. Hij publiceerde al in 1990 zijn proefschrift ‘De Indische jaren van E. du Perron.’
Het interbellum is voor biografen een rijke bron, omdat toen dé manier om te communiceren het briefverkeer was. In het geval van E. du Perron komt daar nog bij dat een zeer groot deel van zijn literaire werk van autobiografische aard was. Bronnen te over dus. Snoek schrijft ergens naar aanleiding van Du Perrons verwerking van autobiografische elementen: ‘De mate van verdringing is voer voor de biograaf.’ De biografie richt zich dan ook grotendeels op de verhouding tussen het literaire werk en ‘de werkelijkheid’, zoals die zich uit het rijke bronnenmateriaal laat destilleren: brieven (niet in de laatste plaats die van Du Perron zelf), artikelen, boeken, foto’s, gesprekken. Daardoor krijgt het lijvige boek de allure van een nuancering van Du Perrons autobiografisch getinte boeken als Een uit vijf, Scheepsjournaal van Arthur Ducroo en niet in de laatste plaats zijn magnum opus Het land van herkomst, het boek waarin Du Perron probeer zijn identiteit te bepalen, in Forumtermen: ‘de vent’ die hij is en was.
In zijn inleiding kondigt Snoek aan dat ‘deze biografie geschreven is met de hartstocht van een historicus en comparatist’ en dat een biograaf ‘enige terughoudendheid’ past bij het psychologisch duiden van zijn onderwerp. Daarmee verstrekt hij een juiste typering van zijn boek. Hij heeft, dank zij het ruime bronnenmateriaal, de mythe zoals Du Perron die in zijn novellen en romans creëerde, tot feiten teruggebracht door deze met elkaar te vergelijken, maar hij weigert psychologisch in Du Perron door te dringen, zoals bijvoorbeeld Frédéric Bastet dat in zijn biografie van Couperus wél deed. Snoek kiest in conflicten over het algemeen voorzichtig de zijde van Du Perron door er op te wijzen welke bedoeling van diens schrifturen zijn tegenstanders (en vaak ook zijn vrienden) over het hoofd gezien hebben, maar hij houdt zich over het algemeen op afstand. In zijn inleiding schrijft hij dat het vermogen psychologisch in iemand door te dringen sommigen is gegeven en anderen niet, waarna hij wijst op het gevaar van psychologisch reductionisme. Snoek wil een eenzijdige nadruk vermijden door aandacht te geven aan sociale, historische en culturele aspecten. Dat alles heeft natuurlijk gevolgen voor de biografie. Het lijkt er op dat Du Perrons biograaf enigszins geremd is, wanneer het gaat om Du Perrons psyche en het lijkt er op dat hij voor de anekdotiek die een biografie kleur kan geven enigszins terugschrikt. Hij beschrijft van buitenaf Du Perrons jeugd in Indië: Eddy is een verwend moederskind, dat een gemankeerde relatie met zijn vader onderhoudt. Vanuit een eenzelvige jeugd, waarin Du Perron zich vaak identificeerde met helden uit de boeken die hij las, ontwikkelde zich een neurotisch gedreven, praatzieke gelijkhebber. Dat laatste is overigens in het geval van Du Perron beslist geen uitsluitend negatieve kwalificatie. Zijn houding, of in Du Perrons eigen terminologie, zijn ventschap ten opzichte van Multatuli, wiens standpunten met betrekking tot de verhouding tussen Nederland en Indië hij te vuur en te zwaard verdedigde; zijn betrekkingen met de Indonesische bevolking tijdens zijn tweede verblijf in Indië (1936 – 1939) en zijn vroege kritische inzichten inzake het fascisme dwingen opnieuw respect af.
De biograaf heeft in grote lijnen de chronologie van het leven van Du Perron aangehouden. Hier en daar zitten er wat inconsequenties in. Zo vertelt hij nogal eens dat de schrijver, ondanks aanhoudende gezondheidsklachten, tot uitputting toe aan het werk is zonder dat duidelijk wordt waaraan dan precies, waardoor de vermelding van een grote publicatie als Schandaal in Holland daarna nogal plompverloren uit de lucht komt vallen. Ook is hij, wellicht overspoeld door de grote hoeveelheid bronnen, wel eens te betrappen op niet helemaal op elkaar aansluitende mededelingen. Zo is het bijvoorbeeld onlogisch ‘de geringe literaire productie’ van Du Perron in het jaar 1926 te wijten aan hevige emoties vanwege de zelfmoord van diens vader. Deze vond plaats op 2 september en al in oktober schrijft Du Perron een erotisch gedicht in veertien zangen, terwijl hij begin 1927 al druk doende is een zestal verhalen te schrijven voor de verhalenbundel Nutteloos verzet.
Het perspectief van de historiserende biograaf leidt tot een nogal opsommerig karakter. Ontmoet Du Perron iemand, dan wordt steevast de doopceel van de betreffende persoon gelicht, ten koste van een dieper gaande psychologische analyse van de ontmoeting. Publiceert Du Perron een literair werk, dan volgt steevast een keurige samenvatting van het onderhavige werk en daarna een weergave van de kritische reacties. Dit alles maakt de biografie op den duur nogal voorspelbaar voor wie via Du Perrons eigen werk al op hoogte is van de grote lijnen van diens leven.
Kees Snoek maakt veel nieuwe details openbaar. Daarbij zijn veel foto’s in een aantal kostelijke katernen het vermelden waard. Maar werkelijk nieuwe feiten die het bestaande beeld van Du Perron veranderen zijn er niet. De gebeurtenissen zijn geboekstaafd en op zich is dat een grote verdienste, maar te vermoeden valt dat de schrijver geen bezwaar aangetekend zou hebben wanneer zijn biograaf de honnête homme, de ‘vent’ die Du Perron toch in eerste instantie probeerde te zijn, wat dichter op de huid had gezeten.

Kees Snoek, E. du Perron. Het leven van een smalle mens. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2005

Verscheen eerder in: De Haagsche Courant, 9 maart 2001



Het land van herkomst in hedendaags perspectief

Het boek waar de boekenweek van 2001 zijn naam aan ontleende stamt uit 1935. E. du Perron schreef, door geldnood geplaagd een boek dat zowel voor de grootste en belangrijkste Nederlandse roman uit het Interbellum als voor ‘anti-roman’ doorgaat. Die laatste kwalificatie moet Simon Vestdijk zijn ingegeven door het ontbreken van een plot en de losse compositie van het boek: er lopen twee verhaallijnen door elkaar. Er is de ontwikkelingsgeschiedenis van Arthur Ducroo, het alter ego van Du Perron, en deze wordt onderbroken door het verhaalheden dat loopt van februari 1933 tot februari 1934. Daarin heeft Du Perron dagboekfragmenten, brieven, gesprekken en actualiteiten opgenomen. Een hybridisch boek dus, dat niet voor niets als het grote Nederlandse voorbeeld van een modernistische roman genoemd wordt. Maar: hoe kan een hedendaagse lezer met een dergelijke historische klassieker nog uit de voeten? Hij kan Het land van herkomst trachten te lezen in de context van de tijd waarin het boek verscheen. Hij kan echter ook kijken wat het boek hem anno nu nog te zeggen heeft.

Wie zo’n historische benadering voorstaat kan terecht in de door F. Bulhof en G.J. Dorleijn verzorgde uitgave, die gebaseerd is op de laatste door Du Perron geautoriseerde versie. De wetenschappelijke (twee maal zo dikke) uitgave is niet meer verkrijgbaar, maar vanaf de veertiende druk gaan de edities terug op de wetenschappelijke publicatie en zijn achterin de toelichtingen opgenomen die Du Perron maakte voor Jan Greshoff. Deze notities maken dat een biografische lezing zeer voor de hand ligt. Het land van herkomst is onder meer een sleutelroman. Graaflant ‘is’ de dichter Jan Greshoff, Wijdenes ‘is’ Menno ter Braak, Luc Héverlé ‘is’ de Franse romanschrijver en vriend van Du Perron, André Malraux en natuurlijk vertellen de breed opgezette, vaak meeslepend en beeldend vertelde Indische passages de jeugd van Du Perron zelf.
Daardoorheen speelt een modernistische notie een rol. Du Perron geeft er ín de roman blijk van zijn herinneringen en de taal niet te vertrouwen. In zijn beroemde sonnet ‘Het kind dat wij waren’ noemt hij het ver verleden al: ‘de rand van het domein van ons geheugen, / de leugen van de kindertijd’. Hoe gedetailleerd hij zijn herinneringen ook lijkt op te tekenen, hij noemt ze vals. De taal voldoet niet. Al in het tweede hoofdstuk noteert hij: ‘Maar het bedrog in zulke woorden is schaamteloos; het is duidelik weer poëzie en in drie woorden stukgeredeneerd: het portret van Jane zou immers altijd iets anders dan zij zelf zijn.’ De schrijver beweegt zich hier in een richting die tegengesteld is aan die in de aantekeningen voor Greshoff. Voor Greshoff wees hij van zijn personages naar bestaande mensen, in de roman zijn die mensen – of de schrijver dat nu wil of niet – personages geworden.
Wie dus Het land van herkomst uitsluitend vanuit historisch oogpunt leest, doet zichzelf én de roman tekort. Een lezer die minder in een biografische lezing geïnteresseerd is en de roman leest vanuit hedendaags perspectief, zal zich niet zozeer afvragen wie nu eigenlijk wie is, maar zich afvragen hoe Ducroo, de personages en de twee tijdslagen zich tot elkaar verhouden.
Uiteindelijk blijkt het Ducroo te gaan om een nauwgezette bepaling van zijn identiteit, in Forumtermen: ‘de vent’ die hij is en was. Hij wil daarbij het verleden en zichzelf niet verloochenen en de fragmentarische structuur van de roman heeft daarin een functie. Uit dat Indische verleden is de Arthur Ducroo ‘van nu’ ontstaan. De bespiegelende passages, zoals essayistische brieven en dagboeknotities, zijn er dan ook niet voor niets, want op deze manier gelezen blijkt niet de Indische verhaallijn de essentie van het boek te zijn, maar is die in het ‘heden’ te vinden.
De personages die Du Perron opvoert blijken dan ook een oriënterende functie voor Ducroo te bezitten. Goeraëff blijkt even ontworteld als Ducroo (aan het eind van de roman kan hij zich voorstellen dat hij naar het land van herkomst terugkeert, hetgeen Du Perron in werkelijkheid gedaan heeft). Viala is evenals Ducroo intellectueel én hevig op zoek naar geld. Héverlé kiest partij. Wijdenes blijft evenals zijn model, Menno ter Braak, ‘politicus zonder partij’: hij wijst elke vorm van collectiviteit af.
Ook Ducroo kiest voor de individuele weg. Op de laatste bladzijde van het boek stelt hij dat ‘jij en ik te goed zijn om te eindigen onder de hakken van onverschillig welk sociaal beest met laarzen’. Een groot historisch besef om te begrijpen dat hij hiermee verwijst naar opkomend fascisme, nationaal-socialisme en communisme is niet nodig, want de roman geeft de maatschappelijke ontwikkelingen uit de dertiger jaren meer dan duidelijk gestalte. Op diezelfde laatste bladzijde belijdt hij nogmaals de noodzaak van de trouw aan zichzelf, aan de aanvaarding van wie wij zijn, aan de partijloosheid. Hij formuleert dit als trouw aan ‘dit zo delikate en eindeloos variabele zelf’, want dat dit ‘zelf’ niet vaststaat, maar in beweging is en moet zijn, telkens opnieuw op zoek, daarvan is Het land van herkomst de getuigenis.
Men moet, zo zegt Du Perron ons, zichzelf en daarmee zijn verleden niet verloochenen én de toekomst open houden, want het laatste hoofdstuk mag dan ‘Voor pessimisten’ getiteld zijn, het eindigt met een daverend op de toekomst gericht slotakkoord: ‘Na alle wroeten zie ik één wijsheid: zolang men leeft, te leven volgens de eigen aard en alsof men toch de ruimte vóór zich had, met alle nieuwsgierigheid en hoop waar men nog mee behept is, maar ook met een voldoend kwantum pessimisme om ons in één minuut te verzoenen met het einde van alles wat ons leven mogelik maakte, mogelik in iedere betekenis. De wijsheid is oud, maar het besef is nieuw.’
In West-Europa lijkt de tijd van de sociale beesten met laarzen voorbij, maar in een steeds multicultureler wordende samenleving zou de strekking van Du Perrons roman – de noodzaak het verleden trouw te zijn en tegelijkertijd de toekomst open te laten – wel eens veel actueler kunnen zijn dan we op het eerste gezicht vermoedden.

E. du Perron: Het land van herkomst. Uitgeverij: G.A. van Oorschot.
Verscheen eerder in: De Haagsche Courant, 9 maart 2001

Menno ter Braak, de biografie

Er blijft een mens te zoeken
Want alle verlies is winst. Menno ter Braak 1902 – 1940. Deel I: 1902 – 1930.

Op 3 juli 1928 promoveert Menno ter Braak tot doctor in de letteren en wijsbegeerte met een proefschrift over Otto III. Wanneer hij later terugkijkt, beschouwt hij zijn dissertatie als mislukt, omdat de ware figuur van Otto onherkenbaar verborgen bleef. Ter Braak was blijven steken in abstracties en ongenuanceerde schematisering. Langs wetenschappelijke weg is het laatste geheim niet aan het verleden te onttrekken. Ter Braak zag deze arbeid als een vorm van aanval waardoor het verleden steeds terugweek. Uiteindelijk kwam hij (weer) bij zichzelf uit, aldus zijn biograaf Léon Hanssen. Of: aldus Ter Braak? Dat is niet geheel duidelijk, want Hanssen is zo diep in de gedachtewereld van zijn onderwerp binnengedrongen dat het verschil tussen Hanssens interpretaties en Ter Braaks opvattingen niet altijd even duidelijk is. Maar hij is juist daardoor niet in de val getrapt die Ter Braak blijkbaar voor zichzelf gegraven had.
Alhoewel het bij iedere biografie de vraag blijft in hoeverre ‘de ware figuur’ verborgen blijft en we mogen aannemen dat ‘het laatste geheim’ niet te ontsluiten is, mag vastgesteld worden dat Hanssen Ter Braak en vooral diens gedachtegoed uit de mist van het verleden helder naar voren weet te halen.
Hanssen begeeft zich daartoe nog al eens in essayistische uitwijdingen om werk en gedrag van Ter Braak te interpreteren en dat komt de chronologische opbouw van deze levensgeschiedenis niet altijd ten goede. Dit zij hem echter vergeven, want het lukt hem om ‘de vent’ die Ter Braak (althans tussen 1902 – 1930, de periode die dit eerste deel van deze biografie omspant) geweest moet zijn, scherp te tekenen. Hij besteedt daarbij veel aandacht aan de kruisbestuiving tussen leven en werk. Hij laat overtuigend zien hoe Ter Braaks overwegend essayistische werk wortelt in het autobiografische. De thematiek van Ter Braaks essays is vrijwel steeds geënt in het persoonlijke.
Ter Braak komt naar voren als een ‘eeuwige puber’. Het gaat daarbij uiteraard niet om een leeftijdsverschijnsel, maar om een situatie of levenshouding. Geplaagd door existentiële dilemma’s, heen en weer geslingerd tussen uitersten als kunst en wetenschap, leven en dood, liefde en eenzaamheid, dichter en burger, lijkt Ter Braak op zoek te zijn geweest naar zelfbevrijding. Omdat hij al vroeg het geloof in absolute waarden, zoals het geloof in God, verloren had, moest Ter Braak zichzelf steeds opnieuw definiëren. Het essayeren en polemiseren lijken daartoe pogingen die culmineerden in Carnaval der burgers (1930) dat in een oplage van 750 exemplaren verscheen.
Dit oplagecijfer maakt iets duidelijk omtrent Ter Braaks positie. Zijn ster is in die jaren rijzende en hij schrijft over literatuur, film, toneel en wijsbegeerte. Maar een belangrijk boek van een schrijver die op auteurs van de naoorlogse generatie een dergelijke indruk naliet dat W.F. Hermans een ‘vadermoord’ moest plegen om zich aan hem te ontworstelen – daarvan verschijnt slechts een zeer kleine oplage. Dit eerste deel van de biografie legt het accent dan ook (nog?) niet op Ter Braaks invloed, maar op zijn wording als schrijver en de samenhang daarvan met zijn leven. Zo toont Hanssen aan dat het verwijt dat Ter Braak een nihilist geweest zou zijn niet terecht is. Hij moet dat dan wel in een paradox formuleren: Ter Braak was uit op productieve vernietiging, op creatieve destructie. Afbraak in dienst van nieuwbouw. Maar wie Ter Braaks genealogie, zoals die gepresenteerd wordt in de eerste hoofdstukken leest en ziet hoe de depressies en angsten daar via erfelijkheid al op de loer liggen, krijgt de indruk dat de uitersten in Ter Braaks karakter en opvattingen met elkaar een gevecht moesten aangaan, wilde hij overleven. Het werpt een schrijnend licht op Carnaval der burgers, waarin Ter Braak de dichter en de burger tegenover elkaar zet, maar uiteindelijk de dichter toch op laat gaan in de burger. Ter Braak was een groot bewonderaar van Carry van Bruggen. De kern van haar prachtboek Prometheus, de paradox ‘distinctiedrift is levensdrift, eenheidsdrift is doodsdrift’, zou wel eens minder op Ter Braaks lijf geschreven kunnen zijn, dan wellicht op eerst gezicht lijkt. In werkelijkheid moet hij met het evenwicht tussen deze twee uitersten geworsteld hebben. Zo is er veel dat – overigens zonder daar al te expliciet over te zijn – vooruitwijst naar het tweede deel van deze breed opgezette biografie, waarin de jaren 1930 – 1940, de jaren van de polemist die uiteindelijk de strijd zou opgeven, centraal zullen staan.
Ter Braak had een zekere angst voor de taal, omdat in woorden niet alleen altijd iets van wat er uitgedrukt zou moeten worden, verdwijnt, maar ook omdat taal iedere gedachte ‘versteent’. Misschien zal de figuur Ter Braak in deze vorm ‘verstenen’. Als dat zo is, zou hij niet ontevreden mogen zijn. De ‘ware figuur’ die hij was, is in woorden niet meer tot leven te roepen, maar doordat Léon Hanssen niet blijft steken in abstracties en schematiseringen en hij het lef heeft gehad Ter Braaks levensgeschiedenis vooral te willen vertellen is het de grote verdienste van de biograaf, dat hij de mens Ter Braak zo in verband met de schrijver weet te brengen dat ze beide dichterbij komen. Hij maakt daarmee de aan een opvatting van Ter Braak ontleende titel, Want alle verlies is winst, zelf ook meer dan waar.



Een principiële opportunist

Sterven als een polemist. Menno ter Braak 1902 – 1940. Deel II: 1930 - 1940.

In het tweede deel van zijn breed opgezette biografie van Menno ter Braak citeert Léon Hanssen uit een brief van Ter Braak aan E. du Perron: ‘Er is voor mij maar één werkelijk heroïsche consequentie van het onmaatschappelijke standpunt: de zelfmoord. Die beslist, of iemand zozeer haat, dat hij eenvoudig de aanraking niet velen kan. Al het andere is hangen tegen de maatschappij aan, kleine gunsten voor haar verrichten en in de kleinheid van die gunsten en diensten een soort bevrediging zoeken.’ (blz. 208) Het citaat is om verschillende redenen zo veelzeggend.
Ten eerste omdat het vooruit loopt op zijn zelfverkozen dood onmiddellijk na de inval van de Duitsers in 1940, over welke zelfmoord hij, zo blijkt uit de biografie, al vóór zijn trouwdag in 1933 een afspraak met zijn vrouw gemaakt heeft. De haat die hij het nationaal socialisme toedroeg en die hij beschreef als ‘den grootsten geestelijken zwendel, die men sedert menschenheugenis aan een massa heeft kunnen opdringen’, stond hem de aanraking daarmee domweg niet toe.
Ten tweede is de standvastigheid van dit al zo vroeg genomen besluit in flagrante tegenspraak met het eerste deel van een portret dat de schrijver Van der Goes van Ter Braak schetste: ‘Cerebraal en aarzelend of hij altijd wel het goede besluit nam. Door en door ‘honnête homme’, die op een irritante wijze nooit helemaal stelling nam. Menno ter Braak was een misantroop zoals Le Misanthrope van Molière er een was: hij hield van het mensdom, maar was bang, dat hij er door zou worden teleurgesteld en dus probeerde hij het te haten.’ De hier veronderstelde misantropie van Ter Braak sluit juist weer wél aan bij diens schijnbare onbetrokkenheid, want met de formulering dat hij zou ‘hangen tegen de maatschappij aan’ presenteert Ter Braak zich als een ‘meeloper’, of, beleefder geformuleerd: als een aangepaste.
Het verwijt dat Ter Braak nooit helemaal stelling nam, botst met het clichébeeld van hem als genadeloze criticus, als afbreker van ‘literaire reputaties.’
De verschillende gedaantes waarin Ter Braak naar voren komt, sluiten elkaar, laat de biografie zien, niet uit, integendeel. Ter Braak blijkt in het bezit geweest te zijn van een uitermate complex, zo niet paradoxaal karakter. Hij was van mening dat ‘het definitieve standpunt’ niet bestond, dat gefixeerde begrippen overstromen, zodat aan nieuwe indijking begonnen kon worden. Hij vond dat de subjectieve waarheid (voorzover die al bestond) alleen indirect kon worden aangeduid, omdat woorden per definitie tekort schieten – desalniettemin deed hij vrijwel niets anders dan lezen en schrijven. Hij was een volstrekt tegenstander van het opkomende nationaal socialisme en derhalve een voorstander van de democratie, maar hij was niet te beroerd om uit te leggen dat het fascisme au fond een perversie van de democratie was. Hij steunde emigrantenschrijvers en was een pleitbezorger van de emigrantenliteratuur, maar kapittelde deze ten strengste wanneer deze naar zijn mening de politieke situatie te veel negeerde. Hij leed aan zijn ‘ongewoonheid’ en probeerde maatschappelijk te participeren, maar had weerzin tegen ‘de massa’. Hij hield er niet-burgerlijke standpunten op na, maar probeerde in het carnaval der burgers zoveel mogelijk zijn spel (zo zag hij het leven, blijkens de biografie) mee te spelen. Hij trok conclusies om deze later – met trots – te kunnen herroepen.
Deze beweeglijke levenshouding bezorgde hem dus het imago van iemand die nooit stelling nam. De kritiek verweet hem te caramboleren met begrippen: zijn schrijverschap zou ‘ijdel woordschotsspringen’ zijn.
Léon Hanssen besteedt veel aandacht aan het dialectische, paradoxale karakter van Ter Braak. Hij tekent hem als een opportunist – zonder de negatieve connotatie die dit woord gebruikelijk aankleeft: een democraat voor wie geen heilige beginselen bestaan, maar voor wie de eis van het ogenblik telt. Daartoe duikt hij diep in het werk en leven van Ter Braak. Het is opvallend dat in de titel het woord ‘biografie’ ontbreekt en dat is tekenend voor het werk van Hanssen die – evenals in het eerste deel – met de chronologie van Ter Braaks leven nogal losjes omspringt (zo wordt de invloed van Ter Braak op naoorlogse schrijvers aan de orde gesteld, terwijl het hoofdstuk over zijn dood nog geruime tijd op zich laat wachten.). Veel hoofdstukken zijn te beschouwen als diepgravende essays over het leven en vooral het werk van Ter Braak: over de grote invloed van Nietzsche op zijn denken en schrijven, over het tijdschrift Forum en de verhouding met E. du Perron, over de invloed van Ter Braak op latere generaties, over zijn journalistieke werk, over zijn steeds politieker wordende belangstelling, over zijn verzet tegen cultureel nihilisme en uiteraard over zijn zelfmoord.
Op allerlei manieren ‘schipperde’ Ter Braak (overigens even vaak ten bate van anderen), hetgeen hem soms op hoon van de explosieve Du Perron kwam te staan, terwijl ook de kritiek hem bepaald niet spaarde, maar de omstandigheden vroegen er geregeld om dat hij het door de Forumgeneratie zo hoog gestelde ‘ventschap’ corrumpeerde door het sluiten van compromissen. Hij bleef lang en zeer kritisch ‘tegen de maatschappij aan hangen’, hoe onnavolgbaar en onbegrijpelijk dat voor zijn tijdgenoten ook mocht zijn, maar de Duitse bezetting eiste van hem de uiterste consequentie. Ook daarin schuilt een paradox.
Léon Hanssen heeft de puzzel waaruit Ter Braaks karakter bestond blootgelegd, hij prikt mythes door, plaatst Ter Braak voorbeeldig in de tijd en biedt een vracht aan overtuigende analyses van en nieuwe zienswijzen op zijn werk. Wie enig zicht op de positie van Menno ter Braak tijdens het interbellum wil hebben kan onmogelijk om dit tweedelige standaardwerk heen.
Eerder verschenen in: De Haagsche Courant, 11 november 2000, 21 september 2001