Posts tonen met het label Koenraad Goudeseune. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Koenraad Goudeseune. Alle posts tonen

vrijdag 20 januari 2023

Wat alleen op papier een bestaan ​​kon hebben

De Nagelaten gedichten van Koenraad Goudeseune bestaan ​​uit twee afdelingen. De titel van de eerste, uit vijftig sonnetten bestaande, afdeling is ontleend aan een van de gedichten: 'Ik heb voor niks geschreven'; de titel van het slot van de bundel luidt: 'Laatste woorden'. zijn de gedichten  opgenomen die de dichter in het aangezicht van zijn dood via Facebook gepubliceerd heeft.

In eerste instantie lijkt de titel van de eerste afdeling het oude motief van Goudeseunes geringschatting ten aanzien van zijn eigen poëzie te hernemen. In zijn laatste twee bundels kenschetste hij zichzelf als 'een middelmatige dichter' die 'een soort proza ​​[schrijft] dat pretendeert poëzie te zijn, / maar dat eigenlijk geen van beide is. // De muziek ervan is gering.' En ook in deze bundel heet het: 'Er zijn van mijn hand maar een paar gedichten waarop ik met / reden trots kan zijn […]'. In het gedicht 'Petrarca' blijkt dat Goudeseune vindt dat zijn poëzie het tegen die van de Italiaanse meester moet afleggen: '[…] Petrarca / lezen en constateren dat wat ik zeg wil al eeuwen / eerder zoveel mooier werd gezegd.'

Verderop in de bundel blijkt de verzuchting 'Ik heb voor niks geschreven' te verwijzen naar het in Goudeseunes poëzie dominante motief van de onbeantwoorde liefde: 'Door jouw afwezigheid lijkt het huwelijk tussen ons / wel gered. We zijn alleen maar woorden, liefste, door mij op papier gezet […] Maar wij die niet samen konden zijn, / zijn het hier misschien pas echt? […] Je zal nu wel niet meer komen, ik heb voor niets geschreven.' De verwantschap met Petrarca is derhalve veel inhoudelijker: in zo'n 35 sonnetten is expliciete sprake van Goudeseunes onbereikbare 'liefste' (meestal een 'jij'), zoals in 'Wissel': 'Maar dit gedicht moet het stellen zonder jou. […] En ook ik, // zo lijkt het, heb nooit geweten wie je was en waar ik hoopte je te vinden, vond ik niets & niemendal. / Enkel wat verdwijnt, liefste, houdt voor altijd stand.' Goudeseune verbindt met het motief van de onbereikbare liefde een aantal klassieke, romantische motieven: 'zij' is, evenals Petrarca's Laura, soms concreet en krijgt zelfs een naam, maar toch is 'zij' – veelal tegelijkertijd – een metafoor voor een existentieel gevoel van gemis: 'levensmoe en tegelijk / vol verlangen naar wat ik onmogelijk krijgen kan', in een gedicht botweg samengevat in het woord 'alleenigheid'. Daarbij zet de dichter ook in op de eeuwigheidswaarde van poëzie, want misschien is 'zij' (of dát wat niet te vinden is) wél in het gedicht vast te leggen en aan de tijd te onttrekken: 'bijzonder is alleen dat wat ik zo gaarne wou, jou / tastbaar maken, mij ook is gelukt, althans in woorden.'

De Nagelaten gedichten hebben op het eerste gezicht de sonnetvorm met het werk van Petrarca gemeen, de verschillen zijn echter legio. Van de strakke vormen van Petrarca (iedere regel in principe twaalf lettergrepen, een strak rijmschema, elke strofe valt samen met een volzin) is geen sprake: Goudeseunes regellengte fluctueert sterk, aan klassieke rijm heeft een broertje dood en zijn enjambementen gaan er lustig op los. Zijn zinnen meanderen. Hij beoordeelt dat zelf in zijn allerlaatste gedicht, alweer onbarmhartig depreciërend, als 'koketteren met een kunde die er eigenlijk / geen is. Is schoonschrijverij en slaapverwekkend.' Maar hij schrijft er een beperkende voorwaarde vóór: 'Meanderen in een vers – indien alleen dát gezocht' en pleit daarmee zijn gedichten vrij, want niet alleen wordt de onbereikbare (ge)liefde gezocht, Goudeseunes poëzie is een aanhoudende poging tot wat Gorter beschreef als 'Ik zoek te zeggen'. In het gedicht 'Trace' citeert hij Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie: 'Zurück zu / den Sachen sebst' en noemt de  filosofie met name. Men zou de fenomenologie als volgt kunnen omschrijven: Men is zich iets (Husserl spreekt over 'het ding', 'die Sache') bewust. Dat 'iets' dringt zich woordloos aan het bewustzijn op en dus staat de betekenis er nog niet van vast. Dat 'iets' wat in de ervaring is besloten, moet vervolgens worden geëxpliciteerd, onder woorden worden gebracht.' Wanneer men voor dit 'iets' de thema's van Goudeseunes gedichten als 'onvervuldheid', 'verlangen naar vervulling', 'alleenigheid' invult, heeft men een fenomenologische beschrijving van zijn poëzie en begrijpt dat het 'meanderen' als een metafoor voor 'gedachtestromen' te lezen is.

Het is in Nagelaten gedichten alsof Goudeseune de balans met betrekking tot zijn – althans door hem gevoelde – verguizing opmaakt. In 'erfenis' schrijft hij met bitterheid over 'Wie mij het licht niet gunde' […] en met een schitterend schrijnend enjambement over de tijd 'toen ik mij door hen levend / begraven voelde'. Desalniettemin schemert in de bundel zo nu en dan een besef door dat 'De dichter zelf […] bij leven dood [is] en pas // als wat hij schrijft de tand des tijds kan overleven, levend.' En: 'Maar 't is ook ik met schrijven reed begon vooraleer / ik leefde en wat ik schreef geen andere bedoeling had / dan na mijn dood in taal te kunnen blijven bestaan.' Eén van zijn laatste gedichten, veelzeggend 'Erkenning' getiteld, eindigt met de regel 'Ik weet zeker dat na mijn dood erkenning wacht.' Het gedicht laat aan de lezer in welke toonaard, mineur of majeur, hij de verzuchting leest. Wellicht zijn daarbij de verwijzingen naar en citaten van enkelen uit de geschiedenis van het sonnet (Petrarca, Shakespeare, P.C. Hooft, Louise Labé) een verhulde poging aansluiting te zoeken bij deze groten uit de traditie?

Het is in het licht van Goudeseunes pogingen af te rekenen met de door hem gevoelde miskenning tantaliserend dat de eerste afdeling bestaat uit vijftig gedichten en niet uit de aan 'je' beloofde honderd, waaraan tot drie maal toe in gedichten gerefereerd wordt. Van een verantwoording van de halvering (wie, waarom, welke wel en welke niet?) ontbreekt elk spoor.

Op het hierboven gegeven citaat waarin de dichter van zijn eigen bestaan ​​in taal na de dood spreekt, volgt deze terzine: 'Ik weet hoe ijdel deze woorden zijn, maar geloof / me vrij, opgenomen van mezelf deed ik 't niet, maar alleen / voor jou, liefste. 'k Wil niet dat jij er niet meer bent.' Zoals zo vaak bij het voorlezen van Goudeseunes gedichten, eindigde ik met een verstikte stem. 'Als ontroering / de maatstaf van waardevolle poëzie mag zijn', dan verdient Goudeseunes poëzie erkenning in de vorm van een complete uitgave van zijn Verzamelde Gedichten.

Eerder verschenen in de Poëziekrant 3/4, 2022 


maandag 29 maart 2021

Flessenpost voor Koenraad Goudeseune ( 23 februari 1965 – 9 december 2020)

Geachte heer Goudeseune,

Als “zuipschuit, onderkruiper, agressieveling, jaloersigaard, dikke nek, arrogante lul, sjoemelaar, achterbakse vriend, onruststoker, zieligaard, lelijkerd” (Onuitsprekelijk, blz. 161) heb ik u, anders dan in litteris, niet leren kennen. Overigens ook niet “als goeie vriend, als trouwe vriend, als zorgzame vriend, als voortreffelijke vriend, als vriend uit de duizend, als niet ongeestige vriend […]” (ibidem), want onze paden hebben zich, anders dan in litteris, nooit gekruist.

Daarnaast schrijft u over uw alter ego met de hilarisch-treurige naam: “Hoe over Gratis Ruitenwisser in de voltooid verleden tijd zou worden gesproken, was wel de laatste van zijn zorgen.” (Een verdomd goede, blz. 234)

Een derde reden om mij niet te bezondigen aan een in memoriam te uwer ere, is uw instemming wanneer u Elias Canetti citeert: “De levenden bezondigen zich echter voornamelijk aan de gestorvenen, over wie zij beschikken alsof zij daartoe gerechtigd waren en iets over hun lot wisten. Uitingen over de volledig verdwenen doden komen mij gewetenloos en lichtvoetig voor. Doordat men iets aanneemt dat over hen wordt beweerd, geeft men hen volledig op, en zij kunnen zich niet verweren. De weerloosheid der doden is het meest onbegrijpelijke feit. Ik houd teveel van mijn doden om ze ergens te plaatsen.” (Wat duurt, blz. 54)

Maar… ik ben op geen enkele manier van zins u(w werk) op te geven, laat staan volledig. Wanneer ik op een verregende zondagmiddag “zin heb in melancholie”, dan zijn er twee dichters die mij vergezellen: Frank Koenegracht en Koenraad Goudeseune, want “poëzie is er nou net om dat verdriet en dat wentelen [daarin] wat soelaas te bieden.” (Het boek is beter, blz. 117) En dan lees ik mijn vrouw enkele gedichten voor, totdat mijn dichtgeschroefde keel mij het spreken belet.

Het is juist, omdat ik in een eerder schrijven (Poëziekrant, december 2019) u (w werk) te lichtvoetig “ergens geplaatst” heb, door u te kapittelen over uw eigen kenschetsing van uw dichterschap als “middelmatig” en u te verzoeken dat het maar eens uit moest zijn met die geringschattende houding ten opzichte van uw poëzie, dat ik nog eenmaal over u(w werk) wil beschikken en laten weten dat ik “iets over uw lot weet.”

De ook ín de gedichten gereveleerde miskenning is namelijk niet één van de thema’s. Vanonder de op eerste gezicht autobiografische anekdotiek ademt een wijdere strekking: die van een existentiële, metafysische eenzaamheid, die zich onder meer uit in gevoelens van verlatenheid, verguizing, afgewezen te worden. In die zin vallen de opvattingen over miskendheid omtrent uw literaire werk sámen met het thema dat in Het boek is beter dan de vrouw als “het magma van [uw] poëtische erupties” genoemd wordt”: de onbeantwoorde liefde, - en staat daar niet “los” van.

Wat dit betreft is uw werk te vergelijken met dat van Heinrich Heine. Voor zijn en uw werk geldt “dat literatuur voor mij haast uitsluitend met emoties te maken heeft. Ook een metafysische gedachte was voor mij een emotionele gedachte en misschien wel de emotioneelste van allemaal” (Het boek is beter, blz. 108), want ook Heines gedichten verbinden intuïtie en intelligentie, het particuliere met het universele, niet voor niets schrijft u: “alle poëzie is gelegenheidspoëzie” (Dichters na mij, blz. 63). Ook Heine lijkt in eerste instantie in veel gedichten uitsluitend over de (al dan niet onbeantwoorde, vergeefse, uitzichtloze en ongelukkige) liefde te schrijven, terwijl daaronder de klacht schuilt van de buitenstaander, de uitgestotene.

Dat levensgevoel kwam bij Heine uiteraard voort uit zijn Joodse identiteit  en de bejegening die hem op basis daarvan te beurt viel, uit uw werk is de voedingsbodem voor uw levenshouding te destilleren. Over (de invloed van) de duivenmelker, uw vader, zullen we zwijgen, maar vanaf uw eerste publicaties (Vuile was, Dat zij mij leest) speelt uw moeder een rol in uw literaire werk. Haar langdurig sterven: “Je ging ook telkens dood. Domweg.” Aan het slot van dit gedicht vinden we voor de eerste keer het verband met de liefde: “Ik weet niet of dit liefde is, / maar wou dat het dat niet was.” Ik heb de “zij” in de titel van de bundel altijd in eerste instantie gelezen als die ferne Geliebte, maar “zij” zou natuurlijk ook de moeder kunnen zijn. Nee, in “zij” vallen de moeder en de verre prinses sámen, want ook wanneer u zich voorneemt om  voor het themanummer “Veranderlijk” van Liegend konijn zeven gedichten te schrijven valt de moeder samen met “één liefste die […] mij verliet” en eindigt het gedicht met een wanhopige retorische vraag: “Zeven gedichten stel ik mij voor, / al kan het voor zo’n gewichtig thema / misschien met één? // Een allerhoogste, één stilste, één liefste // die afdaalde, brieste, mij verliet? // Eén gedicht dat na zeven keren lezen / nog altijd zegt: verander lijk, / word weer mijn moeder: blijf. // Ik zou niet weten wat er na al dit lezen / met dat gedicht gebeurt. Maar schrijf ik, / dicht ik voor haar die niet meer is alleen?”  (Het boek is beter, blz. 128) Zo desolaat als deze vraag klinkt, zo wanhopig klinkt het slot van dit keeldichtknijpende gedicht uit Een verdomd goede jeugdschrijfster (blz. 243):

Harlekijn

Mijn moeder knipte mijn haar vannacht.

Het groeide sneller dan zij knippen kon.

Ze had een boerse schaar

en een manier van doen, ach.

 

Tijd had Franse filosofie gedaan in mijn droom.

 

Ik zag me weer door tranen

iets belangrijks vangen.

 

Zoals zij met Elnett vangen kon,

haar eigen blonde haar.

 

Mama.

Zoals zoveel van uw gedichten kan ik het gedicht blíjven herlezen. Vanwege de associaties (de ontembare haren van het jong – het met behulp van haarlak getemde van heur haar, de bazigheid die daaruit spreekt, voorbereid door de laatste twee regels van de eerste strofe); de nuchtere, ontnuchterende, bijna ironische “onderbreking” waardoor het gedicht zelf iets krijgt van het karakter van het (te) snel doorgroeiende haar, maar meteen de verbinding tussen de emotie en het metafysische bewerkstelligt; het ongewisse van “iets belangrijks” (maar wát precies?); maar bovenal: het eindeloos uitdijende aantal mogelijkheden om de laatste regel, dat éne woord (!) te lezen, te interpreteren, te laten klinken: woedend, samenvattend berustend, wanhopig, verlangend, wanhopig verlangend…

Zelfs in een bagatel als “Wat doet die boom nou? / ‘Raap dat meteen op!’ / Zou een moeder zeggen. / Maar de herfst heeft geen moeder.” (Het boek is beter, blz. 222) resoneren het verval en dat wat (degene wie) werkelijk gemist wordt mee.

 Uit dit gemis is een hunkering ontstaan die zijn weg gevonden heeft in brievenboeken (waarin bundels gedichten verstopt zitten), die niet alleen geheel in lijn met de thematiek verguisd en miskend zijn, maar inhoudelijk al even consistent zijn: een brief is het communicatiemiddel bij uitstek om te proberen de verlatenheid te doorbreken. Geen wonder dat een schroomvallige herinnering aan uw eerste liefde, het engelachtige meisje met het ravenzwarte haar, eindigt met “een in haar hand gepropt mierzoet briefje, waarop u uw hart had liggen spellen”. (Wat duurt, blz. 136) Geen wonder dat alle ferne Geliebten in uw gedichten afschaduwingen van haar zijn, inclusief 002 Bianca, de “kassierster in de Unic”, wier naam in iele lichtblauwe drukletters op het ticketje boven uw schrijftafeltje gehangen heeft, omdat zij u gezien heeft. (Het is inderdaad Onuitsprekelijk (blz. 52) wat wij over de liefde zeggen.)

Wat moeten uiteindelijk de reacties via Facebook op de gedichten, die u schreef met de dood in het aangezicht, u goed gedaan hebben.

Ik ga nu deze flessenpost in zee gooien; de zee klinkt onzeker (Een verdomd, blz. 64). U weet “het” nu. Het is waar (Zen, blz. 30): “Leegte neemt veel plaats in / Hoe leef je met zo’n verlies?” Godverdomme.

Vuile was, Uitgeverij Atlas/Contact, Antwerpen/Amsterdam (1993)

Dat zij mij leest, Uitgeverij Atlas/Contact Antwerpen/Amsterdam (1998)

Onuitsprekelijk is wat wij over de liefde zeggen, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam (1999)

Zen uit eigen werk, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam (2005)

Het boek is beter dan de vrouw, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam, (2007)

Wat duurt op drift zijn lang, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam (2010)

Dichters na mij, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam (2011)

Atletiek van snijbloemen, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen (2012)

Het probleem met mensen die naar zee gaan, Uitgeverij Leesmagazijn (2014)

Een verdomd goede jeugdschrijfster & andere verhalen, Leesmagazijn (2015)

Vet hart, Bokeh Press, Leiden (2016)

De dood van Prince, Bokeh Press, Leiden (2016)

Merkwaardige producten, Uitgeverij Douane, Rotterdam (2018)

Vrachtbrief, Uitgeverij Douane, Rotterdam (2019)

De nuttige last van tragiek, Uitgeverij Douane, Rotterdam (2020)

 Eerder gepubliceerd in Poëziekrant 2, 2021 


 

 

zondag 14 februari 2021

Koenraad Goudeseune Over Merkwaardige producten en Vrachtbrief

Zegt de ene romanticus tegen de andere

Geachte heer Goudeseune,

Naar aanleiding van de verschijning van uw zevende poëziebundel Merkwaardige producten, heb ik uw hele oeuvre – inclusief de brief’romans’ – herlezen en inderdaad: het zijn merkwaardige producten, in beide betekenissen die men aan het woord ‘merkwaardig’ kan toekennen. In ‘Sonnet’ (blz. 32) schrijft u: ‘Niemand houdt van wat ik schrijf. Niemand antwoordt me.’  Het eerste is niet waar, want in al hun tragikomische robuustheid kunnen uw gedichten mij keeldichtknijpend ontroeren. Het tweede maak ik hier tot onwaarheid, want ik zoek te zeggen waarom.

De blurb kenschetst u als een romantisch dichter en ook in de brievenboeken komt het begrip voorbij, soms in een paradox:’ Je bezit alle eigenschappen om dewelke romantische dichters worden bewonderd, vooral het ontbreken van die eigenschappen, waardoor werkelijk van een romantische dichter sprake is.’ (blz. 114, Onuitsprekelijk is wat wij over de liefde zeggen, 1999) Maar wanneer ene Christel u vraagt om ‘minder zelfbeklag’, ‘ het zo nu en dan (?) de kop opstekende mineurtoontje’, kunnen we haar het beste terechtwijzen met dit citaat uit Het boek is beter dan de vrouw (2007, blz. 346): ‘ Het magma van mijn poëtische erupties [..] is mijn hele leven lang onbeantwoorde liefde geweest en thans is het niet anders’, want, zo vult u aan in Wat duurt op drift zijn lang (2010, blz. 71) ‘mijn idee van romantiek is niet zonder wrangheid, integendeel, het vormt er haast de humus van.’ Dan zitten we middenin de zwarte romantiek, de man (of vrouw) die leeft in onvrede met het bestaan, omdat hij het leven Schopenhaueriaans beschouwt als ‘niets dan een onnodige verstoring / tussen het niets dat er aan voorafgaat en het niets / dat er op volgt’ (Vet hart, 2016, blz. 67), maar daar niet uit vlucht, maar er juist in vlucht, daarin zwelgt, het verhevigt en zo probeert ‘een gedurfd streepje tussen bestaan / en niet bestaan’ te zijn. (Het probleem met mensen die naar zee gaan, 2014, blz. 40). Vandaar natuurlijk dat de titel van uw eerste bundel Dat zij mij leest (1998) klinkt als zo’n wanhopige, hartgrondige imperatief, die herhaald wordt in uw laatste bundel: ‘Ik heb iemand lief die niet bestaat. En zij is het / die ik liefheb. Zij, ja zij. Je leest toch wat ik schrijf?’ (Prijs, blz. 39) Het is in de romantische poëzie een topic, maar daarmee niet minder waar, hè?

De blurb noemt u verder vormbewust, maar die vormbewustheid uit zich op een melige, tegendraadse manier. Al in uw eersteling staat een ‘Sonnet’ geheten gedicht dat uit één kwatrijn bestaat, de andere tien regels mag de lezer er zelf bij verzinnen. In Het probleem bestaat de reeks ‘De kruisweg van Magalia Devleeschouwer’ uit 14 sonnetten en 1 pastiche, waarbij geen van de sonnetten de sonnetvorm heeft willen aannemen, terwijl de pastiche bijna een sonnet genoemd zou kunnen worden, ware het niet dat de vijftiende regel, bestaande uit één woord, dat teniet doet. Het was dan ook een verrassing dat de meeste (!) sonnetten uit Merkwaardige producten de sonnetvorm hebben willen aannemen. Nou ja, ze maken de regel ‘Nooit rijmden mijn woorden nauwkeurig’(Dat zij, blz. 8) waar, ieder geval niet volgens de klassieke rijmschema’s, maar u moet ook niets hebben van ‘hedendaagse poëzie die kort van stof is, bijzonder vakkundig gemaakt is en fris en mooi oogt’. U zoekt ‘het zijdelingse, de moeiteloze borsteling, de kunst er tijdig mee te stoppen’. (Onuitsprekelijk, blz. 128, 129).

Het probleem met mensen die naar zee gaan begint met het titelgedicht:

 

Van Rutger Kopland wordt verteld

dat hij op het einde van zijn leven

vroeg naar het Koplandgehalte

in de nieuwste poëzie.

 

Dat viel erg mee.

 

Het probleem met mensen die naar zee gaan,

is de titel van een gedicht van zijn hand

dat niet meer werd geschreven.

Ik moet altijd, als ik het herlees, lachen, omdat het gedicht Koplands ijdelheid op een milde manier te kijk zet, om het gebruik van het werkwoord ‘meevallen’, dat Kopland wel zou zijn tegengevallen; maar ook omdat het inmiddels minstens zo melancholisch is als de poëzie van Kopland zelf. Ik moet bij dit gedicht altijd denken aan het Koplandgehalte van minstens één van uw gedichten, dat mij als een onherstelbaar verbeterde versie van Koplands ‘Jonge sla’ voorkomt. Het staat in Zen uit eigen werk (2005, blz. 14).

Ieper

 

Meisjes hebben geen borsten,

laat staan grote.

Maar soms toch wel

die welving plots.

 

Altijd moet ik van de fiets

als ik zo’n meisje zie.

‘Welkom,’ wil ik zeggen

of ‘Draag er zorg voor.’

 

En laatst dacht ik aan een jongeman

die met slaap in de ogen naar de oorlog trekt,

Ieper, anno 1914.

 

De Groote Oorlog is nog jong,

is pas begonnen.

Zoals de bieten op het veld

ooit grote joekels van bieten zullen worden.

 

Als hij dan nog leeft.

Net als ‘Jonge sla’ gaat dit gedicht over de bekommernis omtrent ‘wat nog moet’: de meisjes die vrouw moeten worden, de jongen die nog kanonnenvlees moet worden, de oorlog die nog tot de volle wasdom van de vernietiging moet komen, de bietjes die nog joekels van bieten moeten worden. Maar het verschuilt zich niet achter de slappe metafoor van de slablaadjes; het is concreter, harder, meedogenlozer en mededogender. Natuurlijk schiet ik in de lach bij de regels over de bieten (wat rijmt u daar nauwkeurig), maar dan ben ik al lang ingekapseld door de bezorgdheid – mag ik die hier ‘hardnekkige liefde’  noemen? – waar het hele gedicht van overloopt. Wat een vondst om die oorlog ‘jong’ te noemen! Verdomd, waarde romanticus, ik lach, maar met een brok in mijn keel.

Het geheim van niet alleen dit gedicht vermoed ik in de onverwachte associaties, de soms bizarre combinaties van meligheid en oprecht mededogen, de botsing van verschillende emoties, de lukraak lijkende gedachtesprongen, de soms prozaïsche toon en de poëtische kracht van de beelden: ‘met slaap in de ogen’.

Ook in Merkwaardige producten staan opnieuw veel gedichten die het me doen. Ik citeer er één uit vele.

De lente loopt ten einde

Deze lente werd mijn dochtertje voor het eerst en (en veel te vroeg)

bang van de dood.

 

Iets in haar jonge, kwieke lijfje ging plots knielen,

als bij een gewond vogeltje.

Het richtte zich niet meer op.

 

Een aarzeling bij het kiezen van haar woorden,

een wikken en wegen dat haar nog lang vreemd had moeten zijn.

 

En ik, er het hart van in en niet in de mogelijkheid

haar iets te zeggen dat haar weer onbevangen kon doen zijn,

moest denken aan het grafschrift van het zevenjarig slavinnetje

van Julius Agathopis Phoebus op het eiland Apsoros,

alwaar dat jonge, jonge meisje al zoveel eeuwen rust:

 

‘Ik smeek je, aarde, rust licht op deze beenderen,

mijn lichaam was ook licht voor u.’

Het gedicht begint qua taalgebruik alweer met zo’n robuuste, prozaïsche aanzet, een letterlijke mededeling, maar daardoor (?) komt het sterke, tere beeld uit de tweede strofe des te harder aan. Frank Koenegracht (kent u zijn werk?) kan dat ook: ‘als een mus met zijn zoontje’. Het woord ‘slavinnetje’ maakt in één adem het dochtertje een slavinnetje van de dood. De associatie van de onmachtige ‘vader’ die de dood dat jonge, jonge (die herhaling!) lichaam intrekt. Het kan me niet schelen of Julius, het eiland en het grafschrift bestaan, ik huiver bij de onthutsende kracht van het grafschrift, maar de grootste ontroering schuilt opnieuw in de deernis: zo worden twee meisjeslevens streepjes tussen bestaan en niet bestaan.

Geachte heer Goudeseune, u bent lekker op gang: uw eerste drie bundels telden zo’n 40 á 50 bladzijden, de laatste drie respectievelijk 100, 103 en 138 (!) bladzijden zelfhaat, onbeantwoorde liefde, beantwoorde liefde, het leven dat wel of niet deugt, de melancholie. Wilt u vooralsnog de ‘woorden / die van een oud, nooit ingelost verlangen de vernislaag schuren’ blijven schrijven, want ik citeer met instemming het gedicht naast ‘De lente loopt ten einde’: ‘alsof alles wat vrucht is beurs en zinloos zou vallen  / als mijn geest ze niet plukt’. Dat is zo romantisch als de pest, maar o zo wáár!

Uw werk toegenegen, maar dat heeft u wel begrepen,

Ron Elshout

Koenraad Goudeseune, Merkwaardige producten, Douane, Rotterdam, 2018

Eerder gepubliceerd in: Poëziekrant 4, jul-aug 2018


“En ik weet dat ik bij zijn gedichten, / hoe middelmatig ook, ga zitten janken.”

Geachte heer Goudeseune,

Op bladzijde 121 van uw voorlaatste bundel, Merkwaardige producten (2018), typeert u nogal geringschattend uw eigen gedichten als volgt: “Ik schrijf een soort proza dat pretendeert poëzie te zijn, / maar dat eigenlijk geen van beide is. // De muziek ervan is gering.” In uw nieuwe bundel, Vrachtbrief (2019), noemt u uzelf in het titelgedicht (blz. 68) en op blz. 37, in het gedicht “Dochter”: “een middelmatige dichter”. Hoewel ik besef dat ik u, wanneer u naar mij zou luisteren, van een thema beroof, zeg ik u: het moet maar eens uit zijn met die geringschattende houding ten opzichte van uw poëzie.

Die proza-achtige toon zorgt namelijk voor een meeslepende stroom van quasi-onbehouwenheid in uw gedichten die buitengewoon goed aansluit bij het aards-romantische karakter ervan.

Evenals Merkwaardige producten begint Vrachtbrief  met pakweg een kwart van de gedichten onder de aanduiding “Sonnetten”. Inderdaad lijken deze gedichten door de opbouw in twee kwatrijnen en twee terzinen op eerste gezicht de vorm van een sonnet aan te willen nemen, maar ze maken meteen ook waar wat u op bladzijde 54 schrijft wanneer u poëzie vergelijkt met “een beeld uit de oudheid zonder armen”: “Ik weet – er is zoiets als omarmend rijm, / maar dat is niet mijn idee van poëzie.” Wanneer de muziek in uw poëzie zou moeten komen van het rijm, dan heeft u gelijk als u wijst op de geringe muzikaliteit. De gedichten zijn inderdaad niet voorzien van zoetgevooisde rijmvormen, de muzikaliteit schuilt in de toon van de beurtzang tussen oog voor het vergankelijke, het verval de poëzie binnenhalen en verzet daartegen; ze zit in de combinatie van mistroostigheid en weemoed; ze zit in de rauwheid waarmee tederheid geformuleerd wordt; ze zit in het beschrijven van wat je neerhaalt op een manier die in verrukking brengt. U vergelijkt in het octaaf van “Verjaardag” proza met schilderen en tekenen met poëzie, omdat een tekenaar die zonlicht wil tekenen, enkel met schaduw bezig moet zijn, want een tekening en een gedicht kunnen zonlicht hooguit suggereren, “maar het is er niet”. Maar u haalt het niet-aanwezige zonlicht tóch het gedicht binnen door er op te wijzen dat “je (= de dichter) er in slaagt het op te roepen / bij wie je gedicht leest” en u zet, “van nature zwartkijker’, desalniettemin de “liefste”, aan wie het gedicht gericht is, in het sextet van het gedicht in het zonnetje:

Volgens Schubert bestaat er niet zoiets als vrolijke muziek.

Wat je tot verrukking brengt, haalt je tegelijk ook neer.

Het is er en het is geweest, kinderen worden oud en sterven.

 

Daarom, liefste, zijn dichters van nature zwartkijkers.

Kijk, vandaag is het een prachtige lentedag en je bent

46 jaar. De zon schijnt door het raam, het is 10 u 30.

De genadeloze formulering “kinderen worden oud en sterven” concretiseert hoe snel alles en iedereen neergehaald wordt, maar misschien ontstaat de verrukking mede doordat er het besef van tijdelijkheid is? Ik vroeg me dan ook af: zetten die tijdsaanduidingen in de laatste regel de tijd nu stil, of vestigen ze juist de aandacht op het tijdelijke van ook dát moment? (Ja, ja, ik weet het: allebei tegelijk natuurlijk.)

Uw romantische inborst (ik sprak u daar eerder over) verraadt zich in het tweede kwatrijn van het sonnet “Verlossing”, wanneer u schrijft: “Tweemaal leven op het ondermaanse is onmogelijk, /” en daar onmiddellijk het geloof in de poëzie tegen inzet: “behalve op papier. Ik verzin je in de hoop dat ik / door jou verzonnen word. [..]”

In het sextet vinden we een al even zwart-romantische visie op het leven, dat desalniettemin geleefd moet en wil worden:

Ook ik kom hier met woorden zeggen dat slechts

eenmaal leven mij van meet af aan erg tegenstond.

Alsof je rijkdom enkel met verlies gemeten wordt.

 

Verdriet door een sonnet nooit helemaal uitgeziekt,

honger niet gestild – want ook een ellendig leven

kenmerkt zich door grote tijdsnood aan het eind.

Dat gebrek aan “muzikaliteit”, die parlandotoon in de sonnetten, dat quasi-achteloze noteren in de vrije gedichten, dreigt inmiddels wel het geraffineerde van de gedichten te maskeren, een raffinement dat het geknaag van de tijd aan de schoonheid én het verzet ertegen op paradoxale wijze incorporeert, getuige bijvoorbeeld de derde strofe van “Er gaat geen uur voorbij” (blz. 19):

Zo denk ik dat een gedicht moet zijn. Iets van jou

en mij dat onmogelijk vast te houden valt. Iets ouds

dat niet oud mag worden. Iets waardevols van stof.

Ten eerste zou menig dichter geschreven hebben: “Iets jongs…”, maar “iets ouds” haalt de vergankelijkheid des te pregnanter het gedicht in. Ten tweede staat er dat definitieve “onmogelijk”, dat door de formulering “iets waardevols” tegengesproken, zo niet weerlegd wordt. Wel meer gedichten, zo zagen we eerder aan het aan- én afwezige zonlicht, sluiten min of meer tegelijkertijd iets in en uit. Bovendien laat u in het midden of het vasthouden in het gedicht “onmogelijk” is of in de werkelijkheid (en dat het gedicht vervolgens het vasthouden moet doen). Wellicht daardoor is het slotwoord zo prachtig dubbelzinnig. Dat “stof” – is dat het stof uit “uit stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren”, of is het such stuff as dreams are made on? (Ja, ja, ik weet het.)

“Voor tijdelijkheid zorgen – grotere ambities / heb ik als dichter niet. / Het nu wat langer laten duren. / Bijvoorbeeld tussen jou en mij ”, lees ik op bladzijde 40.

Bij het paradoxale “tijdelijkheid” moet ik glimlachen; bij die bescheidenheid van de dichter haal ik mijn schouders op en bij de poging “het nu wat langer te laten duren” denk ik niet alleen aan de gedichten zelf, maar vooral aan het oprekken van de tijd die het duurt om het geschenk van het gedicht zo volledig mogelijk uit te pakken. Mag ik voor één keer in die “jou” niet de ferne Geliebte lezen, maar mag ik mezelf aangesproken voelen?

De weemoed om een verzonnen “dochter die een oude vrouw zal zijn die in haar jeugd piano speelde”; de eenzaamheid van “een parking waar er niks is behalve parking”; het desolate in regels als “we gaan slapen nu, jij en ik”; het ten hemel schreiende “plastic fruit op de salontafel in een glazen schaal”;  het eindeloze romantische verlangen; die gedichten – inderdaad: “ze zijn wanhopig en tegelijk fantastisch”.

Er is dus meer tussen geboorte en dood dan “alleen maar gebrek” – er zijn bijvoorbeeld deze gedichten, die van alles zijn, behalve “middelmatig”.

Als immer uw werk zéér toegenegen, maar dat had u inmiddels begrepen?

Ron Elshout

Koenraad Goudeseune, Vrachtbrief, Douane, Rotterdam, 2019

Eerder gepubliceerd in: Poëziekrant 6, december 2019