donderdag 7 februari 2008

Eerlijk, hartstochtelijk, onbegrepen. Over de essayistiek van Jeroen Brouwers

Op het omslag van Jeroen Brouwers’ Kladboek (1979), zijn eerst bundeling ‘polemieken, opstellen en herinneringen’, prijken een rode schrijfstift en een scalpel, gelegen op een opengeslagen schrift. Dat zouden de symbolische werktuigen van de essayist moeten zijn: met het scalpel ontleedt hij en met de rode pen straft hij vervolgens het feilen van zijn onderwerp af.
Onderhavige tekst is echter gedoemd een ‘esseej’ te worden – dat is: ‘een opstel waarin andermans boeken worden naverteld zonder namen te noemen, Engelse en Franse schrijvers in het oorspronkelijk worden geciteerd omdat het dan veel mooier klinkt en conclusies worden getrokken die de lezer zelf ook wel had kunnen trekken, als hij daar plezier in had gehad’ (geciteerd via Jeroen Brouwers, Feuilletons, zomer 1996, uit: W.F. Hermans, Het sadistisch universum, 1964), met dien verstande dat hier vooral de essays van Jeroen Brouwers ‘naverteld’ en geplunderd zullen worden, want iets anders schrijven dan zo’n door Hermans terecht denigrerend afgewezen napraatessay over het essayistische werk van Brouwers is zo goed als onmogelijk. Wie daarover nog iets oorspronkelijks wil beweren, vindt het gras welhaast volledig voor de voeten weggemaaid. Niet in de laatste plaats heeft de auteur zelf het terrein vakkundig afgegraasd door in zijn gepubliceerde brieven, documenten en essays op de materie in te gaan. Soms deed hij dat al gaandeweg in het essay dat hij onder handen had. Zo schreef hij in ‘De nieuwe Revisor’ (De bierkaai, kladboek 2. Schotschriften en beschouwingen, 1980) voorspellend, of toen al door ervaring ‘wijs’ geworden:

Doe iets in Nederland, bij voorbeeld schrijf,- schrijf wàt dan ook, als het maar niveau heeft, als het maar waarachtig is, als het maar ànders is dan ‘gewoon’, schrijf de mooiste roman, schrijf de scherpste polemiek, schrijf de zuiverste taal, maak er wat van, geef er blijk van niet tot de lamlendigen te behoren,- doe dat, en vervolgens: wéét dat je ‘tot overmaat van ramp’ door de klonen van het prikkeldraad een beunhaas zal worden genoemd, wéét dat van je zal worden gezegd dat je in de eerste plaats niet integer bent, wéét dat je hele hebben en houwen, je inkomsten, je betrekking, je liefdeleven, de minder geslaagde kanten van je karakter, je levensgeschiedenis, je echtscheiding, je kinderen die na je echtscheiding bij hun moeder zijn blijven wonen, je vergissingen, je misluktheden, dit alles en nòg veel meer te grabbel zal worden gegooid, waarbij men er niet voor terugdeinst tendentieus te citeren uit persoonlijke geschriften die je ooit (soms wel tien jaar of nog langer geleden) hebt afgescheiden, je uitspraken in de mond te leggen die je nooit hebt gedaan, sommige van je gedragingen zó te interpreteren dat wel lijkt of je een misdadiger, een laffe hond, een leugenaar, of een gevaarlijke idioot bent. (blz. 111)

Of Brouwers het zich bewust was toen hij dit schreef, is niet te achterhalen, maar het is de opmaat voor een verdediging van zijn eigen polemische werk die op den duur met de allure van een refrein in zijn werk moest terugkeren. Vooral de ad hominem-argumentatie die hij hier voorziet, is zijn deel geworden, zelfs zo dat hij in Kroniek van een karakter II tegen Cherry Duyns verzuchtte:

Het is al jaren zo, dat alles wat ook maar iets met ‘Brouwers’ te maken heeft wordt afgekeurd of verdacht gemaakt omdat het iets met ‘Brouwers’ te maken heeft. […] Men kijkt niet naar wat (de roman; het essay; de film) maar naar het wie.

Jeroen Brouwers heeft deze ‘status’ vooral te danken aan de polemische stukken uit zijn essayistische werk. Voor wie er behoefte aan zou hebben ook naar deze positie te streven is er uit Brouwers’ tweedelige brievenbrevier Kroniek van een karakter I een cursus polemiseren te destilleren, die voorafgegaan zou moeten worden door de navolgende waarschuwing, waarin de schrijver de door hem inmiddels verworven status preciseert – vergelijkbaar met de waarschuwingen tegen hart- en vaatziekten en longkanker op pakjes sigaretten (Men leze: ‘De laatste sigaret’, in: Feuilletons, zomer 1996):

Wie wil weten wat eenzaamheid is, moet schrijven. Hoe intelligenter hij schrijft, hoe groter de kans dat hij slecht wordt gelezen, hoe eenzamer hij is, hoe meer stront hij naar zijn hersens krijgt en op loyaliteit hoeft hij niet te rekenen. (Kroniek I, blz. 63)

Jeroen Brouwers schrijft aan Maarten ’t Hart dat polemiseren niet moeilijk is. ‘Waar het op aankomt,’ vervolgt hij, ‘zijn natuurlijk je argumenten en bewijsvoeringen.’ De rest vindt hij ‘woordkunst en goochelaarswerk’. (Kroniek I, blz. 361) Het belang dat Brouwers hier terecht hecht aan de onderbouwing van een polemisch essay is te beschouwen als een variant op zijn hierboven geciteerde filippica tegen ad hominem-argumentatie: het essay moet in de eerste plaats inhoudelijk deugen,- een opvallende uitspraak van de als vorm-freak en taalkunstenaar gedoodverfde schrijver die hij (óók) is. Wie hem, voor zover het zijn polemisch werk betreft, als eerste aanspreekt op zijn ‘woordkunst’, kan op een verbolgen weerwoord rekenen. Zo keert hij zich in Het is niets (1993) tegen een passage uit Het literaire leven in de twintigste eeuw. Zijn irritatie, schrijft Brouwers, geldt de karakterisering van ‘polemiek die dit drukwerkje verschaft’:

Een overwinning of het gelijk wordt niet zozeer behaald dankzij de inhoudelijke kracht van de argumenten, maar is in de eerste plaats afhankelijk van stijl.

Brouwers doet de kwalificatie af als onzin en levert nóg eens zijn visitekaartje als polemist af. De variatie op het refrein luidt ditmaal:


Een in de eerste plaats van stijl afhankelijke polemiek is als een door een glasblazer vervaardigde, rijk versierde vliegenmepper die al breekt en tot gruis en splinters uit elkaar valt voordat hij op het insect is neergekomen.
Een polemiek die niet ‘zozeer’ is gebaseerd op argumenten, nog afgezien van ‘de inhoudelijke kracht’ daarvan, is niet een polemiek, maar iets anders: - bijvoorbeeld te benoemen als een lasterstuk, een opstel voor suggestieve beweringen, verdachtmakingen, verwijten et cetera, bij voorkeur ad hominem. Niet geschreven op grond van argumentaties maar om reden van haat, minachting, kwelzucht, wraak. (blz. 123)

Het literatuurboekje beweert voorts dat ‘echte polemisten vaak meer zorg plegen te besteden aan de vormgeving van hun stukken dan aan de feitelijke onderbouwing daarvan.’ Het wordt als een algemeen geldende waarheid geformuleerd, waar Brouwers zich onmiddellijk met ironisch geformuleerde hooghartigheid van distantieert:

Ik ben er zo een die, uiteraard ook brillerend in soevereine stijl, in de eerste plaats zorgt voor ‘feitelijke onderbouwing’ der geïncrimeerde zaken en dienaangaande principiële standpunten verdedigt: - géén leugens, géén falsificaties, géén toespelingen op het strikte privé-bestaan van het ‘slachtoffer’ in zoverre dit niets met het onderwerp te maken heeft, géén beweringen zonder bewijsvoering, welke bestaan uit correcte, door iedereen verifieerbare citaten plus bronvermeldingen. (blz. 124)

In de veertien jaar die verstreken sinds de verschijning van Kladboek is Brouwers door schade en schande tot zijn eenzaamheid leidende inzichten gekomen, want hij beëindigt zijn ‘verdediging’ met deze alinea:

Mijn polemische werk voldoet dusdanig gestreng aan deze stelregel dat het wel daarom moet zijn dat opponenten nooit op mijn betoog-als-zodanig (kunnen) ingaan, maar hun reacties richten op mijn persoon, mijn zogenaamde intenties, et cetera, zodat er in plaats van polemieken roddelstukken ontstaan. (blz. 124)

Nu mag dit waar zijn,- een deel van de reacties van Brouwers’ ‘opponenten’ wordt ongetwijfeld mede veroorzaakt door diens ‘woordkunst en goochelaarswerk’: zijn onmiskenbaar eigen even agressieve als humoristische toon. Brouwers wenst te polemiseren vanuit oprecht gevoelde verontwaardiging (Kroniek II, blz. 348) en die moet in het essay ‘hoorbaar’ zijn. Een polemiek moet niet alleen ‘zéér gestreng geschreven’ zijn, ‘zonder één bewering of hij wordt door citaten en bronopgave daarvan bekrachtigd,’ maar het moet ook ‘lachen geblazen’ zijn (Kroniek I, blz. 93). Brouwers geeft, in een brief aan Jaap Goedegebuure, grif toe dat zijn aanval op D.A. Kooimans verhaal ‘De schrijver droomt’ cabaretesk is, dat hij soms melig spijkers op laag water zoekt en verbindt hier een algemeen geldende eis met betrekking tot polemiseren aan: ‘polemiek moet overdreven worden.’ Brouwers wil dat polemiek zo goed geschreven is, dat men deze ‘om deszelfs wille kan lezen’ (Kroniek I, blz. 113, 140).
In polemiek is Brouwers duidelijk geen voorstander van een ‘Ter Brakerig: ja, nee, eigenlijk wel, eigenlijk niet, hoewel, anderszins, ik bedoel…’ (Kroniek I, blz. 141) Als er ‘geen handgranaten’ beschikbaar zijn, dan moet het maar ‘met paardenvijgen’, maar polemiek ‘moet dampen’ (Kroniek I, blz. 161).
De feiten moeten kloppen, het gaat niet in eerste instantie om de nuance, maar een cabareteske overdrijving omwille van de stijl is daardoor makkelijk te vinden en het ligt voor de hand dat Brouwers’ tegenstanders daar hun schimpscheuten op richten. Men neemt niet de niet te bestrijden feiten, maar men zoekt de overdrijving en ontkent die. Wanneer Brouwers zich om het effect van de polemiek voorneemt van een verhaal aan te tonen dat alle zinnen niet deugen, zal er allicht één enkele zijn waarbij hij ‘spijkers op laag water moet zoeken.’ Het recept van het ‘verweer’ is dan: negeer Brouwers’ aanval op het grote geheel, neem zijn onheuse kritiek op díe zin onder de loep, toon aan hoe onrechtvaardig die is en ontmasker de polemist daarmee als: een leugenaar. Tref in een opsomming van jongens- en fietsboeken De renner van Tim Krabbé aan, beweer, voorbijgaand aan de intentie van de opsomming, dat dit ‘intussen wel een van de beste boekies is die de laatste jaren, al dan niet over fietsen, zijn uitgekomen’ en voila: Brouwers heeft ‘dus’ ongelijk. Maar of dáár de strekking van Brouwers’ essay door ontkracht wordt, is een retorische vraag.
Voor een cursus drogredeneren kan men dan ook te raden gaan in De valse Revisor (1979), het ‘polemische antwoord’ op Brouwers’ De nieuwe Revisor (Tirade 250, 1979 en) opgenomen in De bierkaai, kladboek 2, hetgeen Brouwers noopte in het laatst genoemde boek opnieuw te zijner verdediging een aantal keren het refrein te hernemen.
Zo wordt hij met ‘humoristische’ minachting uitgemaakt voor ‘bijna-Rooms’ en ‘katholiek’, terwijl iedereen die een beetje kennis heeft genomen van zijn werk, weet dat hij dit geloof al járen geleden afgezworen heeft en wat zou dat overigens met de inhoud van zijn geschrift te maken hebben als hij … ?
Men ontkent ‘literair criticus’ te zijn, terwijl Brouwers in zijn schotschrift met bronvermelding een kritiek op ’t Harts Een vlucht regenwulpen citeert en gooit vervolgens olie niet op de golven, maar op het vuur door het betreffende stuk zelf geen kritiek, maar ‘een roddelstuk’ te noemen, blijkbaar daarbij over het hoofd ziend dat Brouwers dáár nu juist tegen in het geweer kwam. Men herleze het bovengegeven citaat uit Het is niets.
In dezelfde publicatie wordt uit Brouwers’ brieven aan uitgever Loeb, één van de doelwitten van De nieuwe Revisor, geciteerd, met voorbijgaan aan het feit dat de daarin verstrekte citaten uitsluitend over de uiterlijke verschijningsvorm van Loebs boeken gaan, terwijl De nieuwe Revisor exclusief over de inhoud handelt.
Men licht Brouwers’ doopceel, komt met journalistiek om den brode verricht jeugdwerk op de proppen, plaatst zonder vermelding van een jaartal een foto van een jonge Jeroen Brouwers met een bloknootje op de knie en noteert eronder: ‘Jeroen Brouwers als roddeljournalist’.
Men beweert dat Brouwers een slecht polemist is, ‘omdat hij critici aanvalt die als criticus door niemand serieus worden genomen,’ terwijl Brouwers juist aantoonde waaruit de macht van die critici bestond. Overigens had men hierbij niet in de peiling dat men met dit predikaat Brouwers’ pamflet eerder ondersteunde dan ontkrachtte. Juist naar het feit dat een niet serieus te nemen criticus tien jaar lang een prominente plaats op de literatuurpagina van een krant innam, ging zijn woede uit.
Men verzuchtte demagogisch dat Brouwers zijn pijlen richtte op een criticus die nu juist opgestapt was, alsof Brouwers zijn polemiek niet begonnen was met de vermelding van dat feit en hij naar aanleiding dáárvan een ‘in memoriam van een tijd’ schreef alsmede een oproep tot een andere mentaliteit.
Men maakte belachelijke dat Brouwers’ pamflet ondersteund wordt door 152 bronvermeldingen, onder vermelding van het feit dat de schrijver ‘zelfs de MULO nog niet gehaald heeft.’ Enfin: zie het citaat uit Het is niets.
Kortom, er verhief zich een koor van door en tegen elkaar in galmende zangen en tegenzangen die op den duur door de gebrekkige argumentatie steeds meer ging rondzingen. Vervolgens trad er enige tijd windstilte in tot de geschiedenis zich herhaalde bij om het even welke polemiek Brouwers publiceerde: zijn aanval op de pretenties van de ‘Revisor-generatie’, zijn aanvallen op de beroerde, niet op literatuur maar op de persoon van de schrijver gerichte ‘literatuurkritiek’, zijn aanval(len) op het overschrijfgehalte van zogenaamd wetenschappelijk werk, zijn frontale aanval op de verloedering van het Vlaamse literatuurbedrijf, zijn aanvallen op ‘per fietspomp’ opgeblazen reputaties van sommige wetenschappers, schrijvers en uitgevers,- alles na te lezen in zijn vier ‘kladboeken’ en de feuilletons.
Het is enige tijd gebruikelijk geweest (overschrijven!) om Brouwers’ polemieken af te doen als ‘onbelangrijk’, door de personen of zaken waartegen deze gericht waren als ‘te klein’ of ‘te onbelangrijk’ af te doen. Op het eerste gezicht lijkt dit een ter zake doende bestrijding van ‘het leed dat Brouwers heet’, maar als de kwalificatie op waarheid zou berusten, waarom onstond er dan steevast zoveel rumoer rondom zijn pamfletten? Daarbij werd de ‘onbelangrijkheid’ van de zaak of persoon in zoverre door Brouwers erkend dat het hem over het algemeen om de grote wél belangrijke zaak (meestal van literaire aard) ging. Het ging niet in eerst instantie om het schrijverschap van D.A. Kooiman, maar om de pretenties die in de literaire kritiek ‘voor waar’ werden gehouden. Het ging niet om die ene opstappende recensent, maar om het verloederde, verkindste en verkinderlijkte literaire klimaat. Het ging niet om een literaire journalist, maar om de gezichtloosheid van een literair supplement van een algemeen gerespecteerd landelijk dagblad. Het ging (en: gaat) niet om een wetenschapper die, keurig met bronvermelding, verwijst, maar om de manier waarop ‘wetenschap’ beoefend wordt: niet door het zelf formuleren van eigen ontdekkingen en inzichten (Kroniek II, blz. 365), maar door het klakkeloos, liefst zonder bronvermelding, van elkaar overschrijven. Het gaat niet (hoewel ook) om de reputaties van R. Kousbroek en K. van het Reve, maar om hun buitengewoon slordige, bijkans in drogredeneringen omkomende manieren van ‘argumenteren’, die vervolgens door menigeen voor ‘waar’ aangenomen wordt.
Van de laatste twee kan men in ieder geval niet beweren, ‘dat zij door niemand serieus genomen worden.’ Beide scribenten: ruime publicatiemogelijkheden in NRC Handelsblad, toegang tot uitgeverijen, leidend tot P.C. Hooft prijzen in respectievelijk 1975 en 1981, de één professor, de ander eredoctor.
Wat Brouwers in hun geval gedaan heeft is niet anders dan zijn beproefde credo toepassen: ‘Zoek bij mensen de mythe en ontzenuw die.’ (Kroniek I, blz. 252) Maar alles is vergeefs, want in De Volkskrant van 10 augustus 2001 (blz. 3c) was het bericht te lezen dat ‘Karel van het Reve (1921 – 1999) de geschiedenis [is] ingegaan als iemand die graag – geïnspireerd door z’n grote voorbeeld Sir Karl Popper – alle mogelijke onzin aan de kaak stelde, vaak door bij een aanvaarde opvatting één niet te weerleggen tegenvoorbeeld te verzinnen. Hij had er z’n roem (en z’n gnuivende lezers) aan te danken. Van het Reve was een zorgvuldig en slim stilist […].’
Brouwers zou, vooral bij de laatste zinsnede, ongetwijfeld ‘gnuiven’,- van verontwaardiging. Het is een opinion chic – een gemeenplaats: ‘een almaar klakkeloos herhaalde uitspraak aan de waarheid of ‘geldigheid waarvan niemand twijfelt om de doodeenvoudige reden dat niemand zich de moeite getroost daar een onderzoek naar in te stellen’ (Het vliegenboek, blz. 201) – zoals Karel van het Reve er zelf regelmatig debiteerde, hetgeen door Jeroen Brouwers werd onderzocht en aangetoond. Brouwers heeft in ‘Uren bij het theelicht. De Elsschotkunde van Karel van Het Reve’ diens achteloze, slordige, luie en menigmaal aantoonbaar foute manier van redeneren, alsmede zijn krakkemikkige stilistische vermogens afdoende gefileerd, ruimschoots voorzien van letterlijke bewijsplaatsen en tegenargumenten gebaseerd op het werk van Van het Reve. Maar een gemeenplaats is als onkruid: is het hier bestreden, duikt het daar weer op. Remco Campert schreef in een gedicht: ‘Het gras komt pluksgewijs op / daar waar vorig jaar vuur grond kaal maakte’.
Iets dergelijks geldt R. Kousbroek. In ‘Het Oostindisch kampsyndroom (over Rudy Kousbroek)’, gepubliceerd in De Tijd in 1988 en opgenomen in Het vliegenboek uit 1991, demaskeert Brouwers de demagogische manier van argumenteren door R. Kousbroek. Hij laat – alweer: met geciteerde bewijsplaatsen – genadeloos zien van welke ‘trucs’ (schrijft Brouwers, men leze echter: drogredenen) R. Kousbroek gebruik maakt: hij gebruikt obscure bronnen en generaliseert op basis daarvan overhaast, hij verdraait en negeert wetenschappelijke literatuur, literaire fragmenten worden als ‘bewijs’ gebruikt voor een historische werkelijkheid (en hij neemt Brouwers met betrekking tot Bezonken rood kwalijk dat hij in een roman de historische werkelijkheid geweld aangedaan zou hebben), hij negeert elke weerlegging door en argumentatie van anderen, hij bezondigt zich aan glasharde leugens (bijvoorbeeld ten aanzien van de positie en verantwoordelijkheden van de Japanse keizer gedurende de tweede wereldoorlog) en hij gaat de mist in als het gaat om causaal redeneren: de Japanse keizer is onschuldig en niet-verantwoordelijk voor de door Japanse soldaten gepleegde gruweldaden – die op zich door R. Kousbroek ten onrechte gebagatelliseerd zo niet ontkend worden –, want hij was een zachtzinnig zeebioloog. Geen wonder dat Brouwers naar aanleiding van de uitreiking van het eredoctoraat in de wijsbegeerte (18 juni 1994) aan R. Kousbroek opnieuw in woede ontstak, nadat hij al in Het circus der eenzaamheid, kladboek 4 (1994) R. Kousbroeks herhaalde standpunten nog eens had weerlegd. Sinds de verschijning van Het Oostindisch kampsyndroom spreekt Brouwers overigens van ‘gene zijde’, want op bladzijde 486 verklaart R. Kousbroek hem domweg dood: 'Het is polemiseren met een lijk. Die man is niet buiten kennis, hij is gewoon dood.’ Het is de kwadratuur van een eerder Kousbroek-argument: ‘Brouwers deugt niet.’ Voorwaar een manier van ad hominem-redeneren die een eredoctoraat waard is,’ die heeft Brouwers toen hij zijn ‘refreinen’ schreef niet kunnen voorzien.



Van gene zijde – dat is in ieder geval een plek waar Brouwers zich ‘thuis’ voelt, als schrijver van het ‘in memoriam van deze tijd’. Want dat mag niet vergeten worden: zo goed als Brouwers opgepompte reputaties tot hun juiste proporties teruggebracht heeft, hij heeft anderen, vaak miskenden, op onnavolgbare wijze tenminste hun plaats in de literatuur gegund. In ieder van de ‘kladboeken’ veegt Brouwers reputaties van tafel, als het ware om ruimte te maken ten einde anderen daarvoor een reputatie toe te kennen. In het eerst ‘kladboek’ schijnt het licht op Hélène Swarth, Jan Emiel Daele, Henriëtte Freezer en Johan Daisne; in Kladboek 2 op Teirlinck, Boon en Buysse; in Het vliegenboek (kladboek 3) op o.a. Rob Nieuwehuys, Richard Minne, Paul Snoeck, Walter van de Broeck, Geert van Oorschot; in het vierde ‘kladboek’ op onder meer: Daniël Robberechts, André Baillon, Paul de Wispelaere, Benno Barnard. Daarnaast schreef hij biografische deelstudies over Godfried Bomans, Hélène Swarth, W.F. Hermans en Elize Baart.
Het absolute meesterstuk in dezen is natuurlijk De laatste deur (1983), een levenswerk bevattende: essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren, zoals de ondertitel luidt: intense ‘in memoriams’ die niet alleen uitblinken in biografisch, psychologisch en literair opzicht, maar vooral door ‘de toon van solidariteit’. Brouwers wilde met De laatste deur een wetenschappelijk boek schrijven ‘volstrekt zonder ‘literatuur’ of mooischrijverij, geen pathos, geen sentimentaliteit’ (Kroniek I, blz. 300), maar het onderscheidt zich vooral doordat hij dankzij een groot vermogen tot vereenzelviging met de schrijver-zelfmoordenaars tot ‘eigen ontdekkingen en inzichten’ is gekomen. Deze inleving verklaart – evenals later bij de deelbiografieën over Hélène Swarth en Godfried Bomans – Brouwers’ ‘toon van solidariteit’. Brouwers getuigt van respect voor de schrijver die hij onder handen heeft door onbevooroordeeld en open zijn onderwerp tegemoet te treden. Eerlijkheid is het motto, hij laat voor hem gelden wat hij in het voorwoord van Het is niets over zichzelf schrijft:

Ik ben de schrijver die ik ben en wil niet voorwenden dat ik eigenlijk een ander schrijver zou zijn. En als schrijver ben ik niet iemand anders dan die ik ben als ik niet schrijf.

Jan Emiel Daele (1942 – 1978) was géén groot schrijver en het wordt onomwonden vastgesteld, desalniettemin krijgt hij één van de mooiste in memoriams die Brouwers ooit schreef, waarmee zijn plek in de literatuur verzekerd is. Ook hier gaat het in veel gevallen om meer dan alleen de besproken schrijver. Met ‘Jan Emiel Daele’ draagt Brouwers een tijdperk ten grave, met het essay over François HaverSchmidt (Piet Paaltjens) komt de invloed van de Bijbel in zicht, met ‘Menno ter Braak’ wordt de invloed van de politieke situatie belicht, ‘Jotie ’t Hooft’ en ‘Dirk de Witte’ ‘vertegenwoordigen’ de jaren zestig.
In Kroniek van een karakter is na te lezen hoe teleurgesteld Jeroen Brouwers over de receptie van De laatste deur was.
Jaren na zijn geruchtmakende Vlaanderen-pamfletten (verzameld in Vlaamse leeuwen) is hij in België uitvoerig bekroond (orde van de Vlaamse Leeuw (1992) en Ridder in de Kroonorde (1993)) – een erkenning van zijn gelijk eertijds. In Nederland kreeg R. Kousbroek voor zijn aan elkaar gelijmde krantenstukken dat eredoctoraat in de wijsbegeerte, K. van het Reve én R. Kousbroek ontvingen de P.C. Hooftprijs voor hun krakkemikkig ‘geredeneer’. Het is derhalve een schande dat er geen enkele (psychologische en niet per se een literaire) faculteit is geweest die Brouwers voor dat unieke boek een (ere-)doctoraat aangeboden heeft. En de P.C.Hooftprijs voor essayistiek had hij al lang moeten hebben. De argumentatie daarvoor: zie hierboven in dit esseej.

1 Deel 1 van Kroniek van een karakter loopt van 1976 tot 1981, deel 2 van 1982 tot 1986. Waar blijft toch het vervolg?

Literatuur

Jeroen Brouwers, Kroniek van een karakter, deel 1, 1976 – 1981. De achterhoek. (1986) en deel 2, 1982 – 1986. De oude Faust. (1987) verschenen bij uitgeverij Hadewijch, Schoten.
Het essayistisch werk van Jeroen Brouwers, uitgegeven bij De Arbeiderspers, is te vinden in: Kladboek (1979), Kladboek 2. De Bierkaai (1980), De spoken van Godfried Bomans (1982), Es ergo sum (1982), De laatste deur (1983), Hélène Swarth. Haar huwelijk met Frits Lapidoth. 1896 – 1910 (1985), De schemerlamp van Hélène Swarth (1987), De versierde dood (1989), Kladboek 3. Het vliegenboek (1991), Het is niets (1993) Kladboek 4. Het circus der eenzaamheid (1994), Vlaamse leeuwen (1994), Adolf, Eva & de Dood (1995).
Bij Bas Lubberhuizen verscheen: Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart en Bastiaan Korteweg (1993).
De valse Revisor verscheen bij C.J. Aarts, Amsterdam, 1980.
Bij uitgeverij Atlas verschenen: Het aardigste volk ter wereld. W.F. Hermans in Brussel (1996), Feuilletons (zomer 1996), Extra Edietzie (Feuilletons, herfst 1996), Satans potlood (Feuilletons, zomer 1997) Alles is iets (Feuilletons, lente 1998), Terug thuis (Feuilletons, winter 1998), De zwarte zon. Essays over zelfmoord en literatuur in de twintigste eeuw (1999).

Eerder verschenen in: Bzzlletin, 280, 2002

1 opmerking:

Ruben zei

Ik wil graag iets zeggen over het gedeelte over Rudy Kousbroek.
Daarin wordt namelijk puur gespeculeerd op de onwetendheid van de lezer. Die moet maar aannemen dat Kousbroek liegt en bedriegt, niet ingaat op argumenten, wetenschappelijke literatuur negeert etcetera. Dat is allemaal gelogen – door Brouwers en door de schrijver van dit artikel (aangenomen dat die Kousbroeks werk daadwerkelijk kent, wat nog maar de vraag is) – maar de onwetende lezer zal wel denken, wat een boeman die Kousbroek! Het ironische is dat het artikel – in navolging van Brouwers – zelf datgene doet waarvan het Kousbroek beschuldigt.

Glashard liegen, bijvoorbeeld. Kousbroek heeft nooit gesteld dat Hirohito onschuldig was omdát hij een zachtzinnig zeebioloog was. Wel andersom: hij heeft beargumenteerd (dus niet lukraak geroepen, en overigens al sinds de jaren ’60) dat in zijn ogen Hirohito net zo min ‘schuldig’ was als Wilhelmina dat was voor Atjeh of Juliana voor de politionele acties. Daar kun je het mee eens zijn of niet, maar dat is iets heel anders dan hem van drogredeneren beschuldigen.

Waar ging de polemiek over? Kousbroek vond ‘Bezonken rood’ een afschuwelijk stuk geweldsporno. Maar wat hem vooral tegenstond was dat Brouwers elders gepleegde gruweldaden naar Tjideng verplaatste, ze zich als het ware toeëigende. Is dat smakeloos of literair verantwoord? Op zich een aardige literaire discussie, maar Brouwers maakte er een historische discussie van. “In Bezonken Rood (...) zijn álle ploertigheden die de Japanners in al hun kampen uithaalden samengebald” (NRC, 25-2-’95).

Maar wie vertelt hier dan glasharde leugens? Er waren geen wachttorens of vlammenwerpers in Tjideng. Er werd niet stelselmatig gemarteld en verkracht zoals in Bezonken Rood wordt beschreven. Dat gebeurde elders wel, maar daar heeft kleuter Brouwers geen last van gehad. Die gruwelen eigent Brouwers zich toe. Los van de vraag of dat smakeloos is of niet, belanden we dan bij het historische aspect, waar volgens dit artikel Kousbroek ook allerlei leugens over vertelt.

Kousbroeks mening over de Japanse oorlogsmisdaden is simpel: wij Nederlanders moeten niet zo zaniken. Ten eerste omdat wij zelf de gekste dingen hebben gedaan tegen de Indische bevolking. Ten tweede omdat wij in vergelijking met zo ongeveer alle andere oorlogsslachtoffers het minst te verduren hebben gekregen.

Wat is er mis met die van nuchterheid getuigende opstelling? Maar Brouwers sleept de Japanse oorlogsmisdaden tegen de Chinezen erbij om zijn gelijk te halen. Dat is al zeer onrechtvaardig jegens Kousbroek: die is jarenlang zo ongeveer de enige geweest die díe gruweldaden onder de aandacht bracht, terwijl alle andere Nederlanders (inclusief Brouwers!) alleen maar liepen te janken om wat hun was aangedaan, terwijl dat niet eens in verhouding stond: miljoenen gedode Chinezen en twee miljoen van honger omgekomen Javanen tegenover 20 á 30.000 overleden Nederlanders. “Bij alle wachttorens van Tjideng!” was dan ook Kousbroeks reactie toen Brouwers met die miljoenen dode Chinezen op de proppen kwam. Waar het op aankomt is immers dat die gruwelen zich dus niet in Tjideng afspeelde. Dat was goddomme een omheinde stadswijk.

Kousbroek heeft altijd het leed van anderen boven zijn eigen leed geplaatst. Hij had genoeg redenen om de Japanners te haten: in zijn kamp op Sumatra was de sterfte zelfs twee keer zo hoog als in Tjideng (D. van Velden, De Japanse interneringskampen voor burgers in de Tweede wereldoorlog, blz. 368) en hij beschrijft hoe in zijn kamp de mensen bij bosjes stierven aan malaria door gebrek aan kinine, terwijl na de oorlog bleek dat de Japanners daar goedangs vol van hadden.

Maar in plaats van toe te geven aan de primaire reactie om de Japanners te haten (zoals Brouwers doet), heeft Kousbroek zich vergevingsgezind opgesteld. Ook heeft hij aandacht gevraagd voor het leed dat de Chinezen en de Indische bevolking door de Japanners is aangedaan (waarover Brouwers nooit geschreven heeft, anders dan om er Kousbroek mee om de oren te slaan) en last but not least onze eigen misdaden. En hij heeft iedereen gehekeld die zich aanstelde, waaronder dus Brouwers. In Kousbroeks woorden: lees de getuigenissen van Primo Levi over Auschwitz en iedere lust ontgaat je om ooit nog het hysterische gezwelg in verzonnen ellende in Bezonken Rood te herlezen.

Wie, tenslotte, niet gelooft dat Kousbroek weliswaar prikkelend maar steeds genuanceerd, beargumenteerd en gedocumenteerd heeft geschreven over een enorme hoeveelheid onderwerpen uit de koloniale geschiedenis, moet Het Oostindisch kampsyndroom maar eens aanschaffen.